Column

Bij het horen van de eerste muziek in mei

Na afloop wankelde ik de zaal uit, emotioneel bijna even uitgeput als de cellist zelf moest zijn. Beeld thinkstock
Na afloop wankelde ik de zaal uit, emotioneel bijna even uitgeput als de cellist zelf moest zijn.Beeld thinkstock

Ger Groot staart bij Málaga naar een oude piano en beeldt zich in hoe die beluisterd moet zijn.

In het landhuis even buiten het Zuidspaanse Málaga dat sinds enkele decennia te bezoeken is staat een 19de-eeuwse piano decoratief in de hoek van de bibliotheek. Boeken zijn er helaas niet te vinden. Wel heel veel bomen en planten rondom de villa, in de botanische tuin die werd aangelegd als lustoord voor een magnaat uit de plaatselijke industriële revolutie. Ik heb niet zoveel op met groen, tenzij het eetbaar is. Maar nu overvalt me de weelderigheid van al die varens, struiken en palmen.

Die piano staat er daarnaast maar zielig bij. Al sinds lang ontstemd, van muziekinstrument een meubelstuk geworden dat alleen het oog nog wil plezieren. Ooit moet hij het centrum geweest zijn van society-avonden. Zonder piano geen muziek, geen dans, geen vrolijkheid. Hoe moet de wereld geklonken hebben voordat klanken mechanisch reproduceerbaar werden en we van ochtend tot avond ingezwachteld raakten in melodieën en harmonieën?

De altijddurende klank
'Muzak' heetten de weeë klanken die meer dan een halve eeuw geleden geïntroduceerd werden in openbare gelegenheden. In Amerika spreken ze van 'elevator music': vooral in liften moest ze de hoogtevrees en claustrofobie van onwennige gebruikers wegnemen.

Later ontdekten supermarkten er de kooplustverhogende werking van, nog weer later kledingwinkels, restaurants en zelfs boekhandels - elk met hun aangepaste muzieksoort. Waar ze ontbreekt zorgen we, met oortjes in, inmiddels voor onze eigen omgevingsmuziek. Meer nog dan in het tijdvak van het alomtegenwoordige beeld leven we in dat van de altijddurende klank.

Ik stel me voor hoe mensen geleefd hebben die een muziekstuk, opera of 'zarzuela' maar één keer in hun leven hoorden zoals het bedoeld was. Voor de rest van de tijd waren ze aangewezen op nazingen uit het hoofd of jongedochters die vingervlug genoeg waren om Beethovens symfonieën in klavieruittreksel na te spelen.

Tekst loopt door onder foto.

null Beeld thinkstock
Beeld thinkstock

Vluchtige kunstvorm
Nietzsche was nog maar een scholier toen hij met vrienden de muziek van Schumann bestudeerde: natuurlijk van blad en meer of minder kundig uitgevoerd op een van de internaatspiano's. Stel je de overweldigende ervaring voor van het concert waarop hij haar daarna voor het eerst ècht hoorde - in de wetenschap dat het ook voor het laatst zou kunnen zijn.

Mijn Zuidspaanse piano zal ongeveer uit die tijd dateren. Hoeveel intenser en verwachtingsvoller moet er toen niet naar muziek zijn geluisterd: de meest vluchtige kunstvorm die we hebben volgens Schopenhauer, Nietzsches toenmalige filosofische held. Of liever hádden - want sindsdien is alles herhaalbaar geworden. En dus banaal, voegt de cultuurpessimist in mij eraan toe. Brahms' Adagio bij het vullen van het boodschappenmandje is allang niet heiligschennend meer.

Cultuurpessimisme
Maar eerlijk gezegd ben ik niet zo dol op cultuurpessimisme. Natuurlijk, de onmiddellijke beschikbaarheid van het allergrootste wat de muzikale geest ooit heeft voortgebracht haalt iets van het bijzondere ervan weg. Het hoeft niet meer 'verdiend' te worden door hunkerend wachten en de gang naar een concertzaal, misschien een dagreis ver.

Maar beschikbaar is het wèl - en hoe had ik er anders ooit van gehoord? Hoe zou ik ooit zijn aangeraakt door de woestheid van Stravinsky's Sacre du printemps, als ik als middelbare scholier in de Amsterdamse muziekbibliotheek niet had kunnen luisteren naar de LP daarvan -lang voordat je dat soort kostbaarheden mee naar huis mocht nemen?

Ik hoorde het stuk - en schraapte al mijn zakgeld bij elkaar voor precies díe LP. Het zou nog jaren duren voordat ik de Sacre in het Concertgebouw live zou horen uitvoeren. Mijn verwachting kon niet minder geweest zijn dan die van de jonge Nietzsche bij een Schumann-concert, of later de première van een Wagner-opera.

Emotioneel uitgeput
De eerste keer een muziekstuk horen dat je altijd bij zal blijven: alle reproduceerbaarheid en 'banale' beschikbaarheid onder één muisklik nemen die ervaring niet weg. Brahms' eerste cellosonate sijpelde ooit uit een piepkleine wekkerradio voor het eerst mijn oor binnen en ik zat meteen rechtop. Pas jaren later hoorde ik zijn twee sonates in het Brusselse conservatorium uitgevoerd worden door Pieter Wispelwey. Na afloop wankelde ik de zaal uit, emotioneel bijna even uitgeput als - dacht ik - de cellist zelf moest zijn.

Ik staar bij Málaga naar een oude piano en beeld me in hoe die beluisterd moet zijn. Niet het pure geluid, maar de belevenis. Niet de loutere schoonheid maar de vluchtige eenmaligheid die vraagt om de hoogste overgave - want zo'n kans krijg je nooit meer. Die ervaring is niet weg. Het ingeblikte geluid heeft de muziek niet vermoord, zoals pessimisten dachten. Het brengt haar duizendvoudig opnieuw tot leven. Opnieuw luister ik naar de Sacre, in alweer een nieuwe opname, en mijn hart slaat even wild als toen: in de Amsterdamse muziekbibliotheek met zijn ouderwetse platenspeler, mijn eigen Málaga-piano.

null Beeld thinkstock
Beeld thinkstock
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden