Bewerkte Gijsbrecht mikt op infantiel begrip Vondels verzen sneuvelden als ooit Aemstels soldaten

De bewerking die Ellie van Dooren heeft gemaakt van Vondels 'Gijsbrecht van Aemstel' voor de voorstellingen van de 100-jarige Stadsschouwburg aan het Amsterdamse Leidseplein, heeft als belangrijkste doel het verhaal van dit tamelijk wijdlopige drama dichter bij de moderne toeschouwer te brengen. De verzen sneuvelden bij honderden, veel meer dan in de bewerking die Guus Rekers maakte voor de voorstelling van Het Nationale Toneel in 1988. Maar, anders dan Rekers, greep Van Dooren ook in bij de verzen van Vondel die ze handhaafde. Enkele vermakelijke vreselijkheden:

Eerste bedrijf, proloog van Gijsbrecht. De Heer van Amsterdam staat voor de stad en neemt de chaos in ogenschouw die de Kennemers en Waterlanders hebben achtergelaten bij hun overhaaste vlucht, nadat zij de vesting aan het IJ een jaar lang vergeefs belegerd hebben.

'Alhier, daer 't leger lagh, is 't veld alsins bezaeit / Met wapens en geweer, verbaest van 't lijf gereten'.

De bewerkster: 'de bodem nu bezaaid met wapens en geweren'.

Geweer is hier geen schietgeweer, maar 'verdedigingswapens' tegenover aanvalswapens. Het meervoud 'geweren' is volstrekte onzin.

Willebrord, Vader van het Kartuizer klooster, komt verslag doen van de ordeloze aftocht van de vijandelijke troepen; daarna komt broer Arend op met de gevangen spie Vosmeer. Het Gooierskind vertelt van zijn jeugd:

'Mijn vader vielme hard, want ickme paslijck droegh', wat Rekers begrijpelijk maakte met: 'Mijn vader viel me hard, daar ik me slecht gedroeg'. Maar nu wordt Vosmeer een geplette puber: 'Mijn vader viel me hard, hetgeen ik niet verdroeg'.

Het Zeepaard, het schip met rijshout waar in het ruim de soldaten van Van Egmont en Diederick van Haarlem verstopt zitten, wordt door de verkleumde Amsterdammers juichend binnengehaald en de Rei van Amsterdamsche Maegdhen (die nu 'Amsterdamse Kinderen' zijn geworden) sluit het bedrijf af: 'Waer is de reus met al zijn stoffen, / Die Gijsbrechts stad ter neer wou ploffen?'

De reus is de reus van Spaarndam, die de Amsterdamse verdedigers als warme broodjes van de burgwallen rukt, en 'stoffen' betekent: 'pochen'. Van Dooren wou dat leuke 'ploffen' wel bewaren, en verzint: 'Waar is die reus, onovertroffen'. Maar dat zeggen de maagden dus juist niét.

In het tweede bedrijf wil Van Dooren smeuïger zijn dan de kousenwinkelier uit de Warmoesstraat. Diederick roept, teruggekeerd met zijn soldaten, hen toe als hij het Kartuizer klooster in brand komt steken: 'Nee, runderen! De andere kant op gaan!' En als Vosmeer de gracht is overgezwommen en druipend voor Van Egmont op de kant staat, spreekt deze hem schalks toe: 'Wees welkom, brave borst. / Vertel, voelt men geen nattigheid?'

Wat een treurigheid.

In de rei die dit bedrijf afsluit ('Wij edelingen, blij van geest / ter kercke gaan op 't hooge feest') luidt de derde strofe: 'Het Oosten offert wieroock, goud / en myr, tot 's levens onderhoud / van hem, die neergedaelt van boven, / in 't arme Bethlem leit verschoven, / hoewel hij alles heeft gebouwt'.

De verouderde betekenis van 'verschoven' is hier verworpen, niet van belang geacht. Van Dooren maakt er een kerststalletje van: 'Van hem, die neergedaald van boven / te slapen ligt in 't kaf van korenschoven / hoewel hij de akkers heeft bebouwd'. En Jezus leerde toch voor timmerman, niet voor landbouwer?

Derde bedrijf. Badeloch vertelt aan haar man Gijsbrecht hoe in haar slaap hun nicht Machtelt van Velzen aan haar verschenen is en haar zei dat het met Amsterdam gedaan is. In de bewerking verschijnt de overledene zelf op het toneel. Direct daarop klinkt Broer Peters 'Wapen, wapen'. Allen zijn in rep en roer, en Gijsbrecht beklimt de Schreierstoren. Als hij daarvandaan terugkeert, weet hij dat het menens is: 'Het bloedigh zwaert gaet weien. / Men steeckt er de trompet. Men hoort de menschen schreien'.

Met 'weien' sneuvelt ook het hele volgende vers: 'Het bloedig zwaard doet zich te goed / aan vers en bloedrood mensenbloed'. Dat is inderdaad een heleboel bloed.

De volgende rei van Klarissen is vrijwel ongeschonden door de bewerking heen gekomen, maar dat is dan ook Vondels beroemdste rei: 'O Kerstnacht schoner dan de dagen'.

Vierde bedrijf. Met Van Dooren vliegen wij door dit bedrijf heen: de verschrikkingen van het brandend Amsterdam worden u maar voor een fractie verteld. Badeloch wanhoopt er aan of ze Gijsbrecht nog terug zal zien, en de Rei van Burghzaten (omgedoopt tot 'Rei van Liefde') zingt het 'Waar werd oprechter trouw dan tussen man en vrouw ter wereld ooit gevonden?'

Vijfde bedrijf. Gijsbrecht keert terug in de burcht: 'Mijn lief, hoe hebt ge dus uw ogen uitgekreten?' Nee, zo'n zin snapt geen mens meer. Het wordt: 'Mijn lief, je hebt gehuild. Je hebt in angst gezeten'. Het getuttel van de bewerkster krijgt trouwens in dit hele bedrijf vleugels, met als bizar toppunt een splinternieuwe scène voor Veenerick en Adelgund met verzen als: 'Mama! Ik ben bang. Ik heb zo naar gedroomd' (Adelgund), 'Mama, ik kan niet slapen. Is papa nog niet thuis?' (Veenerick) en mama Badeloch die begint te emmeren: 'Geen sneeuw. Geen witte Kerst. Troepen die ons omsluiten'.

Dit lange laatste bedrijf van de 'Gijsbrecht' (bijna een derde van het stuk) heeft als belangrijkste verhaalmomenten: het verslag van de bode hoe Gozewijn door Haemstee op het altaar wordt afgeslacht en Klaris door hem verkracht en daarna vermoord wordt; de twistrede tussen Gijsbrecht en Van Vooren die de overgave van de burcht komt eisen; de weigering van Badeloch zonder haar man te vertrekken.

De knoop wordt doorgehakt, zoals bekend, door de engel Rafaël die deze christelijke Aeneas opdraagt te vluchten en in Pruisen een nieuwe stad te stichten. In de bewerking is Rafaels verwijzing naar de Amsterdamse Schouwburg die eens haar poorten open zal doen en Gijsbrechts lof zal zingen, vreemd genoeg geschrapt. Om de Stadsschouwburg draait het feestje toch?

Maar veel erger is Van Doorens infantiliteit. Ik noem nog twee voorbeelden. Broer Peter poogt Badeloch te troosten: 'd'Onsterfelijcke God heeft alles in zijn hand'. Badeloch: 'Och of de goede God zich mijner wou erbarmen'. Haar antwoord luidt bij Van Dooren, schrik niet: 'Mij laat de goeie God steeds uit z'n handen vallen'.

Dan probeert Adelgund haar moeder te bewegen aan boord van het schip te gaan: 'Och moeder lief, wat raedt? zij komen 't huis beleggen. / Bewaer mijn reinigheid, mijn' maeghdelijcken staet'. Hoe infantiliseer je dat? Zo: 'Ga, mama, ga. Ze zullen ons gevangen nemen. / En die soldaten, als die dan...'

Och toeschouwer, wat raad? Neem straks naar de voorstelling maar flink wat heldhaftigheid, vastberadenheid en barmhartigheid mee.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden