Review

Bhagavad Gita

Iedereen kent Maarten Luther maar niemand kent zijn werk. En wie is op de hoogte van de filosofie van de wiskundige L.E.J. Brouwer? Acht auteurs hebben deze zomer fragmenten geselecteerd uit onbekend filosofisch en literair werk. Lekker aan het strand met Peter Weiss, het Gilgamesj-epos, de Bhagavadgita, Maarten Luther, E.M. Cioran, Salvatore Satta, Lao Zi en L.E.J. Brouwer.

Sanjaya sprak:

1 Tot hem (Arjuna), die zó vervuld was van medelijden en met door tranen vertroebelde ogen terneergeslagen neerzat, sprak Krishna het volgende.

De gezegende sprak:

2 Vanwaar is deze wanhoop over jou gekomen op dit kritieke moment? Het is zo onwaardig, leidt niet tot de hemel en bezorgt je een slechte naam, Arjuna.

3 Geef niet toe aan onmannelijkheid, Arjuna. Het betaamt je niet. Laat die minderwaardige weekhartigheid varen en sta op, Vijandenkweller!

Arjuna antwoordde:

4 Hoe, Krishna, zou ik tegen Bhishma en Drona, beiden vererenswaardig, met mijn pijlen een tegenaanval kunnen inzetten in de strijd?

5 Het is immers beter om in deze wereld te leven, zelfs van aalmoezen, zonder deze edele leraren te hebben gedood. Immers, zou ik mijn leraren doden, hoewel ze hebzuchtig naar rijkdom verlangen, dan zou ik in deze wereld nog slechts met bloed besmeurd voedsel kunnen nuttigen.

6 Verder weten wij niet wat zwaarder voor ons telt: dat wij hen zouden overwinnen, of zij óns. We zouden niet meer willen leven als we de zonen van

Dhritarashtra, die hier voor ons in slagorde staan, gedood zouden hebben.

7 Ten diepste aangetast door de kwaal van medelijden en met een geest die verward is aangaande de dharma (plicht) vraag ik u wat beter zou zijn. Zeg me dit resoluut. Uw leerling ben ik. Onderwijs mij, die in vertrouwen naar u toegekomen is.

8 Ik zie immers niets dat dit leed - de uitdroger van mijn zinnen - van mij weg kan nemen, ook al zou ik een welvarend, onbetwist koningschap op aarde verkrijgen, of zelfs opperheerschappij over de goden.

Sanjaya zei:

9 Nadat Arjuna zo tot Krishna gesproken had, sprak hij: 'Ik zal niet strijden' en vervolgens zweeg hij.

10 Met een begin van een glimlach sprak Krishna tot Arjuna, die zich terneergeslagen tussen beide legers bevond.

Krishna sprak:

11 Jij treurt om hen die niet betreurd moeten worden, terwijl je overigens verstandige betogen houdt. Wijzen betreuren doden noch levenden.

12 Nooit is er een tijd geweest dat ik niet bestond, noch jij en al die koningen. Evenmin zal één van ons hierna niet meer zijn.

13 Zoals jeugd, volwassenheid en ouderdom zich in het lichaam voltrekken en zich voordoen aan de ziel, zo gaat dat ook met het overgaan naar een ander lichaam. De evenwichtige raakt daarover niet in verwarring.

14 Zintuiglijke contacten die koude en hitte, vreugde en leed veroorzaken, komen en gaan en zijn niet blijvend. Wens ze te dulden, Arjuna!

15 Want de mens die door deze contacten niet geagiteerd wordt, die gelijkmoedig is ten aanzien van leed en geluk, die standvastig is, hij is geschikt voor onsterfelijkheid.

16 Er bestaat geen worden van wat niet reeds is, en er bestaat geen afwezigheid van worden van wat er reeds is. De grens tussen deze beide wordt gezien door hen die inzicht hebben in de dingen zoals ze werkelijk zijn.

17 Maar weet dat d t, waardoor dit alles op touw gezet is, onveranderbaar is. Niemand kan de vernietiging van het onveranderbare bewerkstelligen.

18 Er wordt gezegd dat deze lichamen, die behoren tot de eeuwige, onvernietigbare, onmeetbare belichaamde ziel, sterfelijk zijn. Daarom moet je strijden, Arjuna!

19 Zowel hij die meent te weten dat die ziel doodt, als hij die denkt dat zij gedood wordt, beiden missen de juiste kennis. Zij doodt niet en zij wordt ook niet gedood.

20 Zij wordt nimmer geboren en nimmer sterft zij. En evenmin, eenmaal tot aanzijn gekomen, zal zij er ooit níet meer zijn. Ongeboren, eeuwig, permanent en oeroud, wordt zij niet gedood, ook al wordt het lichaam gedood.

21 Hoe kan een mens, die weet dat deze ongeboren en onveranderbare ziel onvernietigbaar en eeuwig is, ongeboren en onveranderlijk is, iemand doden of de oorzaak zijn van iemands dood?

22 Zoals een mens afgedragen kleren wegwerpt en nieuwe aantrekt, zo ook laat de belichaamde ziel oude lichamen achter, en neemt haar intrek in andere, nieuwe, lichamen.

23 Zwaarden snijden haar niet, vuur verbrandt haar niet. Water maakt haar niet nat en wind droogt haar niet uit.

24 Zij kan niet stukgesneden, verbrand, nat of droog gemaakt worden. Zij is eeuwig, al-doordringend, onwrikbaar, onbeweeglijk en van alle tijden.

25 Ongemanifesteerd, onvoorstelbaar en onveranderlijk wordt zij genoemd. Daarom, omdat je weet dat zij zo is, mag je niet om haar treuren.

26 En ook al zou je denken dat zij steeds weer geboren wordt en telkens weer sterft, dan nóg hoef je over haar niet te treuren, O machtigarmige Arjuna.

27 Want vast staat de dood voor dat wat geboren wordt, en zeker is geboorte voor wat dood is. Wil daarom niet bedroefd zijn om wat onvermijdelijk is.

28 Alle wezens zijn in hun begin niet manifest, in hun middenperiode wél manifest en in hun einde weer niet manifest. Waarom daarover klagen?

29 Het komt zelden voor dat iemand haar ziet, of dat iemand spreekt over haar, of dat iemand hoort van haar. Zelfs al heeft iemand van haar gehoord, hij kent haar niet.

30 Deze belichaamde ziel is in ieders lichaam voor altijd onkwetsbaar. Daarom mag je om geen enkel wezen treuren.

31 Bovendien, als je je eigen dharma (plicht van krijgsheer) beschouwt, hoef je niet te wankelen. Want voor militairen is er niets beter dan een strijd-volgens-de-dharma.

32 Het is een open poort naar de hemel waar je toevallig op gestuit bent. Gelukkig, Arjuna, zijn de krijgsheren die zo'n strijd aangaan.

33 Maar als je deze strijd-volgens-de-dharma niet zult voeren, dan zul je je eigen dharma en eer verzaken en jezelf kwaad op de hals halen.

34 De mensen zullen blijvend schande over je spreken, en voor iemand die geacht wordt is eerloosheid erger dan de dood.

35 De grote legeraanvoerders zullen denken dat je uit vrees de strijd hebt gestaakt. En jij, die bij hen in hoog aanzien stond, zult bij hen niet meer meetellen.

36 Je vijanden zullen veel kwaad over je spreken en je bekwaamheid op de korrel nemen. Wat is er pijnlijker dan dat?

37 Als je sneuvelt, zul je de hemel bereiken. En als je de overwinning behaalt, zul je de aarde genieten. Daarom, Arjuna, sta op, vastbesloten om te strijden!

38 Beschouw geluk en leed, winst en verlies, overwinning en nederlaag als gelijkwaardig. Gord je dan aan voor de strijd; zo zul je je geen kwaad op de hals halen.

39 Deze geesteshouding wordt verklaard volgens de theorie van het Sankhya. Verneem nu hoe deze geesteshouding in de praktijk van Yoga toegepast wordt. Verbonden aan die geesteshouding zul je je bevrijden uit de boeien van het handelen.

40 In de praktijk van yoga is geen inspanning tevergeefs en er bestaat geen terugval, en is er geen nadeel aan verbonden. Zelfs een geringe praktisering van deze dharma redt je uit groot gevaar.

41 Deze geesteshouding van vastbeslotenheid is uniek in deze wereld, Arjuna, terwijl de geesteshoudingen van de besluitelozen veelvuldig vertakt zijn en eindeloos gevarieerd.

42-44 Deze bloemrijke taal die de ongeïnspireerden verkondigen (- zij die genoegen scheppen in twistgesprekken over de Veda's, onder het mom dat er niets anders is, en die overgeleverd zijn aan hun begeerten en de hemel als hun hoogste doel stellen -); deze taal, die wedergeboorte als vrucht van de rituelen in het vooruitzicht stelt, en die bol staat van van allerlei soorten ritueel doelend op het verkrijgen van genietingen en heersersmacht, berooft hen, die zo verknocht zijn aan genot en macht, van hun gezonde verstand; zij zijn niet toegerust met een op vastbeslotenheid gebaseerde geesteshouding in concentratie.

45 De Veda's hebben de wereld van de drie samenstellende eigenschappen [guna] als onderwerp. Houd je ver van deze drievoudigheid, Arjuna, vrij van elke duale tegenstelling, steeds standvastig in zuiverheid [sattva], zonder je te bekommeren om streving en voldaanheid, terwijl jij jezelf meester bent.

46 Zoveel nut als een bron heeft op een plek die aan alle kanten overstroomd wordt met water, zóveel nut hebben de Veda's voor een brahmaan met inzicht.

47 Je bent slechts gerechtigd tot (ritueel) handelen, maar je hebt nooit recht op de resultaten ervan. Wees niet gemotiveerd door het resultaat van het handelen, maar hecht ook niet aan het vermijden van handelen.

48 Handel vanuit een gedisciplineerd evenwicht en geef gehechtheid op, gelijk blijvend bij het slagen of falen van een handeling. Gelijk(moedig)heid wordt yogadiscipline genoemd.

49 Handelen is veruit inferieur aan de yogadiscipline van de geest. Neem daarom je toevlucht tot de geest. Beklagenswaardig zijn zij die gedreven worden door de resultaten.

50 Hij die een gedisciplineerde geest heeft, verwijdert zowel goed als kwaad karma. Gord je daarom aan voor de praktijk van de yogadiscipline. Yoga is bekwaamheid in handelen.

51 De wijzen die een door yoga gedisciplineerde geest hebben, geven de vruchten van het handelen op. Bevrijd van de boeien van de wedergeboorte bereiken ze een staat van gelukzaligheid.

52 Wanneer je geest door de troebele stroom van onwetendheid zal zijn heengegaan, dan zul je onverschillig worden voor dat wat geopenbaard is en dat wat nog verondersteld wordt geopenbaard te worden.

53 Wanneer je geest, die verward is door wat er in de Vedische teksten geopenbaard wordt, onwankelbaar blijft en onbeweeglijk in concentratie, dan zul je de yoga onder de knie hebben.

Arjuna sprak:

54 Wat is de omschrijving van een persoon die gefundeerd is in wijsheid en in concentratie is, Krishna? Hoe zou iemand met een standvastige geest spreken, hoe zou hij zitten en hoe zou hij lopen?

Krishna sprak:

55 Wanneer iemand afrekent met alle verlangens die in zijn geest opkomen, en tevreden is in zichzelf met het zelf, Arjuna, die wordt gefundeerd in wijsheid genoemd.

56 Hij wiens geest vrij van bezorgdheid is temidden van leed, zonder verlangen te midden van geluk, zonder hartstocht, vrees en woede, die noemt men een wijze met een stabiele geest.

57 Hij die op geen enkele manier gehecht is, die, w t hem ook aan gunstigs of ongunstigs overkomt, verwelkomt noch haat, die bezit een stevig gefundeerde geest.

58 Hij die zijn zintuigen van hun objecten terugtrekt, zoals een schildpad zijn ledematen volledig intrekt, diens geest is stevig gefundeerd.

59 De objecten van de zintuigen keren zich af van de belichaamde ziel die niet (meer) op hen teert, hoewel de smaak ervan blijft. Echter, wanneer hij het hoogste heeft gezien, verlaat ook de smaak hem.

60 Arjuna, ook al doet een geïnspireerd mens nóg zo zijn best, zijn onstuimige zintuigen voeren zijn geest met geweld mee.

61 Laat hij, met alle zintuigen onder controle, gedisciplineerd neerzitten, op mij gericht, want wie zijn zintuigen onder controle heeft, heeft een stevig gefundeerde geest.

62 Als een mens voortdurend denkt aan de objecten van de zintuigen, dan ontstaat gehechtheid daaraan. Uit gehechtheid ontstaat verlangen, uit verlangen groeit woede.

63 Uit woede komt begoocheling voort en uit begoocheling verwardheid van geheugen. Door het wegvallen van het geheugen gaat het gewaar zijn verloren en als dat ten onder gaat, gaat hij te gronde.

64 Maar iemand die de objecten (van de zintuigen) ervaart met zintuigen die vrij blijven van hartstocht of afkeer en aan hem onderworpen zijn, díe heeft zichzelf onder controle en komt tot serene rust.

65 In die serene rust komt er voor hem een eind aan alle leed want in iemand wiens geest tot rust gebracht is, stabiliseert zich zijn bewustzijn snel.

66 Voor een niet gedisciplineerde bestaat er geen doelgericht bewustzijn. Een niet-gedisciplineerde heeft geen realiseringsvermogen, en voor hem die realiseringsvermogen mist bestaat geen vrede, en hoe kan er geluk zijn voor iemand die geen vrede heeft?

67 Als de geest zich conformeert aan de rusteloos rondzwervende zintuigen, dan drijft die het kenvermogen voort, zoals de wind een schip over het water jaagt.

68 Daarom, o machtigarmige, bezit hij die zijn zintuigen volledig kan terughouden van hun objecten, een stevig gefundeerde geest.

69 Wanneer het nacht is voor alle wezens, is hij die zichzelf beheerst klaarwakker. En wanneer de andere wezens wakker zijn, is het nacht voor de wijze die inzicht heeft.

70 Zoals de wateren in de oceaan stromen, die daardoor gevuld wordt maar in de diepte ongestoord blijft, zo ook bereikt hij, in wie alle verlangde objecten binnenkomen, vrede; niet echter hij die verlangens koestert.

71 De mens die alle objecten van verlangen opgeeft, die vrij van begeerte zijn weg gaat, zonder bezitterigheid en egocentrisme, die zal vrede bereiken.

72 Dit is de staat van Brahman, o Arjuna. Als men deze eenmaal bereikt heeft, raakt men niet meer in begoocheling. Hij die zelfs in zijn laatste uur in deze toestand volhardt, díe bereikt het nirvana dat Brahman is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden