Essay

Biedt spiritualiteit soelaas?

Beeld Kwennie Cheng

Wetenschap én religie lijden eronder: lichaam en geest zijn elkaar kwijtgeraakt. Ger Groot vraagt zich af hoe dat komt. Biedt spiritualiteit soelaas?

'Meer dan van de mindfulness ben ik van mondvolness', twitterde de gastronoom en eetschrijver Joep Habets een maand of twee geleden. Ik zeg het hem graag na. Spiritualiteit wordt mij al snel te zweverig en het weeë taalgebruik dat daar vaak mee gepaard gaat maakt me balorig.

Dat ligt ongetwijfeld aan mijn eigen slechtheid, waartegen geen nieuwjaarsvoornemens ooit opgewassen zijn gebleken. Toch laat de vraag waaróm het spirituele zo makkelijk irriteert zich niet ontlopen. Ik ben er, geloof ik, niet de enige in. Waarom hebben we het zo moeilijk met het geestelijke, terwijl we eeuwenlang juist moeite hadden met het lichaam?

Het lichaam was niet alleen de zetel van al het kwaad. Volgens Francis Bacon, een van de grondleggers van de hedendaagse wetenschap, moest het ook nog eens op de pijnbank worden gelegd om zijn geheimen prijs te geven. In Frankrijk dacht René Descartes er nauwelijks hoopvoller over. Het lichaam is een machine, zo stelde hij vast, waar de geest tegenover stond - als er van een geest al sprake was. Volgens de Franse arts Julien Offray de Lamettrie, een eeuw na Descartes, was ook die een illusie. Vandaag de dag zegt Dick Swaab het hem op zijn manier na: 'wij' zijn ons brein.

'Denkend spul'
Wat moet je daartegenover nog aanvangen met 'spiritualiteit'? In het beste geval komt het antwoord letterlijk vanuit een 'tegenover'. De materie die de wetenschap onderzoekt is stof en niets anders; er bestaat daarnaast niet zoiets als een 'denkend spul', zoals Descartes nog veronderstelde. Als de geest ergens is, dan is dat in de vorm van een bewustzijn dat 'opduikt' uit de organisatie van de (hersen)materie, en zich vervolgens anders gedraagt dan die materie zelf. Zenuwcellen knipperen elektronisch aan en uit, maar ons bewustzijn denkt - en voor je het weet staan lichaam en geest weer met rode koppen tegenover elkaar.

Je zou verwachten dat het religieuze denken daaraan in de moderne tijd wel een mouw had weten te passen. Maar opmerkelijk genoeg maakte het christendom al vroeg een vergelijkbare wending door. Terwijl in het middeleeuwse denken het geestelijke en het materiële, het goddelijke en het aardse nog min of meer in elkaars verlengde lagen, begon de Reformatie die twee al heel snel uit elkaar te spelen.

Vooral haar tamboereren op de noodzaak van de genade gaf de doorslag. Wat de mens ook doet, zonder genade is het van nul en gener waarde. Het aardse is verdoemd en weet het hemelse niet meer op eigen kracht te bereiken. De geest van God en de aardse materialiteit komen zo steeds feller tegenover elkaar te staan. In het begin van de twintigste eeuw zal de theoloog Karl Barth daaruit de radicale conclusie trekken dat er tussen hemel en aarde, geest en materie geen enkele parallel of 'analogie' te trekken valt. God is radicaal de 'volstrekt Andere'; van een geleidelijke weg van het aardse naar het hemelse kan geen sprake zijn.

Verscheurdheid
Wetenschap en theologie wedden op tegengestelde paarden: de een op de materie en de ander op de geest. Maar ze vinden elkaar wel in de mate waarin ze aarde en hemel, lichaam en ziel uit elkaar drijven. Zo heeft de westerse cultuur almaar schizofrenere trekken gekregen. Haar heil zocht zij afwisselend bij een van beide extremen, soms achtereenvolgens en soms tegelijkertijd.

Maar het gevoel van verscheurdheid ging nooit meer weg. Net zomin als haar neiging om in de keuze voor een van beide door te slaan in extremen. Waarna opnieuw de twijfel toesloeg. Want 'wij' mogen dan 'ons brein' zijn, het besef dat er ook nog zoiets is als een persoon die denkt, overweegt, verantwoordelijkheid draagt en liefheeft, verdwijnt niet zo snel. Zoals ook omgekeerd het vrome vertrouwen in God, geest en ziel zich van onderen voortdurend aangevreten ziet door onze wetenschappelijke inzichten en hun materialisme.

Van oudsher heeft de geest in de westerse cultuur altijd een streepje vóór gehad. Het Nieuwe Testament was niet eens het eerste geschrift waarin het lichaam het moest afleggen tegen de belofte van een onaards, geestelijk heil. Al zo'n duizend jaar eerder had de Iraanse profeet Zoroaster een godsdienst in het leven geroepen die de mens opriep tot verzaking van de wereld, de belichaming van alle kwaad.

Zoroasters invloed bleef beperkt tot Iran en omstreken, terwijl het christendom de wereld veroverde. Daar ging wel enige tijd mee heen, en dat was niet voorzien. Niet omdat het Nieuwe Testament een onmiddellijke kerstening van de wereld verwachtte, maar omdat het meende dat het met die wereld weldra voorbij was. Toen de apocalyps minder aanstaande was dan Paulus en de evangeliën vermoedden, werd een grotere ontvankelijkheid voor de wereld onvermijdelijk.

Zuiverheid
Wilde het christendom overleven, dan kon het zich niet alleen richten op dood en eeuwigheid. In de Middeleeuwen raakten aarde en hemel weer hecht met elkaar verknoopt. Ze liepen, ook in de theologie, bijna ongemerkt in elkaar over. Totdat de Reformatie aan de ene en de wetenschap aan de andere kant daaraan een einde maakten - en de grote schizofrenie begon.

Of zat het toch ingewikkelder? Waarschijnlijk wel. Zoals de socioloog Max Weber een eeuw geleden al heeft opgemerkt, keerde het protestantisme wel terug tot de zuiverheid van de 'andere' God uit het Nieuwe Testament, maar bleek het tegelijk in het aardse leven zo succesvol te zijn dat we er zelfs het kapitalisme aan te danken hebben. Een kleine eeuw later onderstreepte de Canadese godsdienstfilosoof Charles Taylor nog eens dat juist het protestantisme het geloof werkzaam wilde maken in de kleinste details van het alledaagse leven. Het geestelijke stond wel tegenover de aarde, maar doordrong die tegelijk tot in alle uithoeken.

En hoe zat het met de wetenschap, die rond diezelfde tijd haar materialistische wortels ontdekte? Voor geestelijke krachten had zij geen plaats meer. Tegenover Napoleon zou de Franse wiskundige en astronoom Laplace zelfs parmantig hebben uitgeroepen dat hij 'de hypothese God' voor zijn systeem niet nodig had.

Maar was daarmee ook al het geestelijke verdwenen? In datgene wat hij beschreef wel, ja. Maar het feit dat dat systeem kon bestaan, vroeg meer dan ooit om een geest die het bedenken kon. Wat Laplace aanwees, was zuivere materie. Maar wat hij daarvan maakte was zuiver denken. En zo is het gebleven. Ook vandaag de dag mag ze nog zo empirisch zijn, of ze reduceert die hele fysieke werkelijkheid tot denkdingen: analyses, formules, mathematische vergelijkingen, abstracte correlaties.

Schizofreens
Is de wetenschap materialistisch? Dat hangt er maar vanaf hoe je kijkt. Zelf zal ze het meestal heftig beamen. Ze is experimenteel en positief: dat wil zeggen dat ze zich alleen bezighoudt met wat als iets waarneembaars gegeven is. Maar tegelijk is haar doel het zuivere inzicht: iets waarin al het materiële vergeestelijkt is. Net als de moderne tijd als geheel heeft de wetenschap zo iets schizofreens. Ze hinkt op twee principes die niets van elkaar willen weten. Wat ontbreekt is het verbindingsstreepje tussen beide: de wetenschapper die denkt, waarneemt én ervaart tegelijkertijd.

In enkele imposante studies heeft de geschiedfilosoof Frank Ankersmit laten zien hoe het begrip 'ervaring' langzamerhand uit de wetenschap is verdwenen. Ze beschrijft en analyseert wel, maar het lijkt alsof er niemand is die iets van die beschrijvingen en analyses in zijn persoon ondervindt. De waarneming heeft geen drager meer, of alleen een formele algemene drager, wat op hetzelfde neerkomt. Wie een wetenschappelijk artikel leest, vindt daarin van de persoon van de onderzoeker niets terug. Van een levende verhouding tussen wat er wetenschappelijk gedacht wordt en wat er in de werkelijkheid gebeurt is geen sprake. De wetenschap heeft geen lichaam meer.

In het andere kamp van de moderne cultuur, het christendom van na de Reformatie, vinden we gemakkelijk eenzelfde soort lichaamsloosheid terug. De protestantse kerken ontdeden zich zoveel mogelijk van iedere zintuiglijkheid: voor het oog viel er weinig meer te zien, voor de neus niets meer te ruiken, en het oor kreeg alleen het Woord te horen, dat bij uitstek Geest is. Zelfs gezangen moesten het soms ontgelden; in hun bewuste monotonie leken ze zo weinig mogelijk op muziek.

Vehikel van de ziel
Zoals de wetenschap het lichaam verloochende ter wille van het denkende inzicht, zo verloochende de protestantiserende moderniteit het lichaam ter wille van het Woord, het vehikel van de ziel.

De wetenschap kreeg daardoor iets paradoxaals; ze is veel minder materialistisch dan ze denkt. Maar ook de religie ontkwam daar niet aan. Het geestelijke is haar element, maar vroeg of laat moest ook zij plaats inruimen voor het lichaam en zijn beleving.

Zo zien we hoe in de moderne religiositeit alweer snel de mystiek binnensluipt die ze in het 'middeleeuwse' katholicisme dacht te hebben achtergelaten. De gelovige luistert niet alleen naar het Woord, maar ervaart het in zijn hele lichaam. Toch blijft de schroom tegenover het lijflijke groot. Geen piëtist zou het ooit zó hebben gezegd, maar het verlangen naar 'beleving' krijgt ook in hem uiteindelijk de overhand.

Daar zal zelfs Karl Barth uiteindelijk machteloos tegenover staan. Hoe imposant zijn theologie mag zijn, de hedendaagse gelovige wil in de eerste plaats in ziel én lichaam worden geraakt. En voor zijn ongelovige buurman geldt hetzelfde. In beiden is de wederzijdse uitsluiting van lijf en geest gaan wringen.

Zelfs in de huidige wetenschap gebeurt dat. Een groeiend aantal onderzoekers is ongelukkig met de scheiding tussen wat zij waarnemen en wat zij ervaren. Of met de wetenschappelijke plicht in zichzelf een abstracte researcher af te splitsen van de levende persoon die ze wèrkelijk zijn.

Balorigheid
Zo zijn we de erfgenamen van een half millennium religieus-wetenschappelijk getouwtrek om lichaam en ziel en komt de 'spiritualiteit' het vuurtje in ons nog eens opsteken. Ze wil niet langer louter geestelijk zijn, maar zoekt haar heil in het lijf dat alleen maar 'gelukkig' kan zijn wanneer het evenwichtig en 'gezond' is. Mens sana in corpore sano, een gezonde geest in een gezond lichaam, zo luidt het op de site van de Maand van de Spiritualiteit.

En dan begint onwillekeurig mijn balorigheid weer op te spelen. Niet alleen omdat mystieke technieken in de geschiedenis vaak nogal ongezond zijn geweest. En zelfs niet omdat zo'n lofzang op het 'uitgebalanceerde' lichaam dat 'goed in zijn vel' zit prompt de zweetlucht van het fitnesslokaal tussen de neusvleugels brengt. Maar vooral vanwege het moralisme dat vandaag de dag zo naadloos samengaat met de vermaningen van een goedbedoelende gezondheidszorg.

Discipline, daarop komt het aan, in lichaam en geest. Zo komt opnieuw de levensvijandige tucht weer terug die ons - ook dat is onze erfenis - eeuwenlang heeft ingeprent dat wat goed is nooit lekker kan zijn.

Ik geloof daar niets van - al acht ik het heel goed mogelijk dat deze of gene aan (zelf)tuchtiging diepe lust beleeft. De schrijfster van 'Vijftig tinten grijs' heeft er zelfs een vermogen aan verdiend. Een prettige weg om de geest opnieuw met het lichaam te verzoenen lijkt het me niet. Net zomin als de evenwichtskunst van de voedselvoorschriften die steevast neerkomen op caloriearm, smakeloos en moeilijk te verteren. Over andere geneugten van het lichaam heb ik het hier schroomvallig maar niet.

Er is in de moderne staat van lichaam en geest ongetwijfeld iets verrots en onevenwichtigs geslopen. Vermoedelijk heeft dat voor menigeen het leven vergald - en zal het dat nog steeds doen.

Maar dat wordt niet verholpen door de vreugdeloosheid of schraalhanserij waarmee deze spiritualiteit nog altijd koketteert. Het leven beamen doe je nog altijd het beste met volle mond.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden