Biodiversiteit wordt business

null Beeld

Een enkele geitenwollen sok valt er misschien nog wel te ontdekken op de VN-top over biodiversiteit die vanaf vandaag in het Japanse Nagayo wordt gehouden, maar waarschijnlijk overheersen krijtstreep en mantelpak. De 193 delegaties komen om zaken te doen.

Al eeuwenlang kauwen de San (Bosjesmannen) in Zuidelijk Afrika op bladeren van de vetplant Hoodia om hun hongergevoel te onderdrukken. Zuid-Afrikaanse onderzoekers isoleerden het betreffende stofje uit de plant, vroegen er octrooi op aan en verkochten licenties aan onder meer Unilever, die het als afslankmiddel wilde gebruiken. Pas onder druk van maatschappelijke organisaties werd er een regeling getroffen om de San te laten meedelen in de winst.

Het eerlijk delen van de opbrengst van genetische hulpbronnen (’Access & Benefit Sharing’) is een van de thema’s op de tiende Conference of Parties, aangesloten bij de Conventie Biologische Diversiteit. Ontwikkelingslanden zijn het beu dat Westerse onderzoekers en bedrijven goede sier maken met genetisch materiaal dat zij al die millennia hebben beheerd, zonder dat ze daar iets voor terug zien. Omgekeerd zijn Westerse onderzoekers en bedrijven bang dat ze die genetische hulpbronnen niet meer mogen gebruiken voor onderzoek naar nieuwe medicijnen of het ontwikkelen van aardappelen die beter bestand zijn tegen ziekten en plagen.

De kans dat er sluitende afspraken gemaakt zullen worden over de eerlijke verdeling van de baten van de soortenrijkdom is klein. Voor een deel heeft dat te maken met de aard van het onderwerp, denkt Ingrid Visseren-Hamakers van de vakgroep Bos- en Natuurbeleid van de Universiteit Wageningen en toegevoegd lid van de Nederlandse delegatie. „De harde wetenschap van het Westen, vastgelegd in publicaties en octrooien, botst hier op de zachte, veel diffusere inheemse kennis, die is vastgelegd in rituelen en in de hoofden van mensen.”

Belangrijker is volgens haar het groeiende zelfbewustzijn van ontwikkelingslanden. Zij zien het gebruik van genetische hulpbronnen als een inbreuk op hun soevereiniteit. Een inbreuk waar wat tegenover moet staan in de vorm van geld en vooral technisch-wetenschappelijke kennis. De Westerse landen hebben daar niet zo’n zin in omdat ze daarmee hun toekomstige concurrenten creëren. Voor de Groep van 77 ontwikkelingslanden (plus China) is een goede regeling voor Access & Benefit Sharing cruciaal voor het welslagen van de conferentie.

De nadruk op een eerlijke verdeling van lusten en lasten illustreert dat biodiversiteit business wordt. Op zich hoeft dat niet slecht te zijn. Hameren op de ’intrinsieke waarde’ van soortenrijkdom en diversiteit aan ecosystemen en de ethische plicht om die te behouden, heeft tot nu toe niet veel opgeleverd. Uit de recente verschenen Derde ’Global Biodiversity Outlook’ blijkt dat er bar weinig terecht is gekomen van de internationale afspraak om het verlies aan soorten planten en dieren per 2010 tot staan te brengen.

Volgens Hans Alders, (oud-)milieuminister en tegenwoordig voorzitter van de Taskforce Biodiversiteit – een gemengde groep van ondernemers, onderzoekers en politici – komt dat mede doordat biodiversiteit, ons biologisch kapitaal, geen waarde heeft in het economisch verkeer. Om het verlies tot staan te brengen, moeten we laten zien wat de waarde van biodiversiteit is voor welvaart en welzijn. Daarmee sluit de Taskforce aan bij een serie rapporten die de Verenigde Naties publiceert en die bekend staat onder de afkorting TEEB, The Economics of Ecosystems and Biodiversity.

Het uitgangspunt is dat biodiversiteit diensten levert, zoals de productie van voedsel en hout, de zuivering van lucht en water en de bestrijding van plagen in de landbouw. Hommels en bijen bijvoorbeeld dragen, dankzij hun bestuivingswerk, voor 1,1 miljard euro bij aan de opbrengsten van de groenten- en fruitteelt in Nederland. Uit TEEB-berekeningen blijkt dat de natuurgebieden in de wereld jaarlijks een dividend opleveren van 5,5 biljoen dollar.

In het kader van het TEEB-programa heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) vorige week een studie gepubliceerd ’Rethinking Global Biodiversity Strategies’. Het rapport zal een belangrijke rol spelen tijdens de discussies in Japan, zegt projectleider Ben ten Brink. Het past namelijk in de discussies over de vraag hoe je de aantasting van biodiversiteit economisch moet beoordelen. In het PBL-rapport wordt die aantasting en de mogelijke oplossingen om die tegen te gaan, gekwantificeerd.

Het blijkt echter nog niet zo eenvoudig om het verlies aan biodiversiteit te kwantificeren. Zo weten we bijvoorbeeld niet hoeveel soorten er zijn – nog afgezien van het feit dat er voortdurend nieuwe soorten worden ontdekt. Ook de snelheid waarmee soorten verdwijnen berust op ruwe schattingen. Schattingen over het verlies aan biodiversiteit zijn vaak gebaseerd op het ’eiland’-model, waarin een verband gelegd wordt tussen aantal soorten en oppervlak. Inmiddels is uit allerlei praktijkvoorbeelden gebleken dat die relatie te simpel is. Er zijn voorbeelden bekend van tropisch regenwoud waarvan het oppervlak met meer dan 90 procent is afgenomen, zonder dat het aantal soorten evenredig verminderde.

Omdat het lastig is het verlies aan biodiversiteit in termen van soortenverlies te schatten, hanteert het Planbureau voor de Leefomgeving in zijn studie MSA als maatstaf, de Mean Species Abundance. In feite is dat een maat voor ongereptheid, uitgedrukt in soortenrijkdom en aantallen per soort onder natuurlijke omstandigheden. Een ongerept gebied heeft een MSA-percentage van 100 procent. De MSA voor Nederland is laag (12 procent), omdat er nauwelijks nog oorspronkelijke soorten in hun oorspronkelijke aantallen voorkomen. Dat is meteen ook de makke van het begrip MSA; we weten niet hoe de soortenrijkdom in Nederland of vrijwel elke andere plek op de wereld er uit zag voor de mens zijn invloed deed gelden.

Ondanks deze en andere wetenschappelijke onzekerheden moet er wel beleid gemaakt worden. Op de conferentie in Japan wordt voorgesteld om een intergouvernementeel panel op te richten analoog aan het klimaatpanel IPCC, het Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosystemen.

Louise Fresco, universiteitshoogleraar Duurzame Ontwikkeling aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de internationale commissie die de werkwijze van het IPCC onder de loep nam, vindt het een goed idee om onderzoek op het gebied van biodiversiteit systematisch te beoordelen. „Vooropgesteld dat het beoogde platform lessen trekt uit de gang van zaken rond het klimaatpanel en zich baseert op transparante procedures, strikte beoordeling van het onderzoek en zo min mogelijk onderhandelt over de inhoud.”

Blijft de vraag of het verstandig is om economische waarde toe te kennen aan biodiversiteit. Dat kan riskant zijn, schrijft Emma Maris, medewerker van het wetenschappelijke tijdschrift Nature. Sommige ecosystemen zijn misschien niet waardevol genoeg om te bewaren.

Een monotone grasvlakte levert waarschijnlijk veel betere en goedkopere ecosysteemdiensten in de vorm van waterzuivering dan een natuurlijk moeras. En een snelgroeiende plantage of een veld soja of suikerbieten slaat misschien wel meer CO2 op dan een volgroeid tropisch regenwoud.

Door er een prijskaartje aan te hangen, wordt biodiversiteit tot handelswaar. De vraag is of we dat moeten willen. Of dat we toch biodiversiteit willen behouden omwille van zichzelf.

(Trouw) Beeld
(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden