BEZET NEDERLAND TUINDE MASSAAL IN DE WINTERHULP

Al snel na de oprichting in 1940 van Winterhulp Nederland - de in opdracht van Seyss-Inquart perfect door Nederlanders opgezette hulporganisatie 'Voor het Volk door het Volk' - doken protestbriefjes in de collectebussen op tegen het als liefdadig aangeprezen doel. Toch is Nederland er massaal ingetuind, zeker in het eerste jaar: de eerste collecte, op 29 en 30 november 1940, bracht landelijk een miljoen gulden op, zo blijkt uit de plakboeken van D. C. Koffieberg. Na meer dan vijftig jaar is het nauwgezet bijgehouden privé-archief van de man die de organisatie in Amsterdam op poten zette, boven water gekomen.

Alleen al in Amsterdam kwamen zo'n vijfduizend collectanten (de kranten schreven zelfs over zesduizend) op de been om met rood-wit-blauwe band om de arm, een speciaal kussentje waarop de uit te reiken speldjes, en de rode collectebussen met wit klavertje-drie (het Winterhulp-embleem) geld in te zamelen. Er werd een 'Eere-Comitée' geïnstalleerd met enkele tientallen leden, onder wie weliswaar een paar foute Nederlanders zoals het Tweede Kamerlid voor de NSB mr. M. M. Rost van Tonningen, maar daarnaast bijvoorbeeld ook alle commissarissen van de koningin, die toen nog stuk voor stuk aan de goede kant stonden, mr. D. U. Stikker, de latere minister van buitenlandse zaken in twee kabinetten-Drees (van 7 augustus 1948 tot 15 maart 1951, en van 15 maart 1951 tot 2 september 1952) en de van zijn activiteiten voor de bond van diamantbewerkers SDAP en NVV bekende 'Ome Jan' van Zutphen.

Een krantefoto van 11 december 1940 toont hoe de Amsterdammers te hoop liepen in het (niet meer bestaande) Rembrandt theater, waar de door veel geuniformeerden omringde Duitse filmacteur Heinrich Georg gesigneerde foto's uitdeelt ten bate van de Winterhulp, uiteraard tegen betaling. Begin van die maand geeft theater Carré vijf dagen achtereen gratis voorstellingen voor de collectanten en herhaalt dat op 3 januari nog eens voor 1 800 vrijwilligers. Eind december 1940 is het Concertgebouw middelpunt van de feestelijkheden om de lucratieve afloop van de tweede collecte te vieren. Vara, Avro en KRO zetten het feest gezamenlijk luister bij, met in hun kielzog bekende omroepmensen als Alex van Wayenburg, Arie van Nierop en omroeper Guus Weitzel.

Hoewel een gezonde dosis argwaan jegens de bezetter ook in het begin van de oorlog zeker op zijn plaats was geweest, is de enthousiaste medewerking aan de Winterhulp de vele goedgelovige Nederlanders misschien toch niet zo streng aan te rekenen. De hele organisatie zag er voor de oppervlakkige beschouwer puur Nederlands uit: een bureau dat door louter Nederlanders bezet en gedreven werd, Nederlandse collectanten, Nederlandse aanbevelingen en Nederlandse goede doelen. Wie wat verder keek dan zijn neus lang was, kon weten dat de landelijk directeur van de Winterhulp, de foute Nederlander Piek, het namens Seyss-Inquart voor het zeggen had, en dat ook de nauwelijks twee weken na het eerste gesprek over de oprichting van de Amsterdamse afdeling benoemde directeur van het hoofdstedelijk bureau, H. W. T. Tydeman, geen goede Nederlander kon zijn. Vlak voor zijn aantreden gaven burgemeester W. de Vlugt (op 4 maart 1941 met onmiddellijke ingang met pensioen gestuurd en vervangen door E. J. Voûte, een vriendje van Rost van Tonningen) en wethouder Van Meurs te kennen niet verder voor de Winterhulp te willen werken als deze Tydeman zou worden aangesteld.

“Het was een perfect, zeer geraffineerd opgezette organisatie”, zegt Jan Anderson, de man die eind jaren zestig de hand wist te leggen op het archief van Koffieberg. Behalve directeur van een Zuidhollandse keten van drogisterijen (56 winkels, 500 man personeel) is hij bestuurder van zeventien verenigingen, waaronder de Vlaardingse VVV en geïnteresseerd als hij is in geschiedenis, schrijver van een boek of tien over de historie van Vlaardingen. Naast zijn Vlaardingse woonhuis is het door hem gestichte en ingerichte Streekmuseum te vinden, waarin hij ook zijn omvangrijke verzameling over de Tweede Wereldoorlog bewaart. Eens in de vijf jaar - de volgende in januari aanstaande - organiseert hij een grote tentoonstelling over de laatste wereldoorlog, “vooral om de schooljeugd duidelijk te maken waar het om ging.” In 1990 was de Duitse Bondspresident Richard von Weiszücker onder de bezoekers.

Verreweg de belangrijkste vereniging waarvan Anderson de oprichter is (en tegenwoordig ook erelid), is de Documentatiegroep '40-'45 (secretariaat: Vlasakker 20, 3124 AK in Schiedam) met 1 100 leden, opgericht op 1 september 1963. “Er was toen sprake van opheffing van het Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Wij hebben toen als amateur-historici - daar waren er toen vier van in Nederland - de Documentatiegroep opgericht. Alle ongeveer vijftig instellingen op het gebied van de Tweede Wereldoorlog, zoals het oorlogsmuseum Overloon, het Fries Verzetsmuseum en ook Oorlogsdocumentatie zijn lid, en verder geïnteresseerde particulieren, onder wie tientallen schrijvers van boeken over de oorlog.”

Anderson was nog maar nauwelijks aan het verzamelen, toen hij de plakboeken vond. “Ik zag meteen dat het een uniek document was”, zegt hij. “Er zullen wel meer van die archieven geweest zijn, maar ik denk dat de meesten ze na de oorlog als een speer verbrand hebben om niet verdacht te lijken.” Hoewel hij geen idee heeft wat voor man Koffieberg geweest is, acht hij hem honderd procent betrouwbaar, juist “omdat hij ook al die negatieve dingen bijgehouden heeft. Of hij zelf ambtenaar was, weet ik niet, maar hij moet wel een ambtelijke instelling gehad hebben. Misschien was hij iemand met een zwakke ruggegraat, want hij deed kritiekloos wat hem werd opgedragen, maar aan de andere kant hield hij zo nauwgezet van dag tot dag alles bij, ook over de voedseldistributie, de jodenvervolging, en daarbij was hij zo'n vurige Oranje-aanhanger, dat deze man voor mij absoluut niet iemand geweest kan zijn met nationaal-socialistische motieven.” Een argument voor deze zienswijze is ook, dat Koffieberg zijn albums zuiver voor zichzelf heeft samengesteld. Voorin schrijft hij steevast 'Particulier eigendom van D. C. Koffieberg.”

De reden dat Jan Anderson nu pas met zijn Winterhulp-archief voor de dag komt, is dat hem steeds meer dwars zit “dat het fijne er niet over bekend is. Er zijn zoveel misverstanden en verkeerde ideeën, dat het hoog tijd is om die te corrigeren. Uit Koffiebergs plakboeken wordt heel duidelijk dat in 1940 het overgrote deel van de Nederlanders heeft meegedaan en echt maar een fractie van het begin af tegen was. Als die eerste inzamelingen niet zo'n succes waren geweest, zouden er geen 23 collectes gehouden zijn. Maar het kost enorme moeite de mensen die denken dat het anders geweest is, daarvan te overtuigen. Een voorbeeld: Vlaardingen is in 1940 gebombardeerd. Er werd van het begin af beweerd dat Duitse bommenwerpers dat op hun geweten hadden, zo van: Kijk, zo zijn nou de Duitsers, midden in de nacht gooien ze bommen. Wij hebben aangetoond dat het een Engels vliegtuig geweest is. De Engelsen deden dat af en toe om te laten merken dat ze nog lang niet verslagen waren. We hebben de grootste problemen gehad om dat te bewijzen. De mensen willen het gewoon niet geloven.”

Dat hij zijn vondst niet direct wereldkundig heeft gemaakt, komt “doordat er in die tijd zo weinig belangstelling voor was. In de zestiger jaren was men wars van alles wat maar riekte naar de Tweede Wereldoorlog. Er waren toen nog haast geen boeken over verschenen.” Zelfs de leden van zijn eigen Documentatiegroep, inclusief Oorlogsdocumentatie, zijn tot vandaag onkundig van het bestaan van het Koffieberg-archief.

Behalve de verzameling van kranteknipsels, foto's en alle kattebelletjes tegen de Winterhulp uit collectebussen en op kaarten waarop medewerkers zich konden aanmelden, geeft Koffieberg geregeld commentaar en doet hij verslag van bijeenkomsten en gebeurtenissen. Het begint met zijn handgeschreven verslag van 'De organisatie te Amsterdam':

“Op Zaterdag, 19 October 1940, werd ondergeteekende door Burgemeester Dr. W. de Vlugt om 11 uur v.m. ten stadhuize uitgenoodigd, alwaar hem in een persoonlijk met den Heer Burgemeester plaatsvindend onderhoud, het verzoek werd gedaan zich te belasten met de algeheele leiding van de organisatie voor den Winterhulp in Amsterdam.” De organisatie krijgt direct een adres: “Voorloopig is overeengekomen dat het plaatselijk secretariaat gevestigd wordt Heerengracht 466 in het voormalig gebouw van de Nederlandsche Handel Maatschappij. Als medewerkers bij openbare inzamelingen zal een beroep worden gedaan op de plm. 6000 collectanten, die reeds vroeger bij nationale inzamelingen behulpzaam waren en bovendien op leden van alle politieke partijen. De Burgemeester zal in het belng van de inzameling een verzoek richten tot enkele politieke vereenigingen, hierbij elk uiterlijk vertoon achterwege te laten.”

Het is duidelijk, zegt Anderson, dat met dat laatste met name NSB'ers en WA'ers bedoeld worden. Gezagsgetrouw als hij was schreef Koffieberg in zijn verslag van een vergadering van 1 november 1940 niet alleen pijnlijk nauwkeurig op: “Medewerkers moeten zich neutraal opstellen en zich onthouden van het dragen van strikjes of insignes”, maar ook: “De collectanten mogen niet tot het Joodsche ras behooren en mogen niet in uniform collecteeren.” Volgens Anderson had Koffieberg eenvoudig het lef niet om te zeggen: ik nok ermee. Wel noteerde hij even nauwgezet, maar zonder commentaar, in zijn privé-archief de dingen die kennelijk naar zijn idee niet vergeten mochten worden, zoals de eerste razzia op joodse Amsterdammers op 21 mei 1943. Blijkbaar had hij daarvan geen krantebericht om in te plakken: hij schrijft met de hand over de 'beschikking' van 14 mei, “waarbij alle te Amsterdam woonachtige Joden zich Donderdag 20 Mei in de marechausseekazerne aan de Polderweg moesten melden voor een transport naar elders. Plm. 800 van de 7000 gaven gehoor en heden (volgens Anderson vermoedelijk direct de volgende dag, Koffieberg heeft het even later over “in den vroegen ochtend om 5 uur” - red.) is door de Grüne Polizei i.s.m. de te Amsterdam gelegerde Karabijnbrigade of 'Zwarte Politie' begonnen met een razzia op alle Joden.”

De organisatie zat geheid in elkaar: de provincie deelde opdrachten uit aan de gemeenten, de gemeentebesturen aan de plaatselijke organisatiebureaus, die op hun beurt de districten en die weer de buurten (vaak met buurschapshoofden) en wijkcomités instrueerden. Amsterdam telde bijvoorbeeld 45 districten. Voor de huis-aan-huiscollecte kregen de medewerkers lijsten met namen en adressen, waarachter ze de giften moesten invullen. Ook per lijst legden alle provincies verantwoording van de giften in hun gemeenten af. Van de 125 Noordhollandse gemeenten blijkt na de eerste collecteronde, op 29 en 30 november, Twisk nummer één te zijn met 43,9 cent per hoofd van de bevolking. De veel rijkere gemeente Nederhorst den Berg is de laatste, met 1,6 cent en Amsterdam (5 cent) is nummer 101. Lijsten kwam je ook veelvuldig in de kranten tegen. Giften van particulieren gingen vergezeld van alleen initialen, bedrijven werden voluit genoemd. Zo gaf de Amsterdamsche Droogdok Maatschappij 10 000 gulden, V & D zelfs vijf keer zoveel.

De opbrengsten werden beduidend lager toen in 1941 overal in de steden kiosken verschenen waar je loten van 50 cent voor de Winterhulp kon kopen met 885 000 gulden aan prijzen. Een soort krasloterij, want ter plekke kon je zien of je iets gewonnen had. Anderson heeft nog wat van die loten in zijn eigen archief, ook van de twee daaropvolgende jaren, maar weet niet of ze ook in 1944 nog bestonden.

Hoeveel er van de opbrengst ten goede is gekomen aan behoeftige Nederlanders wordt niet duidelijk, wel dat er in elk geval iets mee werd gedaan in de vorm van waardebonnen, een wettig betaalmiddel waarmee je gewoon boodschappen kon doen. Meteen al in 1940 waren er bonnen van 50 cent en een gulden, of je kreeg een uitkering van tweemaal 1,25 gulden met een tussenpoos van twee weken. Ook is er een voorbeeld van een boerengezin met negen kinderen, dat op 12 maart 1941 een tientje krijgt. Er waren soepbonnen en bonnen die recht gaven op een warme maaltijd.

De kranten maken er enthousiast melding van. Bijschrift bij een foto van 12 december 1940: “Een bewoonster van het Asterdorp neemt met een opgewekt gezicht de bon in ontvangst” - de eerste in Amsterdam uigereikte bon van 1,25 gulden. 'Aan den stamppot' (zuurkool) staat boven een foto van maart 1941, waarop keurige rijen eters (1 200) in Krasnapolsky zijn afgebeeld. En eind 1940 melden de kranten dat er uit de opbrengst van de collectes 50 000 gulden werd uitgekeerd aan oorlogsweduwen uit de meidagen van 1940.

Of het allemaal waar was, wat de aan kerken en christelijke instellingen gezonden brochure Helpt Elkander (gevouwen handen op het omslag) liet zien, zoals arme kindertjes bij een potkacheltje die een pak havermout krijgen met de toevoeging 'In tienduizenden gezinnen heerscht bittere nood, die wij konden lenigen'? Koffieberg meldt dat dat eerste jaar de vraag naar hulp zo groot was, dat aan lang niet alle verzoeken voldaan kon worden. Anderson: “Je moest wel helemaal niks hebben om van de Winterhulp te kunnen profiteren, en je moest het zelf aanvragen. Maar ik durf te garanderen, dat zeker dat eerste jaar het grootste deel van de collectes echt bij de armen terechtgekomen is, ook bij arme NSB'ers. Misschien was die boer met negen kinderen een NSB'er, maar hij zal het geld wel hard nodig gehad hebben.”

Natuurlijk, zegt Anderson, zal er ook veel geld naar verkeerde doelen zijn doorgesluisd, maar hij betwijfelt of de opbrengst van de Winterhulp grotendeels naar Duitsland gegaan is. “Nederland is op een veel groter schaal leeggeroofd. Duitsland heeft Nederland letterlijk kaalgeplukt. Honderden miljoenen zijn daarmee gemoeid, een gigantisch veel groter bedrag dan die paar miljoen die de collectes opbrachten. Van de Winterhulp zouden ze echt niet rijk geworden zijn, daar waren wel andere manieren voor.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden