Bij het vallen van een eik

Het nieuws kwam slechts gedoseerd tot mij; er was hier geen tv, geen radio en nauwelijks bereik. In de ochtend kocht ik in het stadje een krant en las erin van de onthoofding van de Amerikaanse journalist. Het was zo'n bericht waarbij zich een knoop in je maag legde, en ik prees mezelf gelukkig dat ik me onlangs van de sociale media losmaakte. Maar ook op het stille papier was de werking hevig, de terughoudende beschrijving ten spijt. Ik zag de man in het zwart, en de man in het oranje. Een mes, een keel.

De voorstelling zou misschien passender zijn geweest in de zeventiende eeuwse ambiance waarin ik mij bevond, op dat goed in het oosten van het land. Wreedheden waren destijds niet ongebruikelijk; nu restte in deze omgeving buiten het stadje Delden alleen het nobele, in huizen, siertuinen en parkbossen.

Het huis van Twickel lag na honderden jaren nog ongenaakbaar achter dat stelsel van bruggen, voorplein, buitengracht en slotgracht. Dat veranderde nauwelijks toen de laatste barones in 1975 overleed en haar bezit overdroeg aan een stichting. Weliswaar waren er nu op gezette tijden rondleidingen door de vertrekken, en soms was de benedengalerij opengesteld voor een intiem concert, maar meestentijds lag het er stil bij, met gesloten luiken.

Ik kon in een van de bouwhuizen op het voorplein van het gastenverblijf gebruik maken; vroeger was er ooit het betaalkantoor van de rentmeester in gevestigd, de luiken voor de overdracht van de pacht zaten er nog in.

Vierduizend hectare mat het landgoed hier, tussen Delden, Hengelo en Borne, cultuurgronden, bos en natuurgebieden, beheerst door een samenhangende, op behoud gerichte visie. Hier geen Agrarwüste als in de polders, en ook geen eindeloos productiebos, en al helemaal geen nieuwe wildernis met grote grazers, maar een mengeling van boerderijen op oud gebintwerk, en weidepercelen, door boomgroepen en houtwallen onderbroken, en kleine natuurgebieden met beken en spiegelvijvers, met natte heide en vliegerdennen.

Ik slingerde door dit historische ensemble, een onwaarschijnlijk landschap buiten onze tijd, en wat een wonder dat de boeren er boerden, het vee er weidde, de houtzagerij nog zaagde. En overal eiken, met hun dramatisch gevormde takken, hun massieve stammen, tot ik, ineens op een pad, een omgevallen exemplaar aantrof. Het kon nog maar onlangs zijn gebeurd, een windvlaag, misschien zelfs in de voorgaande nacht, het gebladerte was nog groen. Zijn oude dikke stam was bij de wortel versplinterd, met enorm geweld, dat ook de binnenste verrotting bloot had gelegd.

Ik keek om me heen. Bomen, nog meer eiken, weiden, zonlicht, wind, en verder niemand. Ik had het gevoel de eerste getuige bij een groot ongeluk te zijn, alsof ik aan zee op een gestrande potvis was gestuit, zo groot en machtig was deze boom. Uit de eik naast hem kwam een kraak. Moest ik de rentmeester bellen, als bij een soort eerste hulp? Ik verwonderde me over mijn eigen begaanheid en emotie en kon alleen maar bedenken dat het de Amerikaan was geweest, de Amerikaan uit het nieuws, het nieuws dat hier zo ver vandaan leek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden