Bij Pinter is het alledaagse dreigend

Toneelschrijver Harold Pinter (75) is de verrassende winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur. Al vijftig jaar brengt hij toneel volgens een oersimpel gegeven: een toneel, twee mensen en een deur.

'Het enige wat ons rest, is onze taal. Kan die gered worden? Dat is de vraag.“ Dramaschrijver Harold Pinter laat dat zijn personage Spooner zeggen in zijn toneelstuk 'Niemandsland' uit 1974. Pinteriaanse taal- en woordkeus ten top. Beknopt, kernachtig en desalniettemin raadselachtig.

Toneelspelers over de hele wereld staan doorgaans te trappelen van plezier zodra ze horen dat ze een rol in een Pinterstuk krijgen. Maar dán.

Pinter lezen luistert al nauw, Pinter spelen is als het weven van een kostbaar tapijt waarbij nog geen half steekje mag vallen. En hoewel Pinter zijn acteurs allicht tekst in handen geeft, stuurt hij hen tegelijkertijd het bos in. Want zie maar eens te manoeuvreren met repeterende regie-aanwijzingen als: 'Pauze', 'Zegt niets' of 'Stilte'.

Ook over de beschrijving van zijn personages is hij summier. De figuur Spooner uit 'Niemandsland' duidt hij slechts met: 'Een man in de zestig. Hij draagt een zeer oud en versleten pak, donker verschoten overhemd, gekreukte morsige das'.

In 1930 in het Londense East End geboren als zoon van een kleermaker kwam Harold Pinter op de middelbare school voor het eerst in aanraking met toneel. Hij speelde Macbeth en Romeo en raakte er totaal aan verslingerd. Hij volgde toneellessen aan de Royal Academy of Dramatic Art en aan de Central School of Speech and Drama, koos zich een toneelnaam, David Baron, en ging als Hamlet met een Shakespearetroep op tournee door Ierland.

Zijn eerste toneelstuk, de eenakter 'The Room' ('De kamer'), schreef hij op 27-jarige leeftijd en niet lang volgde zijn eerste avondvullende stuk 'The Birthday Party' ('Het verjaardagsfeest'). Twee jaar later begon zijn ster definitief te rijzen. Hij mocht voor de BBC radio een hoorspel schrijven, 'A Slight Ache' ('Een beetje pijn'), dat later ook als toneelstuk werd opgevoerd. Zijn tweede avondvullende stuk, 'The Caretaker' ('De huisbewaarder', 1960), bleef een jaar lang op de Londense planken staan. 'The Birthday Party' was er destijds na een week afgevoerd.

In een lezing voor dramastudenten in Bristol zei Pinter daarover: ,,Er zijn twee avondvullende stukken van mij in Londen opgevoerd. Het eerste liep een week, het tweede een jaar. Natuurlijk zijn er verschillen tussen deze twee stukken. In 'The Birthday Party' heb ik een bepaald aantal streepjes in mijn tekst gebruikt tussen de zinnen in. In 'The Caretaker' heb ik punten gebruikt in plaats van streepjes. We kunnen dus nu vaststellen dat punten meer in de smaak vallen dan streepjes en daarom heeft 'The Caretaker' langer gelopen dan 'The Birthday Party'.“

Het mysterie van Harold Pinter is lang vereenzelvigd met de streepjes, de puntjes of het simpele wit tussen de regels. Die intrigeerden en werden op toneel vertaald in de beroemde Pinteriaanse pauzes, die acteurs en publiek dwongen de eigen verbeelding in te duiken. Pinter mag eens hebben verzucht: ,,Als acteur in mijn eigen stukken heb ik de neiging mijn pauzes te minimaliseren. Ik heb in mijn leven te veel pauzes geschreven. Ze zijn een eigen leven gaan leiden“, en deze liever te hanteren als denkpauze, een inademing of een nieuwe impuls -toch kun je rustig stellen dat zij een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van het zogenaamde denkend acteren, dat het ingeleefde spel naar de verdomhoek 'ouderwets' heeft verdreven.

De werkelijkheid in het oeuvre van Harold Pinter is die van de alledaagse dreiging. Niet een reële, maar een ingebeelde. Alhoewel. Zelfs daarvan kun je bij Pinter niet zeker zijn. Het ondefinieerbare van zijn werk zit 'm in het ogenschijnlijk doodgewone van een situatie die allengs met iets van dreiging, vrees, een geheim wordt geladen zonder ook maar één verklaring of motief voor de handeling. Het uitgangspunt is in alle jaren eigenlijk hetzelfde gebleven en in feite oersimpel: een toneel, twee mensen en een deur. Als het doek opgaat, wist Pinter, dringt zich onmiddellijk de vraag op wat er met die mensen gaat gebeuren en of er iemand zal binnenkomen. Het is een elementair beeld van verwachting en onbestemde angst voor iets van buitenaf.

In de voortdurend kantelende relatie tussen macht en weerloosheid in zijn stukken is taal Pinters machtigste instrument. Daarin ligt zijn dramatische kracht. Als verklaring daarvan en van zijn thematiek is vaak verwezen naar een paar ervaringen in zijn jeugd. Als kind ging Pinter naar een joodse club. Op weg daarheen stond eens een aantal jongeren met kapotgeslagen melkflessen het clubje kinderen op te wachten. Er waren maar twee manieren om erdoor te komen, óf een fysieke óf een verbale. Voor de kleine Harold was de verbale de enige optie, de enige kans er heelhuids van af te komen. Een andere cruciale gebeurtenis was, toen Pinter als kind van Joodse ouders aan het begin van de Tweede Wereldoorlog uit Londen geëvacueerd moest worden. Na een afschuwelijke busreis zat hij wekenlang ergens ondergedoken in een donkere schuur, waar zich allerlei machtsspelletjes ontwikkelden. De dreiging daarvan zou het gevoelige kind dat Pinter was nooit meer vergeten.

Zelf heeft Pinter zich over het autobiografische element in zijn stukken nooit willen uitlaten, noch heeft hij ooit commentaar op inhoud en bedoeling willen geven. Werd hij om een toelichting gevraagd, dan antwoordde hij doorgaans: ,,Vraag het maar aan mijn personages.“ .

Omstreden is, in de theaterwereld, de politieke periode van Pinter. Al vrij vroeg na zijn grote doorbraak begon hij zijch te manifesteren als een uitgesproken 'linkse' toneelschrijver. Hij hekelde de Verenigde Staten vanwege de val van de Chileense president Salvador Allende, begon zich in te zetten voor de mensenrechten en hield lezingen over de hele wereld.

Dat politiek en kunst ongelukkig combineren, kwam hem op een forse dosis reserve te staan. En niet geheel ten onrechte. Zijn politieke toneelstukken missen de wonderlijke gelaagdheid van zijn andere werk, bieden een verre van dubbelzinnig zicht op goed en kwaad. Hij was de eerste om dat manco van politiek drama in te zien: ,,Het probleem is, dat je voor je eraan begint al weet hoe het zit. Een toneelstuk is in de eerste plaats een ontdekkingsreis en als je het verloop daarvan al bij voorbaat kent, bestaat het risico dat het stuk overbodig wordt.“

Alss reactie op de Golfoorlog schreef Pinter begin jaren negentig de eenakters 'Mountain Language' ('Bergtaal', '88), 'Party Time' ('91) en 'The New World Order' ('De nieuwe wereldorde', '91. Toneelgroep Amsterdam voerde ze in 1992 als drieluik op. Die stukken zijn nog compacter en bovenal pamflettistischer. Al hangt ook daar tussen de regels iets van die vreemde Pinteriaanse spanning. Maar van een zo groot schrijver verwacht je meer, en toch: had Pinter ooit 'Ashes to Ashes' ('Stof zijt gij', 1996) kunnen schrijven zonder die ontwikkeling te hebben doorgemaakt? Dat was een toneelstuk over een ruziënd echtpaar, een ogenschijnlijk huiselijk relatiedrama en tevens 'een modern requiem', zoals deze krant het noemde, met huiveringwekkende echo's uit de holocaust? Ongrijpbaar en hartverscheurend was het.

Hoewel zijn enorme productie van tientallen stukken dat niet verraadt, bleef een nieuw stuk schrijven voor hem een naakte pagina die gevuld moest worden: ,,Een blanco vel is tegelijk iets opwindend en beangstigends. Het is ons startpunt.“

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden