Bij 'de Japanse Pasolini' is de mens een dier

Twee maanden geleden geleden presenteerde het Nederlands Filmmuseum een omvangrijk retrospectief van de Japanse cineast Ozu. Vandaag begint datzelfde museum met een daarop perfect aansluitende terugblik op de films van Shohei Imamura, de absolute tegenpool van Ozu. Ook Imamura's eerste vier films zijn hierdoor eindelijk in Nederland te zien.

HANS KROON

Terwijl Ozu zich zich laat vergelijken met de verfijnde estheet Visconti, kan Imamura (1928) op één lijn gesteld worden met Pasolini. Net zoals Visconti concentreerde de subtiele stilist Ozu zich vooral op het wel en wee van de betere kringen in de moderne tijd. Imamura daarentegen ging, als Pasolini, altijd op zoek naar het gewone volk en legde hun lot vast in een rauwe, aan de Franse Nouvelle Vague verwante filmtaal. Ook zo gezien is hij verwant aan Pasolini.

Imamura stamt uit een rijke familie, kreeg een elite-opvoeding en zou - als de oorlog niet tussenbeide was gekomen - naar de universiteit zijn gegaan om daarna carrière te kunnen maken in de ambtelijke hiërarchie. Na de oorlog stond Imamura's hoofd echter meer naar de kunsten. Hij grasduinde wat in het theater en concentreerde zich vanaf 1951 op de film.

In 1953 was hij assistent-regisseur toen Ozu 'Tokyo story' maakte. Een jaar later ging hij diezelfde functie vervullen bij Kawashima Yuzo, een regisseur die zich net zoals Imamura interesseerde voor de lotgevallen van gewone mensen, paupers en andere figuren die in de marges van de maatschappij leven. In 1958 ten slotte, begon Imamura zelf te regisseren. In dat jaar maakte hij maar liefst drie films: 'Stolen desire', 'Nishi Ginza Station' en 'Endless desire'. Net zoals in 'My second brother' uit 1959 leefde hij daarin meteen zijn belangstelling voor randfiguren uit.

Imamura's debuut gaat over een rondreizend theatergezelschap; 'Nishi Ginza Station' over een zanger op een tropisch eiland; 'Endless desire' over vijf mensen uit verschillende maatschappelijke lagen die een oude schuilkelder bezoeken en 'My second brother' handelt over vier kinderen van een mijnwerker die na de dood van hun vader terugvallen op hun primaire overlevingsinstincten. Al met al geven de eerste vier Imamura's al een goed beeld van het rauwe en gevarieerde leven dat de regisseur ons ook in zijn volgende films voorschotelt.

In 1961 wist Imamura met 'Pigs and battleships' voor het eerst internationaal de aandacht te trekken. Die film speelt zich af rond een Amerikaanse marinebasis in een provincieplaats. Rond die basis wemelt het van gokhuizen, bars, bordelen, cabarets en grote en kleine criminelen en profiteurs. Imamura stelt de personages voor als op en rond een mestvaalt wroetende varkens. Zijn mensen leven op dierlijk niveau en koesteren geen enkele illusie.

In zijn volgende film, 'The insect woman' (1963), concentreerde Imamura zich op een onderwerp dat in bijna al zijn films een rol speelt. De vrouw die sterk, vitaal en krachtig is als een insect, triomfeert over de meeste barre omstandigheden en laat zich niet op de kop zitten door de altijd zwakke mannen die haar pad kruisen. Die thematiek krijgt in 'The insect woman' schitterend gestalte in het leven van van een vrouw uit de provincie, die in Tokio hoerenmadam wordt en ten slotte met haar dochter terugkeert naar haar geboortestreek.

Met wisselend succes blijft Imamura in films als 'The pornographers', (1966), 'The profound desire of the gods' (1968), 'Eijanaka' (1981) en recentelijk 'The eel' (1997) zijn thema's aan de orde stellen. In 'The profound desire of the gods' doet hij dat het meest overtuigend. In deze film doet een ingenieur uit Tokio onderzoek op een eiland waar de moderne tijd nog niet door gedrongen is. De bewoners blijken in niets van dieren te verschillen. Imamura accentueerde dat met tussenshots van insecten en reptielen.

De laatste vijftien jaar is Imamura wat in de vergetlheid geraakt. Hij maakt minder films dan voorheen. Wat hij nog maakt, spreekt minder tot de verbeelding. Ook wordt hij meer en meer ervaren als een stem uit het verleden. Alleen als producent van de documentaire 'The emperor's naked army marches on' (1987), die door hem geregisseerd had kunnen zijn, trok hij nog veel aandacht. Een excentriekeling schopt in deze film alle Japanse heilige huisjes om in zijn drang aan te tonen dat de Japanners zich tijdens de oorlog in Nieuw-Guinea te buiten gingen aan kannibalisme.

Nu Shohei Imamura ook in Nederland uit het beeld dreigt te verdwijnen, is het goed dat zijn vitale en illusieloze films weer te zien zijn. Misschien is het Amsterdamse retrospectief voor 'de Japanse Pasolini' zelf wel een pleister op de wonde. In zijn eigen land is namelijk nog nooit een Imamura-retrospectief georganiseerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden