Betweters duperen Bangladesh

AMSTERDAM - Aan een gebrek aan inlevingsvermogen kan het niet liggen. Toch lijkt Nederland nauwelijks onder de indruk van de huidige overstromingen in Bangladesh. Duizend doden, dertig miljoen daklozen en miljoenen Bengalen worden met de dood bedreigd; zelfs de hulpverleners raken cynisch. Maar er valt wel degelijk wat aan te doen, weet prof. W. van Ellen na 35 jaar werken in Bangladesh.

Na die 35 jaar heeft het cynisme Van Ellen nog niet te pakken. Integendeel, de waterbouwkundig ingenieur gelooft nog steeds in de toekomst van het land en bestrijdt de vooroordelen die het cynisme voeden. Het vooroordeel bijvoorbeeld dat het de mens is die de waterhuishouding verstoort en de rampen veroorzaakt. Van Ellen: “Het aanleggen van dijken zou, zo heet het, slecht zijn omdat het land dan niet meer overstroomd en bevrucht wordt. Bovendien zou het, zo gaat het verhaal, een hopeloze onderneming zijn omdat de rivieren in Bangladesh voortdurend zouden dichtslibben en daarom hogere dijken zouden vergen. Onzin allemaal, bijgeloof, en niet alleen van de Bengalen.”

Grote watersnoden ontstaan in Bangladesh, legt hij uit, als enkele natuurlijke processen samenvallen. Allereerst zijn er de moessonregens, die in juni beginnen en eind augustus een groot deel van het land onder water hebben gezet. Tot grote vreugde van de boeren, want het stilstaande regenwater maakt met zijn algenvorming de bodem vruchtbaar. Zo rond deze tijd bereiken ook de grote rivieren, de Ganges en de Brahmaputra, hun hoogste stand. Beide voeren smeltwater van de Himalaya af en worden stroomafwaarts nog eens flink gevoed door de moesson. Desondanks krijgen de rivieren in het laaggelegen Bangladesh nauwelijks de kans buiten hun oevers te treden, domweg omdat het land dan al blank staat. Van Ellen: “Vanuit een vliegtuig is dat mooi te zien. Langs de rivieren zie je een strook geelbruin water, terwijl het land daarbuiten is bedekt met helder water dat zich van boven als donker aftekent.”

De rivieren overstromen het land dus niet, ze voorkomen wel dat het regenwater snel wordt afgevoerd. Maar dat is slechts een deel van het verhaal. Het regenwater kan ook niet weg omdat de natuurlijke afwateringsgeulen zijn verdwenen. Sommige zijn dichtgeslibd - dáár is het bijgeloof dus wel op zijn plaats - andere zijn afgedamd, volgestort of hun afvoer wordt belemmerd door wegen, bruggen of grote visnetten. Dat laatste zou je de Bengalen kunnen aanrekenen, maar verwonderlijk is het niet in het dichtbevolkte land. Bangladesh is drieënhalf keer zo groot als Nederland en heeft 120 miljoen inwoners.

Daar zit volgens Van Ellen ook het probleem. Het traditioneel agrarische Bangladesh is niet groot genoeg om zijn groeiende bevolking in de landbouw te werk te stellen. Er moet industrie komen. Maar zolang je ervanuit kunt gaan dat alles elke tien jaar onder loopt, investeert geen enkel bedrijf in het land.

- Vervolg op pag. 6: Dijken helpen wel

Dijken helpen wel degelijk

VERVOLG VAN PAGINA 1

Het overstromingsrisico in Bangladesh moet worden ingedamd, zegt Van Ellen. “Er moet een goed drainagesysteem komen voor het moessonwater, en er moeten, met beleid, dijken worden aangelegd.”

Met beleid, dat wil zeggen, dat de rivieren niet van begin tot eind worden ommuurd door hoge dijken, want dan kunnen de rivieren hun water nauwelijks kwijt en zullen ze vroeg of laat toch overlopen. Bovendien heeft met name de Brahmaputra de neiging om zijn koers te verleggen, soms met honderden meters per jaar, en zal een starre dijk dus snel eroderen. Van Ellen: “Je zult eerst een grondige studie moeten maken van het gedrag van de rivieren, hun natuurlijke loop en hun sedimenttransport. Vervolgens moet je kleine stukjes bedijken en zowel de lokale als de grootschalige effecten daarvan bestuderen.”

Zoiets lag ook ten grondslag aan de plannen van de VN en de Wereldbank, naar aanleiding van de vorige watersnood in 1988. Die plannen waaraan Van Ellen namens Nederland meewerkte, zijn een vroege dood gestorven. “Voor een deel kunnen de Bengalen zich dat falen zelf aanrekenen. Het harde technische denken heeft daar van begin af aan overheerst. Dijken bouwen, en nog eens dijken bouwen. Daardoor maakte men zich kwetsbaar voor oppositie van belangengroeperingen die streden voor het milieu of de rechten van kleine boeren. En daardoor kwamen de projecten nauwelijks van de grond.”

Maar ook Nederlandmoet de hand in eigen boezem steken: “In het Nederlandse beleid stond armoedebestrijding voorop. En aangezien grootgrondbezitters meer baat bij dijken zouden hebben - zij hebben immers meer land - nam men hier een zogenaamd kritische, afwachtende houding aan. En kwamen er geen dijken. Laat ik er dit van zeggen: de arme, kleine boeren lijden nu het meest. Zij spoelen letterlijk naar de hoofdstad Dhaka.”

En dat is des te pijnlijker omdat de Bengalen hun hoop hebben gevestigd op Nederland, met zijn internationale faam als waterbeheerser. Niet voor niets richtten ze hier in 1956, toen hun land nog Oost-Pakistan heette, het IHE op, een waterbouwkundig instituut waar onder anderen Van Ellen Bengaalse ingenieurs bijschoolde.

Wat nu? De VN-plannen uit 1988 weer uit de bureaulades halen? Ja, zegt Van Ellen, in de hoop dat iedereen in de tussentijd heeft bijgeleerd. “Want wat gebeurt er na zo'n ramp? Een jaar later is alles weer droog en richt de wereld zijn blik op rampgebieden elders. En nu roept iedereen weer dat er dijken moeten komen. Ja, zeg ik dan, maar reserveer dan ook geld voor het onderhoud ervan. Tot nu toe hebben we miljarden verspild aan dijken die weer in de rivieren verdwenen. Pas als je de dijken onderhoudt, krijgt de bevolking er geloof in dat het land droog zal blijven. En pas dan zullen boeren en industriëlen investeren”.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden