Betsie van Dijk-Blei, 1906-2008

Elisabeth (Betsie) Blei groeide op in Zwartsluis, waar haar vader slager was. Haar oudere zus kreeg er verkering met Herman van Dijk, een bakker uit Kampen. Toen daarna Hermans jongere broer Hilbert, eveneens bakker, zijn oog liet vallen op Betsie bleek ook die belangstelling wederzijds.

Vader en moeder Blei waren daar eerst niet enthousiast over. Om hun nog prille contact toch in stand te houden liet Hilbert, als hij bij huize Blei in de buurt was, een her-kenningsfluitje klinken. Daarop kwam Betsie dan “toevallig” naar buiten. De melodie die Hilbert floot was de wijs van wat nu als lied 304 in het Liedboek staat: “God is getrouw, zijn plannen falen niet ...”.

De reserves van de ouders van Betsie jegens haar relatie met Hilbert hielden verband met hun jonge leeftijd en wa-ren van korte duur. Betsie en Hilbert trouwden in 1933. Zij woonden in Kampen in de bakkerij aan de Oudestraat 153-155. Hun drie zoons werden geboren in 1934, 1937 en 1943.

Wanneer ik zo’n 60 jaar later bij haar op bezoek kwam vertelde ze er lustig op los. Verhalen over de kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen, maar ook over Hilbert en over de oorlog. Met verrassende soepelheid sprong ze in haar vertellingen tussen heden en verleden heen en weer. Ze was ruim een eeuw oud had maar had een onvoor-stelbaar scherp geheugen, ook waar het om het recente verleden ging.

Kort na het uitbreken van de oorlog raakte Hilbert betrokken bij het verzet. De eerste concrete stap in die richting zette hij toen de Kamper verzetsman dr. R. Dam hem polste of hij misschien voor een nacht een joodse man kon herbergen. Toen Hilbert direct instemde vroeg Dam hem of hij dat niet eerst met zijn vrouw overleggen moest? Ge-decideerd vertelde Betsie later: “En toen zei Hilbert tegen Dam: mijn vrouw vindt het goed!” Ook is haar altijd bij-gebleven hoe, op een ander moment, Hilbert en zij de straat in keken en het (joodse) gezin Goudsmid voorbij zagen komen, met hun kleine kindertjes. “Toen zei Hilbert tegen mij: als de oorlog niet gauw voorbij is dan halen ze ons straks ook weg.”

Even helder stond haar nog voor de geest dat het bevolkingsregister van Kampen onbruikbaar gemaakt zou worden door middel van een brandbom in de kluis. Degene die de namaak-sleutel zou testen kwam schichtig de bakkerij binnenliep met de woorden : “Hij past niet!” Hilbert reageerde: “Natuurlijk past hij wel, geef maar hier!” Omdat hij in zijn bakkerskleren op grote afstand herkenbaar was kleedde hij zich eerst om en liep toen met de valse sleutel naar het gemeentehuis. Laconiek draaide hij daar de kluis open en weer dicht. Hij ging terug naar de bakkerij, overhan-digde de sleutel en trok zijn werkkleren weer aan. “Ja”, vertelde Betsie 65 jaar later, “ik zie het zo nog voor me omdat hij zich tweemaal verkleden moest.”

Enkele mensen die elders problemen kregen doordat zij zich niet wilden melden voor tewerkstelling in Duitsland vinden in de banketbakkerij van Hilbert een nieuwe baan. In de winkel is het een drukte van belang. Niet iedereen die binnenloopt komt voor banket. “Het is gebeurd”, zo vertelde Betsie, “dat er op één maandagochtend 17 onder-duikers kwamen.” Al die mensen werden er doorverwezen naar vertrouwde adressen in de nabije omgeving.

Steeds vaker was Hilbert van huis voor vergaderingen van de LO (Landelijke Organisatie voor hulp aan onderdui-kers). En vanaf augustus 1943 ook voor die van de LKP (Landelijke Knokploegen), waarvan hij één van de vier oprichters was. In het voorjaar van 1944 opereert Hilbert vanuit Amsterdam. Hij wordt zwaar gezocht. Het is voor-gekomen dat Betsie in één nacht driemaal huiszoeking kreeg. ‘s Avonds om 10 uur, direct na het begin van de ‘Sperr’-tijd, kwamen ze binnen en werd haar hele huis overhoop gehaald. Later die nacht, toen de geschrokken kin-deren weer in bed lagen, Betsie nauwelijks de boel weer op orde had gebracht en zij zat bij te komen van het hele gebeuren kwamen ze om 2 uur terug en zetten nogmaals het hele huis op z’n kop. Dit in de hoop dat Hilbert gedacht zou hebben dat de kust nu veilig was en alsnog thuisgekomen zou zijn. Opnieuw werden de kinderen na afloop weer naar bed gebracht. Om er om 5 uur weer uitgehaald te worden, want toen werd de hele operatie evenzo grondig nogmaals uitgevoerd.

In juli 1944 werkt Hilbert met Johannes Post aan de voorbereiding van de overval op het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. Er waren aanwijzingen dat er verraad in het spel was maar Johannes zette de bevrij-dingsactie door en Hilbert liet hem niet in de steek. Zodra de KP-ers het Huis van Bewaring binnen kwamen bleken zij kansloos te zijn, een overmacht van de SD stond hen op te wachten. Enkele uren later in die nacht van 14 op 15 juli 1944 werden ook Hilbert en Johannes gegrepen. Samen met 13 anderen werden zij op 16 juli 1944 doodgescho-ten in de duinen bij Overveen. Betsie was 37 jaar toen zij achterbleef met drie kinderen van negen, zes, en een half jaar oud.

Ook na de dood van Hilbert bleef de bakkerij een haard van verzet. Op de eerste vrijdag van januari 1945 werd er weer huiszoeking verricht. Oudste zoon Lucas herinnert zich dat Duitsers de woning binnenkwamen en dat iedereen in de woonkamer bij elkaar werd gezet, onder bewaking van een mof met een pistool. Eén voor één moesten de vol-wassenen mee naar boven. In de woonkamer beneden was hoorbaar hoe ze hardhandig werden ondervraagd. Daar bevond zich ook nog een tas met belastende papieren. Uiterlijk rustig en kalm stelde Betsie vast dat het tijd werd om pap te gaan koken. De bewakende mof ging akkoord, waarna Betsie de kachel opstookte. Behendig werkte ze de papieren weg in de vlammen die oplaaiden in de kachel onder haar pap.

Toen kwam, nietvermoedend, Toon Slurink binnenlopen. Slurink stencilde in zijn kelder het illegale krantje “Strij-dend Nederland”. Hij kwam langs om te vragen of Lucas voor hem groente ophalen kon? Daarvoor moest je naar IJsselmuiden, de brug over. Voor hem zelf was dat te gevaarlijk met het oog op de controlepost die daar stond opge-steld. Slurink werd gearresteerd en meegenomen naar Zwolle. Hij behoorde tot degenen die kort daarop bij Woeste Hoeve werden gefusilleerd.

In de slaapkamer van Betsie vond de SD de laatste brief van Hilbert aan zijn vrouw. Hij had die geschreven vlak voor de overval op het Huis van Bewaring aan de Weteringschans, die hem fataal werd. De SD-er stak de brief in zijn zak. Toen Betsie hem dringend vroeg of ze de brief mocht houden sloeg hij haar.

In februari of maart 1945 maakten “autoriteiten” aanstalten de beide panden aan de Oudestraat te vorderen. Dat zou inhouden dat Betsie met haar kinderen op straat werd gezet. Internist dr Kolff, die in het Kamper ziekenhuis werk-zaam was, adviseerde haar zoveel mogelijk kinderen in huis op te nemen. Toen had ze er opeens zeven in plaats van drie. De inspectie die aan de inbeslagname voorafging werd bijgewoond door een officier van de Wehrmacht. Hij besloot: “Hier trekken wij niet in, dat doen we niet.” En tegen Betsie zei hij: “U blijft hier maar mooi zitten me-vrouw.” Vanwege de lach op zijn gezicht vermoedde Betsie dat hij zo zijn eigen vermoedens had gekregen bij de aanblik van zoveel kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd en van de kleurverschillen in hun haardos, ook een op-vallend rossig exemplaar zat erbij.

Aan het eind van de oorlog werd aan Betsie bericht dat er een fonds zou komen waaruit aan nabestaanden van geval-len verzetsmensen financiële steun zou worden verleend. En ook dat zij daarvoor als één der eersten in aanmerking kwam. Dat werd het buitengewoon pensioen van de Stichting 1940-1945. “Wilhelmina zei: het is geen pensioen maar de inlossing van een ereschuld”, aldus Betsie.

Het lichaam van Hilbert werd na de oorlog teruggevonden en herbegraven op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal. De bakkerij werd verkocht en het gezin verhuisde naar een kleinere woning elders in Kampen. Het waren zware jaren voor Betsie. In die periode was ze zelf langdurig ziek. In februari 1948 liep haar jongste zoontje Herman een infectie op waaraan hij enkele dagen later op vierjarige leeftijd overleed. De herinneringen aan deze moeilijke tijd bleef Betsie met zich meedragen. Haar sterke karakter en haar rotsvaste geloof hielden haar, toen en naderhand, overeind. Veertig jaar later ging ze, wanneer de herinneringen opspeelden en ze er ‘s nachts niet van slapen kon, met de koptelefoon op achter haar keyboard zitten en dan richtte ze al haar concentratie op het instuderen van de gezan-gen uit het toen nog nieuwe Liedboek.

In maart 1984 kreeg Betsie, tegelijk met enkele andere (oud-) Kampenaren, op paleis Soestdijk het Verzetsherden-kingskruis uitgereikt. Ze hing de onderscheiding om de foto van Hilbert want, zo zei ze, “die was voor hem.”

Eind jaren 80 verhuisde zij naar verzorgingshuis Rehoboth in Wapenveld. Daar woonde zij dichter bij kinderen en kleinkinderen. Hoewel het verleden onnoemelijk zwaar woog bleef zij er niet in steken. Volop leefde ze mee met eigentijdse ontwikkelingen op kerkelijk en maatschappelijk gebied en intens was haar belangstelling voor alle we-derwaardigheden van kinderen, klein- en achterkleinkinderen. Nooit vergat ze hun verjaardagen: dagen tevoren stond een felicitatiekaart klaar die stipt op tijd werd gepost. Toen haar benen niet meer goed meewilden kreeg ze een scootmobiel waar ze heel wijs mee was. Als je na een bezoekje bij haar weg ging reed ze mee door de gang, de lift in, naar beneden en naar buiten toe. Soms met zo’n vaart dat je haar nauwelijks bijhouden kon.

Nu ze meer dan 100 jaar oud werd en nog altijd zo goed bij de tijd was zei ik wel eens dat het leek alsof zij de jaren van Hilbert erbij gekregen had. Daar gniffelde ze dan wat om. Volop heeft ze nog genoten van de viering van haar 101e verjaardag op 31 dec. 2007, waarover ze maanden later enthousiast vertellen kon. Maar ze zei erbij dat het le-ven moeizaam werd en dat het voor haar eigenlijk niet langer hoefde.

In september ontstonden problemen met haar longen. Begin oktober ging ze naar het ziekenhuis. Daar wachtte ze tot Gijs, de tweede zoon, weer terug was uit New York. Toen beide zoons twee dagen later samen naast haar bed ston-den sloeg ze de ogen op, zei “Zijn jullie daar allebei? Dan is het goed”, en vertrok.

Elisabeth Maria van Dijk-Blei werd geboren op 31 december 1906 in Zwartsluis. Zij werd 101 jaar oud en overleed op 5 oktober 2008.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden