Binnenhof en Noordeinde groeien uit elkaar

Moeilijkheden om het Oranjehuis, wist Den Uyl, zouden een rem betekenen op zijn hervormingen Tjeenk Willink moedigde prinses Máxima aan niet te aarzelen om zelf ruimte te nemen De relatie tussen koning en regering heeft veel weg van 'twee-op-één-cel'. Oud-premier Den Uyl gaf meestal toe aan Beatrix, met Lubbers liep het soepel, de relatie met Kok was grimmig, maar met Balkenende is Beatrix ook niet erg op haar gemak.

door Hans Goslinga

Na zijn ministerschap van volkshuisvesting in het kabinet-Den Uyl vertelde Hans Gruijters eens in zeer kleine kring dat koningin Juliana en prins Bernhard 'lastige huurders' waren. Er was altijd wat en het kostte meestal geld.

Hij kon dat weten, want als minister was hij verantwoordelijk voor de rijksgebouwendienst en daarmee feitelijk 'huisbaas van de Oranjes'. Dat betekende nog niet dat hij altijd op eigen houtje besliste. Als er iets speelde om het koninklijk huis, zat premier Joop den Uyl als een bok op de haverkist. In één geval stond hij erop samen met Gruijters naar het Oude Loo te rijden om de onderhoudsstaat van dit slot zelf in ogenschouw te nemen.

Gruijters had nog weleens de neiging zijn poot stijf te houden tegenover de eisen van de koningin, maar Den Uyl gaf altijd vrij snel toe. Bij de gedachte dat er gedonder van zou komen, liep het hem, gaf Gruijters aan, al dun door de broek.

Dit inkijkje in de toenmalige verhoudingen laat zien hoe scherp Den Uyl de betekenis besefte van de koninklijke onschendbaarheidsregel: de minister is verantwoordelijk, the king can do no wrong. Zelfs de geringste moeilijkheid om het Oranjehuis, wist de premier, zou politieke heisa geven, in zijn gezicht kunnen terugslaan en een rem betekenen op het hervormingsprogram van zijn kabinet. Hij pakte het Lockheed-schandaal, de smeergeldaffaire waarbij prins Bernhard in opspraak raakte, in wezen niet anders aan dan de kleine kwestie over het Oude Loo.

De alerte houding van Den Uyl geeft aan hoe ingenieus, zo niet duivels, de regel van de koninklijke onschendbaarheid in elkaar zit. Zij veroordeelt staatshoofd en minister-president onverbiddelijk en onvoorwaardelijk tot elkaar. Den Uyl voelde die onverbiddelijkheid vermoedelijk zwaarder dan anderen, omdat hij als socialist nog altijd moest optornen tegen de argwaan van de Oranjeklanten, die de revolutiepoging van Troelstra in 1918 nog niet waren vergeten.

Drees had zich in de jaren vijftig dan wel ontpopt als een 'vriend van het Huis', die zelfs getuige was bij het huwelijk van Beatrix en Claus, maar in zijn jeugd had hij naar zijn zeggen 'nog met vreugde de Romanovs en Hohenzollern zien vallen'. Zelfs Kok rekende nog half en half met dit oude sentiment, toen hem na één jaar Paars werd gevraagd welke kleur hij zou willen verbinden aan zijn premierschap. Rood-wit-blauw, antwoordde hij.

De onschendbaarheidsregel, uitgevonden en ingevoerd in 1848 door de liberaal Thorbecke, verlangt geen gevoelens van wederzijdse genegenheid tussen staatshoofd en premier. In deze eigenaardige constructie, die Nederland naar het woord van de schrijver Busken Huet uit 1865 maakt tot 'eene demokratische republiek met een vorst uit het Huis van Oranje tot erfelijken voorzitter', komt het er vooral op aan dat zij samen een modus operandi vinden en zich bewust zijn van hun mogelijkheden en beperkingen.

Maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. De constructie heeft veel weg van 'twee-op-één-cel'. De ervaringen tonen dan ook aan dat de gedwongen samenwerking een bijna permanent gevecht is om ruimte.

In 1992 bij het twaalfenhalfjarig jubileum van Beatrix onthulde premier Lubbers aan de natie dat hij de vrijheid van de koningin in het openbaar te zeggen wat haar op het hart ligt, had vergroot. Hij zei bij die gelegenheid: ,,Een royale, geen angsthazige interpretatie van de ministeriële verantwoordelijkheid blijkt de moeite waard.''

Lubbers wist zich bij deze precaire daad politiek meer dan voldoende gesteund: Den Haag nam collectief de pet af voor de wijze waarop Beatrix aan het koningschap inhoud gaf. Uit bewondering, maar tegelijk ook gebiologeerd en overrompeld door haar voortvarendheid en dadendrang -hetzelfde effect dat ook Lubbers met zijn no-nonsensestijl bewerkte. Het ligt nu wel wat anders.

De vice-president van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink, die door zijn positie dicht bij de Kroon kan worden beschouwd als 'stem van het Huis', heeft in de afgelopen jaren al enige keren in subtiele bewoordingen aangegeven dat de politiek de ruimte voor de Oranjes te veel inperkt. In zijn rede ter herdenking van prins Bernhard, eind vorig jaar, zei hij dat de onschendbaarheidsregel niet alleen noopt tot het aanleggen van beperkingen, maar ook tot het geven van ruimte. Tussen neus en lippen door voegde hij daaraan toe: ,,Dat laatste wordt helaas wel eens vergeten.''

De pendule is sinds Lubbers in 1994 het veld ruimde, dus weer de andere kant op gegaan. Voor de buitenwacht zijn de gevechten hierover zichtbaar geworden in een reeks van kwesties (Máxima, het IOC-lidmaatschap van Willem-Alexander), incidenten (de skivakantie van de koningin in het Oostenrijk van de rechts-extremist Haider) en allerlei kleinere akkefietjes.

Volgens een ongeschreven Haagse wet is de ruimte van het staatshoofd zo groot als de politiek toestaat. Een afgeleide regel is dat die ruimte groter kan zijn naarmate politici sterker in hun schoenen staan. In dat licht kan het als een bewijs van zijn politieke kracht worden gezien dat Lubbers het destijds aandurfde Beatrix meer vrijheid te geven, ,,omdat zij gemotiveerd is werkelijk iets te zeggen''.

Maar afgaande op de politieke onrust die zich nadien op de lijn Binnenhof-Noordeinde manifesteerde, lijkt het erop dat Lubbers zijn hand licht overspeelde. Tjeenk Willink zei toen, als voorzitter van de Eerste Kamer, dat ,,een goed functionerend koningschap ministers nodig heeft die niet bang zijn kritiek op te vangen''.

Hij heeft die woorden de afgelopen jaren vaak herhaald, maar minder als vaststelling dan als oproep. Zelfs moedigde hij in oktober vorig jaar bij haar intrede in de Raad van State prinses Máxima aan niet te aarzelen om zelf ruimte te nemen. ,,Prins Claus heeft mij wel eens gezegd: Ik ben in het begin misschien te voorzichtig is geweest. Men moet ook risico durven nemen.''

Het ingenieuze van de onschendbaarheidsregel is dat zij voluit ruimte geeft aan de persoonlijke inzichten en humeuren van het staatshoofd en de premier, maar deze aan het zicht van de buitenwacht onttrekt. De paradox van de formule is dan ook dat zij weliswaar afrekende met de persoonlijke macht van de vorst, maar de mythe van macht leven inblies, omdat de koninklijke hand verborgen blijft in 'geheimzinnig schemerduister en vage schaduwen', zoals een staatsrechtgeleerde het eens uitdrukte.

De speculaties over de reikwijdte van de invloed van Beatrix doen dan ook geen afbreuk aan haar positie, maar dragen daar eerder aan bij. Hier geldt het woord van Machiavelli dat macht berust op de indruk die mede- en tegenstanders, al dan niet terecht, daarvan hebben. De sleutelformule is op dit punt in theorie volmaakt sluitend: het is staatsrechtelijk irrelevant hoeveel invloed de koningin uitoefent, omdat de minister-president te allen tijde verantwoordelijk is.

Het gevolg voor de premier is dat hij zich dikwijls bevindt between the devil and the deep blue sea. Hij heeft niet alleen met het staatshoofd, maar ook met het parlement te rekenen, en moet dus steeds nagaan wat hij wel en niet voor zijn verantwoordelijkheid kan nemen.

Misschien kunnen alleen degenen die zich ooit in die netelige positie hebben bevonden, dat navoelen. ,,Joop, je was gisteren ook mijn premier'', riep Barend Biesheuvel daags na het kamerdebat over het Lockheed-schandaal Den Uyl toe, toen ze elkaar bij toeval op het Binnenhof tegen het lijf liepen. ,,Mwaah'', reageerde Den Uyl, een wegwerpgebaar makend. ,,Nee, ik méén het'', persisteerde zijn voorganger, die zelf in 1971 prins Bernhard publiekelijk op de vingers tikte, nadat deze had geopperd de Kamer ,,een jaar of twee naar huis te sturen''. Dan kwam de regering eindelijk aan regeren toe.

Biesheuvel toonde zich vele jaren later nog meelevend, toen premier Kok in de kwestie-Máxima van CDA-fractieleider De Hoop Scheffer het verwijt kreeg de regie kwijt te zijn. In werkelijkheid was op dat moment minister van staat Van der Stoel in opdracht van Kok bezig met de delicate opgave om vader Zorreguieta ervan te overtuigen dat hij bij het huwelijk van de Nederlandse kroonprins met zijn dochter niet aanwezig kon zijn. Biesheuvel belde prompt naar het Torentje om Kok een hart onder de riem te steken: ,,Wim, de politiek leider van het CDA heeft níet namens mij gesproken!'' Zijn moeizame relatie met het Noordeinde woog zwaar bij de beslissing van Kok in de zomer van 2001 af te zien van een gooi naar een derde ambtstermijn als premier.

Weliswaar wist hij de moeilijkste zaak die op zijn bord kwam, de kwestie-Máxima, virtuoos op te lossen en was hij na Drees en Den Uyl de derde socialist die als 'redder van de monarchie' optrad, maar als geen ander heeft hij de waarheid ondervonden van het woord van A.M. Donner ,,dat regeren vooral crisismanagement is''. Crises, schreef de staatsrechtgeleerde in 1987, ontstaan onophoudelijk, ,,omdat men aan elkaar vast zit, zodat de één, hoe graag hij ook zou willen, niet zonder de ander kan''. Deze notie is niet alleen, maar wel in het bijzonder van toepassing op de verhouding staatshoofd-premier.

In het licht van deze wijsheid was de grimmige relatie tussen Beatrix en Kok misschien wel natuurlijker dan de soepele verstandhouding tussen haar en Lubbers, die op den duur regeerde als een Zonnekoning, maar zich tegenover de koningin, zoals iemand eens zei, ,,als een hoveling kon gedragen om dingen voor elkaar te krijgen''.

Tjeenk Willink formuleerde in december vorig jaar als het ware de minimumvoorwaarde voor de verstandhouding tussen koningin en premier, toen hij zei: ,,Begrip voor elkaars positie en functie, weten van elkaars agenda, is essentieel voor de continu & iuml;teit van het staatsbestel.'' De fijnproever heeft al snel een vermoeden van de zee aan narigheid die achter zo'n prozaïsch zinnetje schuilgaat; vooral het gebrek aan communicatie.

Waar Kok zich nog met verve, zij het steeds meer tegen heug en meug en soms met een rood hoofd van ergernis, als schildknaap van de koninklijke onschendbaarheid opwierp, heeft Balkenende de neiging opzij te stappen en het huis vol in de wind te zetten. Dat was het scherpst zichtbaar in de kwestie-Mabel, die hij weliswaar voortvarend, maar met weinig fijngevoeligheid oploste door prins Johan Friso en Mabel als scharrelaars met de waarheid te kijk te zetten. ,,Tegen onwaarheid is geen kruid gewassen'', zei hij, nadat was gebleken dat Mabel over haar contacten met de crimineel Bruinsma met instemming van Friso niet de volle waarheid had gesproken.

Volgens de raspoliticus Aantjes had de premier het erbij kunnen laten, nadat het paar zijn fout had erkend en zelf tot de conclusie was gekomen voor hun huwelijk niet de zegen van regering en parlement te vragen. Dat was in zijn ogen zowel elegant als adequaat geweest. Daar staat tegenover dat Balkenende met zijn keiharde optreden de kwestie in één klap uit de wereld hielp.

In de tijd van Drees en den Uyl ging nog de wijsheid op dat een staatsman veel wint, al wint hij niets dan tijd; de vraag is of deze wet in de mediademocratie nog onverkort geldt. Had Balkenende voor de weg van uitstel gekozen, zoals Aantjes suggereerde, dan was de kwestie blijven dooretteren in de media, met wellicht nog schadelijkere effecten voor het koninklijk huis. Dat neemt niet weg dat er bij de Oranjes een lelijk litteken is achtergebleven, naast dat pijnlijke kabinetsberaad in de avond na de bijzetting van Claus.

Het optreden van Balkenende in de kwesties om Mabel en eerder Margarita, past, afgezien van de beginnersfouten, in een tendens die al enige jaren zichtbaar is: de afnemende bereidheid van de politieke klasse om eventuele fouten van het staatshoofd en haar omgeving af te dekken. Balkenende lijkt te handelen volgens het motto: als gij fouten begaat, dopt ge uw eigen boontjes maar.

Het meest recente voorbeeld is dat hij Willem-Alexander afgelopen zondag tegenover 'Netwerk' liet uitleggen waarom er geen Oranje bij de begrafenis van paus Johannes Paulus II was geweest. Volgens de onschendbaarheidsregel komt dat volledig voor de verantwoordelijkheid van de premier. Nu hoorde de natie de kroonprins, een tikkeltje onhandig, vertellen dat hij het niet wist, omdat hij er niet bij was geweest toen de afweging werd gemaakt.

Tjeenk Willink, onze fietsende 'onderkoning', maakte zich vier jaar geleden al zorgen over de tendens die erop neerkomt dat het uitgangspunt van de koninklijke onschendbaarheid meer en meer wordt gerelativeerd. Die zorg is begrijpelijk, want aan het einde van deze weg daagt een geheel nieuw adagium: the king can do wrong.

In de jaren tachtig leverde het nog een grote politieke rel op, toen de liberale vice-premier De Korte zich op een VVD-bijeenkomst uitsprak tegen een voorgenomen bezoek van Beatrix en Claus aan Japan. Lubbers strafte deze zonde hard af met het gevleugelde woord: ,,Eens maar nooit weer.'' Nu is meeliften op de media-aandacht voor de Oranjes bijna dagelijkse praktijk geworden, met het risico dat monarchie en politiek, aaneengesmeed door Thorbeckes sleutelformule, steeds verder uit elkaar drijven.

De paradox is dat dezelfde politici een fundamenteel debat over de constitutionele monarchie steeds angstvallig uit de weg gaan. Thom de Graaf zijn hoofd ging er bijna af, toen hij in 2000 opperde de rol van de koningin in kabinetsformaties terug te dringen. Oncontroleerbare macht, zei hij, hoort niet in een democratie.

Kamerleden van CDA en VVD vroegen zich af of hij wel goed had gegeten, wezen hem de kortste weg naar de papierversnipperaar en verweten hem 'gebrek aan Oranjewarmte'. De Graaf voelde zich te kijk gezet 'als een soort Troelstra die op de barricaden de revolutie predikt', terwijl hij niet meer beoogde dan het instituut van het koningschap eens tegen het licht van deze tijd te houden.

De oude Van Dis, SGP-fractieleider in de jaren zestig, klapte een keer uit de school, toen hij na zijn bezoek aan de koningin tijdens een kabinetsformatie in zijn partijblad onthulde dat het ten paleize 'heel gezellig' was geweest. De koningin had zelf de thee ingeschonken en gevraagd of hij melk en suiker bliefde. ,,Een beetje melk, zei ik, waarop de koningin het kannetje boven mijn kopje hield en zei: Zeg maar ho.'' Henry Faas, de politieke redacteur van de Volkskrant, schreef daarop: Geheim van Soestdijk onthuld: Zeg maar ho!

Sinds twintig jaar zijn de adviezen van de fractieleiders wel openbaar, maar wat de adviseurs om de troon, de 'onderkoning', de voorzitters van de Kamers, een enkele minister van staat, het staatshoofd influisteren, weten we niet. In 1994 kwam uit het schemerduister van het Noordeinde ineens Wim Kok als kandidaat-premier te voorschijn en kon de aanstormende christen-democraat Elco Brinkman zijn boeltje pakken.

De hypocrisie in de reacties op De Graaf is ten overvloede gebleken nu de fractieleiders van CDA, VVD en D66 de Paascrisis in Balkenende II geheel buiten de troon om hebben opgelost. Dat gebeurde terwijl twee van de door de koningin benoemde bewindslieden, Brinkhorst en Van der Laan, hun positie 'in beraad' hielden. Het 'ontkoningen van de koning', zoals een conservatieve tijdgenoot van Thorbecke de Grondwet van 1848 noemde, gaat dus nog steeds door, zij het op kousenvoeten.

De historicus Ernst Kossmann zei bij het twaalfenhalfjarig jubileum van Beatrix dat het koningschap berust op drie pijlers: iemand die bereid is de taak op zich te nemen, een politieke klasse die het nuttig vindt en een bevolking die aan de monarchie in overdrachtelijke zin 'een vrolijke dag op gemeene kosten' overhoudt.

Het lijkt erop dat in deze trits de politici, met hun dubbelzinnige houding, de zwakke stee vormen. Misschien dat de ijzige wind die tussen het Torentje en het Noordeinde blaast, te wijten is aan het enorme verschil in staatkundige ervaring. Beatrix is een door de wol geverfde staatsvrouw, Balkenende begon in 2002 zonder ministeriële ervaring en bijna een generatie jonger aan zijn premierschap.

Zijn nog weinig competente optreden in het begin en de ruwe aanpak van enkele delicate kwesties, hebben de koningin, zoals iemand zei, stutzig gemaakt, het Duitse woord dat meer uitdrukt dan achterdocht. Daarnaast voelt zij zich minder gesteund door de politiek dan twaalf jaar geleden. Dat is niet volledig aan persoonlijke competenties en humeuren toe te schrijven, al zijn er over en weer veel ergernissen.

Toch lijken die meer de symptomen dan de oorzaken van de storingen op de lijn Binnenhof-Noordeinde. De fijnzinnige toets die ons eigenaardige staatsbestel vraagt, lijkt zich moeilijk te verdragen met de grovere wetten van de mediademocratie en de maat van gebeurtenissen die Nederland na 2001 in een grotere wereld hebben geplaatst. Het is dus hoog tijd dat er in politiek Den Haag stevig over het koningschap wordt gepraat.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden