Bij Zaltbommel had i de zon in de Waal zien schijnen

In de woorden van de burgemeester van Zaltbommel was het 'een jarenlange, prominente vorm van free publicity, die dagelijkse filemeldingen'; Martinus Nijhoff schreef in 1934, een paar maanden na de opening van de oude nieuwe brug, het gedicht met de beroemde openingszin: 'Ik ging naar Bommel om de brug te zien'; en ook Japi was er. Hommage aan de nieuwe nieuwe brug die donderdag wordt geopend.

MARTIN REINTS

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren. Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren. O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer. Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

Martinus Nijhoff uit: Nieuwe gedichten, eerste druk 1934

De nieuwe brug is prachtig. Donderdag 18 januari wordt hij in gebruik genomen door het verkeer in zuidelijke richting; het verkeer in noordelijke richting wordt een paar weken later over de nieuwe brug geleid. Minister Jorritsma zal donderdag tussen tien uur 's ochtends en één uur 's middags een officiële handeling verrichten, zo las ik ergens. De feestelijkheden nemen vervolgens zulke vormen aan dat de plaatselijke VVV er een aparte freelance-medewerker voor heeft aangetrokken.

Eigenlijk beginnen die feestelijkheden dit weekeinde al, want vandaag wordt de brug opengesteld voor voetgangers. Maar talloze mensen uit de omgeving hebben de wandeling al achter de rug. In de kerstvakantie hebben ze een enorm stuk omgelopen of ze zijn tegen het steile talud opgeklommen, zijn over de maagdelijke vangrails gestapt en hebben de bordjes Verboden Toegang genegeerd - nieuwsgierig hoe het is om over het nieuwe zeer open asfaltbeton te lopen en tussen de tuien door de oude rivier en het gewolkte te zien. Al wandelend verkeerden ze in een van de mooiste landschappen die Nederland rijk is.

De vorige brug werd op 18 november 1933 in gebruik genomen en is sindsdien bij mijn weten altijd 'de nieuwe brug' blijven heten. Ook voor die brug bestond indertijd grote belangstelling. En ook die brug was prachtig. Het was een soort meccano-constructie, helder en begrijpelijk, geen overbodigheden, geen versieringen. De enige versiering was het trotse gedenkteken aan het zuidwestelijke uiteinde: een strak metselwerk met een bank ertegenaan en twee teksten. Naar het oosten het enthousiaste 'Noord en zuid / verbonden / 1933', naar het zuiden het plechtig opgetogen 'Onder de regering van Koningin Wilhelmina werd deze brug volgens ontwerp en onder leiding van den Rijkswaterstaat gebouwd door de Nederlandse Nijverheid. Bij de openstelling van de brug in 1933 is dit gedenkteken aangeboden door de vijf Kamers van Koophandel en Fabrieken te Tiel, Utrecht, Tilburg, 's-Hertogenbosch en Eindhoven'.

Op de tweede kerstdag in 1933 wandelde de clavecinist Hans Philips met zijn hondje over de brug, die toen een maand in gebruik was. Ineens had hij daar op de grote, lege rivier een schip aan zien komen waarop een vrouw, alleen aan dek, psalmen stond te zingen. De gebeurtenis had hem getroffen en daarom vertelde hij erover aan zijn goede vriend Martinus Nijhoff. Dat was 3 april 1934. Ze waren aan het fietsen, van Utrecht naar Jutphaas, en ze hadden het over de binnenvaart. Het was ze opgevallen dat er in onze literatuur merkwaardig weinig over de binnenvaart was geschreven - aanleiding voor Philips om over het voorval te vertellen. Er was nog een verhaal dat hij aan Nijhoff kwijt wilde: hij had een keer bij de sluizen in Vreeswijk een vrouw op een schip gezien die sprekend op zijn moeder had geleken. Nijhoff had bij de verhalen geglimlacht; hij ging er op dat moment niet op in.

Dit gesprek is in 1968 weergegeven door A. L. Sötemann in een beschouwing over Nijhoffs 'De moeder de vrouw' die sedertdien door iedereen wordt aangehaald die iets over dit gedicht wil beweren. Het is duidelijk dat de twee ervaringen van Philips de aanleiding hebben gevormd voor het beroemde gedicht. Nijhoff had het twee weken na het gesprek aan zijn vriend voorgelegd. De eerste versie was dus voltooid op 17 april 1934. De binnenvaart had zijn plaats veroverd in de Nederlandse literatuur.

Behalve dat dit verhaal een idee geeft wat er aan het schrijven van 'De moeder de vrouw' voorafging, geeft het ook een indruk hoe het er in 1933 uitzag bij die nieuwe brug. Net als nu ging er kennelijk een grote aantrekkingskracht van de brug uit, en hadden mensen er plezier in daar een wandeling te maken. Maar anders dan nu kon je op de brug blijkbaar horen wat iemand zong die daar op een schip onderdoor voer. En blijkbaar heeft er daar dus echt ooit een schippersvrouw psalmen staan zingen. Dat laatste zou in 1996 nog wel denkbaar zijn, met fantasie, maar het eerste is op de brug beslist onmogelijk geworden door het lawaai van het ongelofelijk drukke snelverkeer dat er langsraast. Op dit moment rijden er over de oude nieuwe brug iedere 24 uur net zoveel auto's als in een heel jaar na de openstelling: 90 000.

Om je een voorstelling te maken van de omgeving die Nijhoff beschrijft, moet je ergens op of tegen de dijk tussen de nieuwe brug en Zaltbommel gaan liggen. Want in het sonnet bevindt Nijhoff zich in of vlakbij Zaltbommel, en dat moet dan wel aan de westelijke kant van de brug zijn, want hij ziet onder de brug een schip doorkomen dat stroomafwaarts vaart. Stel het je voor tussen het parkeerterrein Rotterdamse Bol en de oprit van de brug. Nu moet je het verkeerslawaai wegdenken. En daar komt met de stroom mee, dus op een rustige motor, misschien zelfs nog op een zeil, een schip onder de brug doorgevaren, en het water van de brede rivier draagt het psalmengezang van een schippersvrouw. Op de brug: wandelaars en fietsers. Af en toe een auto. En je ligt niet tegen het betonnen evenbeeld van de Afsluitdijk dat nu langs de Waal wordt gelegd, maar in het gras van een dijk die door zijn bochten bijna de intimiteit biedt van een duinpan.

'Mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd' - Nijhoff deinsde niet terug voor een cliché op zijn tijd. Het is ook een landschap dat zo overweldigt, ook nu nog, ondanks alles wat het aantast, dat je eigenlijk moeilijk om de clichés heen kunt. En op deze plek kunnen wij, in onze tijd, niet om Nijhoff heen. Ik wil niet zeggen dat de nieuwe brug, de oude nieuwe brug bedoel ik, zijn bekendheid dankt aan Nijhoff. De meeste Nederlanders kennen de brug vooral van de files. In de file-top-twintig staat zij twee keer vermeld: de helft met het verkeer naar Utrecht is goed voor een derde plaats, de helft met het verkeer naar Den Bosch staat nummer één.

De nieuwe brug, ik bedoel nu de nieuwe nieuwe brug, moet de files op deze plek uit de wereld helpen. Dat heeft de burgemeester van Zaltbommel tot een opmerkelijke verzuchting gebracht: 'het was een jarenlange, prominente vorm van free publicity, die dagelijkse filemeldingen'. Maar al dankt deze plek zijn bekendheid aan de verkeersproblemen en niet aan Nijhoff, het is toch onmogelijk hier te vertoeven zonder aan Nijhoff te denken. Als je hier bent of als je maar de naam Zaltbommel hoort, zit je in dit sonnet. Nijhoff heeft met zijn gedicht een onontkoombare invloed op je beleving van dit landschap, ongeveer zoals Roland Holst dat in Bergen heeft, en Elsschot in Antwerpen.

Nijhoff is niet de eerste die deze plek in beeld heeft gebracht. In een tijd dat er over de hele Waal nog geen brug te bekennen was, zat Constantijn Huygens junior, een broer van Christiaan, hier te tekenen. Hij zat aan de Waal bij Zaltbommel, ongeveer op de plek uit het gedicht van Nijhoff, alleen was zijn blikrichting niet stroomopwaarts maar stroomafwaarts. Zijn vader had in 1630 de heerlijkheid Zuilichem en in 1642 een gedeelte van het Monnikenland in de Bommelerwaard gekocht, waardoor hij dikwijls in deze omgeving heeft rondgetrokken. Op 14 maart 1669 tekende hij met pen in bruin en penseel in bruin en blauw de rivier in de buurt van de aanlegplaats van de veerboot naar Tuil. Met een aantal trefzeker getekende details geeft hij de immense ruimte weer en daaroverheen trekt hij een paar beheerste maar ongewoon forse penseelstreken, zodat je geen moment vergeet dat het om tekenwerk gaat. Zo heeft deze plek aan de Waal bij Zaltbommel niet alleen een van de mooiste gedichten van de twintigste eeuw opgeleverd maar ook een van de mooiste tekeningen van de zeventiende eeuw.

In de herfst van 1842 voer de componist Franz Liszt langs deze plek, op weg naar Rotterdam. Juist kwam zijn schip onder de brug door gevaren - alleen was er toen nog geen brug - of vanuit de toren van Zaltbommel klonk het carillon. Bij impuls liet Liszt het schip aanleggen, want hij wilde de beiaardier spreken. Ook deze geschiedenis maakt deel uit van de omgeving.

In de jaren 1909-1910 schreef Nescio over de plek. Dat was dus vierentwintig jaar voor de nieuwe brug van Nijhoff. In die tijd was er al wel de spoorbrug: de spoorlijn Utrecht - Den Bosch dateert van 1868, toen de spoorbruggen bij Culemborg, Geldermalsen, Zaltbommel en Hedel alle vier gereed waren. Als je nu over de spoorbrug rijdt en je kijkt in de richting van Zaltbommel, dan zie je eerst de oude nieuwe brug, daarachter de nieuwe nieuwe brug, en daarachter, voorzover je nog uitzicht hebt, de rivier en de toren van Zaltbommel. In 1909 was er alleen die spoorbrug. Dus als je daar toen over reed, zag je precies het deel van het landschap dat Nijhoff beschrijft, maar dan van de andere kant af.

De passage komt voor in De uitvreter, het verhaal over Japi, de op een na wonderlijkste kerel die Nescio gekend heeft. Er gaat een einde komen aan zijn uitvreten, want zijn ouwe heer heeft een betrekking voor hem gevonden. Drie vrienden zitten bij elkaar, het vriest, maar ze hebben niets om te verstoken. Japi vertelt. “De zon kon zoo mooi in de Waal schijnen. Bij Zaltbommel had i de zon in de Waal zien schijnen toen i de laatste maal met den trein over de brug kwam. Tusschen de brug en de stad maakte de zon een groote lichtplek in het water. Het water stroomde maar, de zon scheen er maar in, honderd, duizend, honderdduizend maal. Voor twee duizend jaar scheen de zon er al in en stroomde het water maar. God weet hoe lang al. Meer dan 700.000 maal was de zon sedert al opgegaan, meer dan 700.000 maal was i ondergegaan, al dien tijd had het water gestroomd. Hij werd beroerd van dat getal. Hoeveel regendagen zouden daarbij geweest zijn? Hoeveel nachten zou het zoo hard gevroren hebben als nu, en harder? Hoeveel menschen zouden dat water hebben zien stroomen en de zon er in zien schijnen en al die sterren gezien hebben in de nachten dat 't zoo vroor? Hoeveel menschen die nu dood zijn? en hoeveel menschen zouden dat water nog zien stroomen? En 2000 jaar was nog niets; duizenden jaren langer had de aarde al bestaan, duizenden jaren kon i nog bestaan. Duizenden jaren kon het water nog stroomen, zonder dat hij het zien zou. En als de aarde verging dan was er eigenlijk nog niks gebeurd. Daarna kwam nog zoveel tijd, er kwam geen einde aan den tijd. En al dien tijd zou hij dood zijn.'

Het landschap wijd en zijd. De oneindigheid. Het stromen van de eeuwige rivier, die je aan je kortstondigheid herinnert of die je daarmee verzoent.

Bij aandachtige lezing blijkt het gedicht van Nijhoff vragen op te roepen, die in het verleden zelfs wel vermakelijke discussies hebben veroorzaakt. Oorspronkelijk stuitte het gedicht ook op heftige kritiek. Je kunt het je al haast niet meer voorstellen, maar het taalgebruik was indertijd, althans voor velen, schokkend. Zo schreef de romancier S. Vestdijk: “De wending 'laat mij daar...' hoort voor mijn gevoel meer thuis in renommistische moppen, maar bij Nijhoff is dat dan blijkbaar anders.” En Anthonie Donker had onoverkomelijke moeite met de uitdrukking 'het schip dat zij bevoer': “Zij immers bevaart niet het schip, maar het schip . . . bevaart de rivier”.

Eind jaren zestig leiden kleine afwijkingen van het gangbare taalgebruik soms tot felle onenigheden over de interpretatie. Een voorbeeld levert de frase 'zij stond bij 't roer'. Volgens Sötemann staat de vrouw bij het roer in plaats van aan het roer omdat het schip onder Jezus' hoede vaart: Hij is de eigenlijke stuurman. Maar W. A. Ornee schrijft: “Dat schip op de Waal gaat rustig stroomafwaarts; ik herinner me wel schippersvrouwen die met de knie of met de heup even tegen het roer aanduwden en onderwijl stonden te breien.” Inmiddels is er een voortreffelijke uitgave van de Gedichten verschenen waarin je alle varianten in verschillende drukken en handschriften kunt naslaan (de editie van W. J. van den Akker en G. J. Dorleijn), en het is prikkelend daar nu in te kunnen lezen dat het oorspronkelijke handschrift van dit gedicht gewoon had 'zij stond aan 't roer'. De kwestie is er niet mee opgelost, want nu rijst de vraag: waarom veranderde Nijhoff 'aan' in 'bij'?

De grootste problemen zijn veroorzaakt door de regels 'Twee overzijden / die elkaar vroeger schenen te vermijden, / worden weer buren'. Deze regels hebben vragen opgeroepen als: waarom twee overzijden; wat houdt het in dat ze elkaar schenen te vermijden; hoezo worden ze weer buren? Belangwekkende beschouwingen als die van Sötemann en het artikel dat Theo de Boer in 1991 in Letter & Geest heeft gepubliceerd, laten zien dat je voor een echt sluitende interpretatie bent aangewezen op een symbolisch of metafysisch niveau. Probeer je de regels aan te laten sluiten bij de werkelijkheid van de nieuwe brug bij Zaltbommel, dan vraag je je toch af: hoe zat het dan met de spoorbrug die er al bijna 70 jaar lag. Het waren bij Nescio toch ook al buren? En hoe was het toen er nog helemaal geen brug lag, in de tijd van Huygens? Toen werd er met veerboten een verbinding onderhouden tussen de twee overzijden.

Het enthousiasme dat er altijd is geweest voor de brug uit 1933 en de lading die aan deze omgeving is gegeven door het monumentale gedicht van Nijhoff, maken dat er nogal durf en nuchterheid vereist zijn wanneer je hier een nieuwe brug gaat bouwen. De ontwerper, Cor Kuilboer van Rijkswaterstaat, heeft zich al eerder bewezen met een wonderbaarlijk mooie tuibrug over de Bergse Maas bij Heusden. Bij Zaltbommel heeft hij zich niet in de war laten brengen door de beroemde en heel mooie brug uit 1933. Om een aantal technische en praktische redenen heeft hij er ook hier voor gekozen de 256 meter te overspannen met een tuibrug. En hoewel dit leidt tot een totaal andere opzet dan de brug uit 1933, is deze nieuwe brug even helder van constructie en net zo vrij van versieringen. Het is een brug geworden die past in het landschap en die de voorbijganger een kleine gebeurtenis oplevert. In onze tijd zie je overal in het land vreemde witte huisjes verschijnen die door de vorm van de daken een beetje op boerderijtjes lijken, terwijl de torentjes er weer een soort kasteeltjes van maken. Rare poortjes, rare uitbouwtjes en lelijk materiaalgebruik tonen dat menig architect de kluts kwijt is geraakt. Het is een verademing dat deze nieuwe brug een soort ouderwetse moderniteit uitstraalt, die past bij zijn eretitel 'nieuwe brug'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden