BIJ DE VVD IS HET ALTIJD LENTE

Gezien de blakende welstand van de VVD anno 1998 is het moeilijk voorstelbaar dat de liberalen acht jaar geleden nog in wanhoop de hand aan zichzelf dreigden te slaan. De VVD stond er bij als een kaalgeplukte kip, na een regeerperiode waarin zij zich gemangeld voelde door Lubbers' CDA, gevolgd door een splijtend onderling conflict over lastenverzwaringen voor de automobilist, de tweede grote verkiezingsnederlaag op rij, de roemloze afgang van de ooit populaire VVD'ers Nijpels en Smit-Kroes en een leiderschapscrisis die culmineerde in de afzetting van fractievoorzitter Joris Voorhoeve.

Opgekropte woede en frustraties manifesteerden zich in alle hevigheid op de Algemene Ledenvergadering van 18 mei 1990, in de Zwolse Nieuwe Buitensociëteit, waar het kader tegen de VVD-top in opstand kwam. Tekenend voor de ernst van de crisis was dat zelfs het gezag van de man die de VVD groot had gemaakt, Hans Wiegel, niet volstond om de gemoederen tot bedaren te brengen. Wiegel, geschokt dat het zó ver met de VVD was gekomen, zakte na zijn vergeefse interventie terug op zijn stoel en verviel voor de rest van de avond in somber stilzwijgen.

Het is veelzeggend voor de innerlijke kracht van de VVD dat zij de Zwolse crisis wonderbaarlijk snel te boven kwam. Waar het CDA vier jaar na de ineenstorting van 1994 nog altijd een onzekere indruk maakt, herwonnen de liberalen in hetzelfde tijdbestek volledig hun evenwicht. Zij koesteren zich in het vooruitzicht van een liberale zegetocht bij de volgende verkiezingen, iets meer dan honderd jaar nadat het kabinet onder leiding van de anti-revolutionair Mackay de 19e-eeuwse liberale heerschappij doorbrak.

Het zelfverzekerde leiderschap van Frits Bolkestein zal zeker aan dat voorspoedige herstel hebben bijgedragen. De omstandigheden waren de liberalen bovendien gunstig gezind. Hoeveel ook af te dingen valt op de stelling dat de val van de Muur het gelijk van de liberale markteconomie heeft bevestigd, de VVD speelde met de pretentie van de liberale hegemonie wel handig op deze omwenteling in.

Niettemin moeten we het werkelijke geheim van het herstel van de Zwolse crisis in een eerder stadium in het bestaan van de vijftigjarige VVD zoeken. Bolkestein bouwt voort op een fundament dat zijn voorgangers hebben gelegd, Hans Wiegel in het bijzonder. Zij sloegen munt uit de omstandigheid dat de liberalen beter dan de christen-democraten en de sociaal-democraten, de oude massabewegingen, waren toegerust om profijt te trekken van sociale en maatschappelijke processen als ontkerkelijking, ontzuiling en individualisering. De VVD dankte die voorsprong aan de omstandigheid dat zij vanouds een partij is zonder binding aan kerk of zuil. Het liberale ideaal van de individuele vrijheid stond zo'n binding in de weg.

“Toch is de VVD van oorsprong een protestantse partij”, zegt de VVD-coryfee Henk Vonhoff, oud-Kamerlid, oud-staatssecretaris, oud-burgemeester van Utrecht en oud-commissaris van de koningin in Groningen. “De orthodoxen zaten bij de CHU, de gereformeerden bij de ARP. De VVD was bij de oprichting in 1948 het verenigingspunt van degenen die Telders, voorman van de Liberale Staatspartij in de jaren dertig, aanduidde als de protestantse middenstof.”

Vonhoff is, anders dan de aanduiding 'oud' doet vermoeden, geen politicus in ruste in de letterlijke zin van het woord. De liberaal heeft nog tal van functies in het maatschappelijk leven. Tussen de bedrijven door heeft hij het jubileumboek geschreven dat vandaag bij de viering van het 50-jarig bestaan van de VVD wordt gepresenteerd.

Vonhoff: “In de jaren na 1948 wordt het karakter van de VVD geleidelijk aan breder. Maar het duurt nog tot 1959 voordat het eerste katholieke hoofdbestuurslid zijn intrede doet. In 1969 is Pol de Beer het eerste katholieke Tweede-Kamerlid voor de VVD. En Feij is in 1974 het eerste VVD-lid van de Eerste Kamer van katholieken huize.”

De Beer en Feij waren twee van een groeiend aantal katholieken die de oversteek naar de VVD maakten. Vonhoff: “De toenemende deelname aan onderwijs en de groeiende welvaart brachten mensen ertoe weg te kruipen uit het als steeds strakker ervaren harnas dat de PvdA en de KVP na de oorlog over de politiek hadden gelegd.” Zo'n overstap werd in de oude kringen niet altijd begrepen. “Feij was ook burgemeester van de Limburgse gemeente Melick-Herkenbosch”, herinnert Vonhoff zich. “Toen hij naar de VVD overstapte, zei de gouverneur van Limburg, de KVP'er Van Rooij, tegen hem: 'Dit is het einde van je carrière als burgemeester. Jij komt nooit meer weg uit Melick-Herkenbosch'. Maar hij had buiten Hans Wiegel gerekend. Die werd in 1977 minister van binnenlandse zaken en Feij eindigde als burgemeester van Breda.”

Vonhoff herinnert zich meer gevallen van tegenwerking om het oprukken van de VVD in katholieke kring te verhinderen. “In 1962 drong de VVD voor de eerste keer door, met één vertegenwoordiger, in de provinciale staten in Limburg. Vier jaar daarvoor hadden wij voor het eerst net voldoende Limburgse kiezers weten te mobiliseren om lijsten in te dienen die het recht gaven aan de verkiezingen deel te nemen. Dat was nog een heel karwei geweest. Vervolgens kregen veel van die brave katholieken een telefoontje. Ze kregen te horen: 'Ben je gek? Je maakt een VVD-kieslijst mogelijk. Nou, dat zul je wel merken in je zaak of in je winkel'. Daarop trok een aantal hun handtekening terug en konden wij niet aan de verkiezingen meedoen. Zo zat de maatschappij toen in elkaar in Limburg. Er vond in strikte zin geen geloofsvervolging plaats. Maar er was wel druk.”

De VVD heeft zich door deze praktijken nooit laten verlokken tot agressiviteit tegenover de KVP. De ontspannen houding van de liberalen jegens de Katholieke Volkspartij is volgens Vonhoff een van de verklaringen waarom de VVD aanvankelijk meer van de secularisatie profiteerde dan de PvdA. Vonhoff: “De PvdA had van de Doorbraak een ideologisch strijdpunt gemaakt. Maar daarmee roep je ook tegenkrachten op. Het woord Doorbraak zegt het al. Alsof ze dwars door een muur moesten. De VVD heeft vanouds minder last van dat soort ideologische drift.”

“Dezelfde ontspannen sfeer kenmerkte onze partij-organisatie. Dat heeft ook een principiële kant. In de PvdA zijn de volksvertegenwoordigers vanouds gehoorzaamheid verschuldigd aan de partij. Dat komt voort uit hun idee dat de partij het volk vertegenwoordigt. In onze visie zijn dat de Kamerleden, niet de partij. Dat verklaart waarom bij ons de fractiediscipline minder groot is. Wat dat betreft leek de CHU op ons, hoewel het er bij de Unie wel eens overdreven aan toeging. Dan stemden ze met vier vóór en vier tegen. Ja, dan kun je net zo goed thuisblijven. Dan is je enige functie dat je bijdraagt aan het quorum. Ik herinner mij een discussie tussen de toenmalige fractieleiders Burger van de PvdA en Tilanus van de CHU. 'Wat is dat voor een partij, die CHU van u?', vroeg Burger. 'Het lijkt wel een koppel patrijzen. Bij een schot vliegen ze alle kanten uit'. Tilanus antwoordde: 'Dat lijkt misschien zo. Maar als het schot is verklonken, landen ze allemaal weer genoeglijk op dezelfde plek'.”

Terugkijkend is de periode van neergang die de partij in de tweede helft van de jaren tachtig doormaakte, niet meer dan een kortstondige dip geweest in de gestage groei van de VVD sinds haar oprichting in 1948. In vergelijking met de fluctuaties in de PvdA-aanhang en de continue achteruitgang van de christen-democraten, in de jaren tachtig kortstondig gemaskeerd door Lubbers' succes bij de buitenkerkelijke kiezers, laat de electorale ontwikke- ling van de VVD zich schetsen als een redelijk vloeiende lijn omhoog. Naast de eenmalige uitschieter van 36 zetels in 1982, toen Nijpels profiteerde van de malaise waarin het ongelukkige tweede kabinet-Van Agt zowel CDA, PvdA als D66 had ondergedompeld, valt de sprong op die de VVD maakte bij de verkiezingen in de jaren zeventig. Dat waren de hoogtij-jaren van Hans Wiegel.

“Wat wij nodig hebben, is een hyper-intelligente boer Koekoek met moreel verantwoordelijkheidsgevoel die de taal van de massa spreekt.” Wijlen Harm van Riel, de excentrieke VVD-senator met een fijn ontwikkeld gevoel voor de sentimenten en verborgen drijfveren van de kiezers, onderkende begin jaren zeventig de electorale potentie van Hans Wiegel. Dankzij Wiegels zelfverzekerde uitstraling, zijn humor en zijn vermogen in ronde bewoordingen de emoties van de kiezers te bespelen, konden de liberalen volgens Van Riel doorbreken naar kiezersgroepen voor wie de VVD tot dan toe een vreemd huis was.

De VVD vormde onder partijleiders als Oud, Toxopeus en Geertsema in hoofdzaak een losjes georganiseerd gezelschap 'zindelijke burgerheren', naar een woord van de dichter Jan Greshoff, voor wie de politiek vergelijkbaar was met een spelletje tennis op een zonnige dag. “Bij de VVD is het altijd lente, de witte bal gaat heen en weer, zonder dat de punten erg tellen, en een gemiste slag leidt slechts tot goedaardige vrolijkheid wederzijds. Na het spel de handdruk, de kwinkslag en het glas”, karakteriseerde Volkskrant-journalist Jan Joost Lindner de liberalen van destijds.

Hun kiezers bevonden zich voor het overgrote deel in de hogere middenklasse. Onder Wiegel brak de VVD door naar andere sociale lagen, de beter betaalde arbeiders in de doorzonwoningen in nieuwe steden als Purmerend, Hoorn en Zoetermeer.

De gedachte achter zijn tactiek was dat hij mensen die in de wederopbouw dankzij hard werken enige materiële welstand hadden opgebouwd, aansprak op hun angst dat 'de socialisten' hun pas verworven bezit weer in gevaar brachten. Hij hield hun voor dat de PvdA met haar beleid van 'potverteren, socialiseren en nivelleren' de belangen van de werknemers schaadde. Tegenover de betweterigheid en de machtshonger van de PvdA, zo vat de historicus Patrick van Schie het beeld samen, presenteerde Wiegel de VVD als een toonbeeld van redelijkheid. Zijn boodschap was te karakteriseren met de verkiezingsleuze van bondskanselier Adenauer in de jaren vijftig: Keine Experimente!

Wiegel charmeerde met zijn humor, waarmee hij zijn tegenstanders in één keer onschadelijk maakte. “Klootzak! Klootzak!”, riepen opstandige radicale jongeren hem eens toe tijdens een spreekbeurt. Wiegel zweeg een ogenblik, keek zijn luidruchtige critici aan, grijnsde en zei: “Fijn, heren, dat u zich voorstelt. Mijn naam is Wiegel.”

Een slimmigheid in Wiegels aanpak, illustratief voor zijn scherpe politieke intuïtie, was dat hij zich fel afzette tegen de PvdA en zich tegelijkertijd vriendelijk uitte jegens de KVP, hoewel ook deze partij destijds links vaarwater koos. Door de massale afvalligheid in de r.k.-kerk verschrompelde de katholieke zuil, de Katholieke Volkspartij niet uitgezonderd, in die jaren in hoog tempo. Dankzij de begripvolle houding van Wiegel tegenover de katholieken behaalde de VVD electoraal gewin uit deze kerkverlating, relatief veel meer dan de PvdA.

Overigens hielp de KVP Wiegel een handje. Zij vervreemdde zich van haar gematigde kiezers door zich volledig te oriënteren op regeringssamenwerking met de PvdA. Vonhoff: “De binding met de kerk ging bij veel katholieken die naar het westen trokken vrij snel verloren. Daarachter kwam met enige vertraging het verdwijnen van de banden met het katholieke onderwijs. Ze ontworstelden zich daaraan. Maar ze bleven wel KVP stemmen. Totdat er politiek iets gebeurde wat ze niet beviel, samenwerking met de PvdA bijvoorbeeld. Het beleid van de socialisten riep weerstand op en ze stapten over naar de VVD. Dan hebben ze zich helemaal losgemaakt. Dat is een vrij definitief proces.”

Dankzij de doorbraak onder de katholieken en de geschoolde arbeiders heeft de VVD haar electorale basis verbreed. Zij heeft vooral het fundament dat zij vanouds in de middenklasse bezat verder verstevigd. De liberalen hebben daarmee brede steun verworven in het deel van het electoraat dat tegenwoordig van levensbelang is voor de grote politieke partijen. Niet voor niets betitelde PvdA-leider Wim Kok de middengroepen ooit als 'de buik' en 'het hart' van de samenleving.

In de strijd om de stem van de middenklasse ontpoppen VVD en PvdA zich steeds duidelijker als elkaars electorale concurrenten. Voor die slag is de PvdA beter dan ooit toegerust, nu zij onder Wim Kok is getransformeerd van een radicale oppositiepartij in een gematigde regeringspartij en zij, dankzij de WAO-crisis van 1991, oog heeft gekregen voor de schaduwzijden van de verzorgingsstaat. Tegelijkertijd kan zij, op straffe van zelfverloochening, nimmer haar historische opdracht tot verheffing van de kwetsbare groepen uit het oog verliezen. Dat dilemma stelt de PvdA bij tijd en wijle voor lastige keuzen, bijvoorbeeld als het gaat om de lasten die de middenklasse bereid is voor achtergestelden te dragen. De VVD heeft het dankzij haar traditionele oriëntatie op de middenklasse minder moeilijk met dit dilemma.

In de strijd om de middenklasse krijgen beide partijen onmiskenbaar steeds meer trekken van een catch-allparty, kortgezegd een partij met weinig ideologische kleur, een sterk leiderschap en veel macht voor de partij-elite, een gerichtheid op alle sociale lagen, weinig zeggenschap van de leden. Maximalisatie van het stemmental is haar grootste doel. De Leidse politicoloog Ruud Koole concludeert in zijn standaardwerk over het Nederlandse partijwezen dat als één partij voluit als catch-allparty het electorale gevecht aangaat, de andere op straffe van een groot stemmenverlies niet achter kunnen blijven.

Koole: “Dat risico zit er in dit geval zeker in. Nu VVD en PvdA op een groot deel van de kiezersmarkt met elkaar concurreren, krijgen ze de neiging elkaar te kopiëren. De partijen spelen op de kiezersgunst in met een uitgekiende techniek, hun aangeraden door professionele campagnevoerders.” Groot-Brittannië en de VS kunnen in deze ontwikkeling het voorland zijn, meent Koole. “Tony Blair heeft de campagne van Clinton soms tot in de details gekopieerd. Dat ging zo ver dat hij in een ontmoeting met mensenmassa's exact dezelfde soundbites over onderwijs, gezin, opvoeding rondstrooide als Clinton in dezelfde omstandigheden.”

Op de vraag welke partij de beste papieren heeft voor de concurrentiestrijd om de middenklasse, antwoordt Vonhoff: “Laat ik beginnen met de partij die de slechtste papieren heeft: D66. D66 hoort een splinter in het midden te zijn. Politiek is er te weinig ruimte tussen PvdA en VVD voor een grotere partij. In het geval van een groot D66 kan het logischerwijze niet anders zijn dan dat PvdA en VVD zich onverstandig tegenover elkaar hebben gedragen.”

“In de strijd om het midden hebben beide partijen ieder hun eigen factor tegen. De liberalen, om met mijn eigen partij te beginnen, worden altijd van binnenuit bedreigd door het conservatisme. Dat was al in de tijd van Sam van Houten en dat is nog steeds zo. Stikker wilde na de Tweede Wereldoorlog alleen leider worden van de Partij van de Vrijheid, een van de voorlopers van de VVD, op voorwaarde dat de partij niet liberaal zou heten. Mijn slechte reputatie bij achtereenvolgende VVD-besturen heb ik te danken aan mijn permanente waarschuwing tegen het conservatisme in onze partij.”

“De belemmerende factor in de PvdA in de strijd om de middenklasse is dat de sociaal-democraten kampen met de emotionele neiging zich van het midden af te keren. Ze laten altijd bovenmatig hun oren hangen naar de uiterste linkerkant, ook al realiseren ze zich dat dit electoraal niet zo verstandig is.”

“Kok biedt daaraan inderdaad tegenwicht, dat is zo. Maar bij hem doet het fenomeen zich voor dat hij onder het Nederlandse volk een veel bredere steun geniet dan de eigen partij. Hij is wat dat betreft het evenbeeld van Drees. Drees bezorgde de PvdA in zijn tijd een stevige bestuurlijke positie en een groot nationaal aanzien. Niettemin bleef een structurele versterking van de PvdA uit. Die geschiedenis kan zich herhalen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden