'Bij wegvallen ideologie halen rijke landen meeste sportmedailles'

AMSTERDAM - Fidel Castro kan zich op de borst kloppen. Niet het Gos, dat de meeste medailles won, maar Cuba heeft de Olympische Spelen in Barcelona gewonnen.

Of nee, Hongarije is nummer een. Of is het Jamaica? Of toch Namibie? Zoveel verschillende maatstaven, zoveel winnaars. Economen uit Rotterdam en Amsterdam stelden na afloop van de Spelen 'alternatieve medailleklassementen' samen. Ze vergeleken het aantal gewonnen medailles met allerhande getallen zoals het nationaal inkomen, welvaartsindexen en bevolkingsomvang.

Cuba doet het in alle cijferlijstjes zeer goed. Vergeleken met het nationaal inkomen van hun land steken de sportprestaties van de Cubanen ver uit boven die van grote sportlanden als de Verenigde Staten, Duitsland en het Gos.

Ook Namibie, Jamaica en Ethiopie scoren hoog als hun medailleoogst wordt afgemeten aan de geringe welvaart in die landen. Het rijke Japan is in de medaillelijstjes van de economen in geen velden of wegen te bekennen. Nederland neemt een eenendertigste plaats in achter Duitsland en het Gos, maar voor de Verenigde Staten.

Ook na de vorige Olympische Spelen bleken economen er schik in te hebben het aantal behaalde medailles te vergelijken met het nationaal inkomen. Uit de klassementen van Seoul doemt hetzelfde beeld op als uit de lijstjes van Barcelona. Kenia mocht zich in 1988 de alternatieve winnaar noemen - Cuba deed niet mee - en Suriname was goede tweede dankzij de gouden medaille van zwemmer Anthony Nesty.

In de top tien waren naast OostDuitsland en Hongarije, Djibouti en de Maagdeneilanden te vinden. De Verenigde Staten moesten genoegen nemen met een negenendertigste plaats.

Duidelijke relatie

De conclusie lijkt snel getrokken: welvaart en sportprestaties hebben weinig met elkaar te maken. Maar dat gaat de economen F. den Butter en C. van der Tak van de Vrije Universiteit in Amsterdam iets te rap. Zij hebben de alternatieve medaillelijsten aan een aantal statistische berekeningen onderworpen en ontdekt dat er wel degelijk "een zeer duidelijke" relatie is tussen de behaalde medailles en het welvaartsniveau.

"In een welvarend land zijn meer inwoners in staat op hoog niveau aan sport te doen" , is de stelling van de economen. Niet alleen omdat sportaccomodaties gemakkelijker kunnen worden gefinancierd, maar ook omdat de vele sportuitzendingen op de televisie sponsors aantrekken. Deze stelling gaat natuurlijk niet altijd op, erkennen de onderzoekers. De sportcultuur in de (voormalige) communistische landen heeft weinig van doen met inkomen. "Daar zijn sportprestaties eerder een surrogaat voor welvaart" , zegt Den Butter.

Voor economen geen probleem: de cijfers gaan nog een keer door de computer die de invloed van de ideologie eruit filtert. Die correctie is steeds minder nodig, blijkt uit de resultaten. "De vergelijking tussen Barcelona en Seoul bevestigt dat die ideologische sportsystemen langzaam afbrokkelen. Dat betekent dat het verband tussen het nationaal inkomen en sportprestaties alleen maar groter zal worden."

Den Butter beschouwt het onderzoek een beetje als een 'geintje', een welkome afwisseling van de serieuzere zaken waar hij zich als hoogleraar algemene economie normaal mee bezig houdt. De echte medaillewinnaars zullen waarschijnlijk hun schouders ophalen over het onderzoek van de VU-economen. Chinese en Indonesische Olympisch kampioenen kregen, ondanks het lage nationale inkomen van hun land, forse bedragen van de staat op hun rekeningen overgemaakt. Hoe lager het nationaal inkomen hoe sneller de overheid met sommen geld bij de succesvolle topsporter op de stoep staat, zou je haast denken. Misschien iets voor economen, om dat eens uit te zoeken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden