Bestialiteit en humaniteit

,,Is het de vrees dat de politieke mislukking van de inzet van militairen de interventie in een heel ander daglicht zou kunnen stellen? Zou dan van de inzet van politie die de Navo hooghartig op zich neemt ten behoeve van de volkengemeenschap, niet een ordinaire oorlog resteren, zelfs een vuile oorlog, die de Balkan alleen maar in nog grotere rampen heeft gestort? En zou het geen koren op de molen zijn van iemand als Carl Schmitt, de rechtsgeleerde die zei: ,,wie 'mensheid' zegt, wil bedriegen''? Jürgen Habermas is altijd een filosoof geweest die geen wetenschap wilde bedrijven zonder politieke relevantie. De laatste vertegenwoordiger van de Frankfurter Schule over de legitimiteit van de bombardementen.

Het is oorlog. Zeker, de 'luchtslagen' van de alliantie pretenderen iets anders te zijn dan een oorlog van het traditionele soort. Inderdaad dragen de 'chirurgische precisie' van de luchtaanvallen en de planmatige opzet om de burgers daarbij te ontzien, in hoge mate bij aan de legitimiteit ervan. Het betekent een afscheid van de totale oorlogsvoering die het aanzien van deze ten einde lopende eeuw heeft bepaald. Maar ook wij, half betrokken bij het Kosovo-conflict dat ons elke avond door de televisie wordt voorgeschoteld, ook wij weten dat het in de ervaring van de Joegoslavische bevolking, die telkens weer wegschuilt voor de luchtaanvallen, wel degelijk om een gewone oorlog gaat.

Zowel de voorstanders als de tegenstanders van de inzet van de Navo bedienen zich van een glasheldere normatieve taal. De pacifistische tegenstanders roepen het morele onderscheid tussen doen en laten in herinnering, en vestigen de aandacht op de burgerslachtoffers die bij het gebruik van militair geweld op de koop toe moeten worden genomen, hoe groot ook de precisie is waarmee de projectielen op hun doel afgaan. Het appèl is ditmaal echter niet gericht tegen het goede geweten van door de wol geverfde realisten die de staatsraison hooghouden. Het is gericht tegen het 'legal pacifism' van regeringen die zich beroepen op de gedachte dat de natuurtoestand die onder de staten heerst, kan worden gedomesticeerd door middel van de mensenrechten. Daarmee is de transformatie van het volkenrecht tot een recht van de wereldburgers op de politieke agenda gezet.

Het rechtspacifisme wil de oorlogstoestand die tussen soevereine staten steeds als dreiging aanwezig is niet slechts inperken door het volkenrecht, maar zelfs opheffen door een wereldpolitieke ordening die geheel en al door dit recht moet zijn bepaald. Al vanaf Immanuel Kant heeft deze traditie ook bij ons bestaan, maar nu pas wordt zij door een Duitse regering voor het eerst serieus genomen. Het rechtstreekse lidmaatschap van een vereniging van wereldburgers zou de staatsburgers ook beschermen tegen de willekeur van de eigen regering. De belangrijkste consequentie van een rechtsorde die uitgaat boven de soevereiniteit van afzonderlijke staten is, zoals het geval Pinochet al laat zien, de persoonlijke aansprakelijkheid van functionarissen voor de misdaden die zij in staats- en krijgsdienst hebben begaan.

Na de mislukking van de onderhandelingen in Rambouillet brengen de VS en de lidstaten van de Europese Unie het dreigement van een militaire strafexpeditie ten uitvoer, met het uitdrukkelijke doel om een liberale regeling af te dwingen voor autonomie van Kosovo binnen Servië.

In het kader van het klassieke volkenrecht zou dit hebben gegolden als een inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van een soevereine staat, dat wil zeggen als een schending van het verbod op interventie. Maar nu moeten we deze ingreep begrijpen vanuit de vooronderstellingen van een mensenrechtenpolitiek, en wel als een gewapende maar vredescheppende missie die wordt geautoriseerd door de volkerengemeenschap (ook stilzwijgend, zonder mandaat van de Verenigde Naties). Volgens deze interpretatie van het westen zou de oorlog rond Kosovo een sprongetje kunnen betekenen op de weg van het klassieke volkenrecht der staten naar het wereldpolitieke recht van een samenleving van wereldburgers.

Deze ontwikkeling is begonnen met de oprichting van de Verenigde Naties en is, na de stagnatie tijdens het conflict tussen Oost en West, in een stroomversnelling geraakt door de Golfoorlog en door andere interventies. Sinds 1945 hebben humanitaire interventies evenwel alleen plaatsgevonden namens de VN en met formele toestemming van de betreffende regering (voor zover er sprake was van een functionerend staatsgezag). Tijdens de Golfoorlog heeft de Veiligheidsraad, met de instelling van vliegverbodzones in het Irakese luchtruim en van 'toevluchtszones' voor de Koerdische vluchtelingen in Noord-Irak, weliswaar feitelijk ingegrepen in de binnenlandse aangelegenheden van een soevereine staat, maar dat is toen niet expliciet gemotiveerd met de noodzaak een vervolgde minderheid tegen de eigen regering te beschermen. In resolutie 688 van april 1991 hebben de Verenigde Naties zich beroepen op het interventierecht, dat hun toekomt in gevallen van bedreiging van de internationale veiligheid. Nu ligt het anders. De Noord-Atlantische Verdragsorganisatie handelt zonder een mandaat van de Veiligheidsraad, maar rechtvaardigt de interventie als noodhulp voor een vervolgde etnische (en religieuze) minderheid.

In Kosovo waren al in de maanden voor het begin van de luchtaanvallen zo'n 300 000 mensen getroffen door moord, terreur en verdrijving. Inmiddels leveren de schokkende beelden van de colonnes verdreven Kosovaren, op de routes naar Macedonië, Montenegro en Albanië, de bewijzen voor een lang en nauwgezet geplande etnische zuivering. Dat de vluchtenden ook weer als gijzelaars worden tegengehouden maakt de zaak er niet beter op. Hoewel Milosevic de luchtoorlog van de Navo gebruikt om zijn ellendige praktijken tot het bittere einde door te drijven, kunnen de deprimerende scènes uit de vluchtelingenkampen het causale verband niet omkeren. Per slot van rekening was het doel van de onderhandelingen een einde te maken aan een moordzuchtig etno-nationalisme. Er kan worden getwist over de vraag of de grondbeginselen van het Verdrag tegen genocide (1948) van toepassing zijn op datgene wat er nu, onder de koepel van de luchtoorlog, op de grond plaatsvindt. Maar ze zijn zeker van toepassing op de feiten die, op grond van de uitgangspunten van de oorlogstribunalen van Neurenberg en Tokio, als 'misdaden tegen de menselijkheid' in het volkenrecht zijn geïntroduceerd. Sinds kort behandelt de Veiligheidsraad ook deze feiten als 'bedreigingen van de vrede', die onder bepaalde omstandigheden dwangmaatregelen rechtvaardigen. Maar zonder mandaat van de Veiligheidsraad kunnen de interventiemachten in dit geval een machtiging tot bijstand alleen afleiden uit de erga omnes (voor allen) verplichtende grondbeginselen van het volkenrecht.

Hoe dit ook zij, door de aanspraak van de Kosovaren op een gelijkgerechtigde coëxistentie en door de verontwaardiging over het onrecht van de brute verdrijving is de militaire interventie in het westen verzekerd van een brede, zij het gedifferentieerde instemming. De woordvoerder buitenlandse zaken van de Duitse CDU, Karl Lamers, heeft de ambivalentie die vanaf het begin met deze instemming gepaard ging fraai onder woorden gebracht: ,,Dus zouden we een rustig geweten kunnen hebben. Dat zegt ons verstand tegen ons, maar ons hart wil daar niet goed naar luisteren. Wij zijn onzeker en onrustig...''

Er zijn meerdere bronnen van verontrusting. In de loop van de laatste weken namen de twijfels toe over de wijsheid van een strategie die geen ander alternatief toeliet dan de gewapende aanval. Want er bestaan twijfels over de doelmatigheid van de militaire acties van de Navo. Terwijl in de Joegoslavische bevolking de steun voor de koppige en halsstarrige koers van Milosevic tot diep in de rijen van de oppositie toeneemt, stapelen rondom het oorlogsgebied de dreigende nevengevolgen van de oorlog zich op. De aangrenzende staten Macedonië en Albanië geraken, evenals de Joegoslavische deelrepubliek Montenegro, om verschillende redenen in de maalstroom van de destabilisering; in Rusland, dat over een groot arsenaal aan atoomwapens beschikt, wordt de regering onder druk gezet door de solidariteit die in wijde kring voor het broedervolk bestaat. Bovenal groeien de twijfels over de evenredigheid van de militaire middelen. Bij elke collateral damage ('zijdelingse schade'), bij elke trein die onbedoeld met een gebombardeerde spoorbrug in de Donau stort, bij elke tractor met vluchtende Albanezen, elk Servisch woongebied, elk civiel doel dat per ongeluk wordt getroffen door de raketbeschietingen, treedt niet een of andere toevalligheid van de oorlog aan de dag, maar een leed dat 'onze' interventie op haar geweten heeft.

Op vragen over de juiste verhouding tussen doel en middelen is het moeilijk een afdoend antwoord te vinden. Had de Navo de vernietiging van de staatsomroep niet een half uur van tevoren moeten aankondigen? De ongerustheid wordt nog vergroot door de opzettelijke vernielingen - de brandende tabaksfabriek, de laaiende gasfabriek, de gebombardeerde flatgebouwen, straten en bruggen, de ruïnering van de economische infrastructuur van een land dat toch al is gedupeerd door het VN-embargo. Elk kind dat tijdens de vlucht sterft, werkt ons op de zenuwen. Want ondanks het overzichtelijke causale verband raken de draden van de verantwoordelijkheid nu verward. In de ellende van de verdrijving zijn de gevolgen van de meedogenloze politiek van een staatsterrorist een moeilijk ontwarbare kluwen gaan vormen met de nevengevolgen van de militaire acties die hem, in plaats van aan zijn praktijken een einde te maken, ook nog eens een excuus daarvoor verschaffen.

Ten slotte is er de twijfel aan het vaag geworden politieke doel. Zeker, de vijf eisen die aan Milosevic zijn gesteld beantwoorden aan dezelfde onberispelijke principes volgens welke het akkoord van Dayton werd uitgedacht, het akkoord dat was gericht op een Bosnië waarin de vrije samenleving van meerdere volkeren grondwettelijk verankerd was. De Kosovo-Albanezen zouden geen recht op afscheiding hebben als hun eis van autonomie binnen Servië maar zou worden ingewilligd. Het Groot-Albanese nationalisme, dat door een afsplitsing een impuls zou krijgen, is immers geen zier beter dan het Groot-Servische nationalisme, dat door de interventie nu juist moet worden ingedamd. Inmiddels maken de wonden van de etnische zuivering de herziening van het doel, namelijk een gelijkgerechtige coëxistentie van de bevolkingsgroepen, met de dag onvermijdelijker. Maar een deling van Kosovo zou pas echt een secessie zijn die niemand kan willen. Bovendien zou de instelling van een protectoraat een verandering van strategie vereisen, namelijk een grondoorlog en de decennialange aanwezigheid van strijdkrachten die de vrede moeten waarborgen. Als deze onvoorziene gevolgen zouden optreden, zou de vraag naar de legitimiteit achteraf nog eens heel anders worden gesteld.

In de communiqués van Europese regeringen klinken schrille tonen door, een overkill aan twijfelachtige historische parallellen - alsof de ratelende retoriek van politici andere stemmen in henzelf moet overschreeuwen. Is het de vrees dat de politieke mislukking van de inzet van militairen de interventie in een heel ander daglicht zou kunnen stellen, ja, zelfs dat deze mislukking het project van de volledige juridisering van de betrekkingen tussen staten weer tientallen jaren achteruit zou werpen? Zou dan van de inzet van politie die de Navo hooghartig op zich neemt ten behoeve van de volkengemeenschap, niet een ordinaire oorlog resteren, zelfs een vuile oorlog, die de Balkan alleen maar in nog grotere rampen heeft gestort? En zou het geen koren op de molen zijn van iemand als Carl Schmitt, de rechtsgeleerde die het altijd al beter wist: ,,wie 'mensheid' zegt, wil bedriegen''? Hij heeft zijn antihumanisme verwoord in de beroemde formule ,,humaniteit, bestialiteit''. De diepste bron van verontrusting is de niet-aflatende twijfel of uiteindelijk niet het rechtspacifisme zelf het verkeerde project is.

De tegenspraken van de Realpolitik...

De oorlog in Kosovo werpt een fundamentele vraag op die ook in de politicologie en de filosofie omstreden is. De democratische, constitutionele staat heeft vanuit het oogpunt van beschaving een grote prestatie geleverd, namelijk het temmen van het politieke geweld door het recht, op de grondslag van de soevereiniteit van volkenrechtelijk erkende subjecten - terwijl een 'wereldburgerlijke' toestand deze onafhankelijkheid van de nationale staat weer ongedaan maakt. Stuit het universalisme van de Verlichting hier op de eigenzinnigheid van een politieke macht die wezenlijk wordt gekenmerkt door de aandrift tot collectieve zelfhandhaving van een afzonderlijke staatsgemeenschap? Dat is de realistische doorn in het vlees van de mensenrechtenpolitiek.

Ook de realistische denkschool neemt natuurlijk nota van de structurele verandering van dit systeem van onafhankelijke staten, in 1648 ontstaan met de Vrede van Westfalen: de wederzijdse afhankelijkheid binnen een steeds complexer geworden maatschappij, de dimensie van problemen die de staten alleen nog door sociaal overleg kunnen oplossen, de groeiende autoriteit en geldingskracht van supranationale instellingen, systemen en procédés - niet alleen op het gebied van de collectieve veiligheid, de economisering van de buitenlandse politiek, de vervaging van de klassieke grenzen tussen binnen- en buitenlandse politiek als zodanig. Maar een pessimistisch mensbeeld en een merkwaardig ondoorzichtig begrip van 'het politieke' vormen de achtergrond van de realistische doctrine, die het liefst zonder restricties wil vasthouden aan het volkenrechtelijke beginsel van non-interventie. Op de internationale wildbaan moeten onafhankelijke staten zich overeenkomstig hun eigen belangen en naar eigen goeddunken ongehinderd kunnen voortbewegen, omdat veiligheid en overleven van het collectief in de visie van degenen die daarvan deel uitmaken waarden zijn waarmee niet kan worden gemarchandeerd, en omdat, vanuit het perspectief van een externe waarnemer, de betrekkingen tussen de collectieve actoren altijd nog het best worden geregeld door de imperatieven van effectieve zelfhandhaving.

Vanuit deze visie begaat de interventionistische mensenrechtenpolitiek een categoriale fout. Zij onderschat en discrimineert de in zekere zin 'natuurlijke' tendens tot zelfhandhaving. Zij wil normatieve maatstaven toepassen op een machtspotentieel dat zich aan elke normering onttrekt. Carl Schmitt had deze argumentatie nog toegespitst door zijn merkwaardig gestileerde 'wezensbestemming' van het politieke. Met de poging tot 'moralisering' van een van huis uit neutrale staatsraison, zo meende hij, laat de mensenrechtenpolitiek zelf de natuurlijke strijd tussen naties pas goed ontaarden in een heilloze 'strijd tegen het kwaad'.

Hiertegen zijn steekhoudende bezwaren in te brengen. Het is immers niet zo dat in de postnationale constellatie potige nationale staten worden geringeloord door regels van de volkengemeenschap. Veeleer worden interventies in de hand gewerkt door de erosie van het staatsgezag, door burgeroorlogen en etnische conflicten - niet alleen in Somalië en Rwanda, maar ook in Bosnië en nu in Kosovo. Evenmin is er voedsel voor verdenking vanuit ideologiekritisch oogpunt. Het onderhavige geval laat zien dat universalistische rechtvaardigingen lang niet altijd versluieren dat er ook deelbelangen in het spel zijn. En de redenen waarom de aanval op Joegoslavië vanuit hermeneutisch oogpunt verdacht zou zijn, zijn tamelijk mager. Aan politici die door de wereldeconomie maar weinig speelruimte hebben in hun binnenlandse politiek, kan krachtpatserij in de buitenlandse politiek een kans bieden. Maar noch door het aan de VS toegeschreven motief van het veiligstellen en uitbreiden van invloedsferen, noch door het aan de Navo toegeschreven motief van het zoeken naar een nieuwe rol op het wereldtoneel, zelfs niet door het aan de 'vesting Europa' toegeschreven motief van de preventieve afwending van immigratiegolven, wordt het besluit tot zo'n zwaarwegende, riskante en kostbare ingreep verklaard.

Maar tegen het 'realisme' spreekt bovenal het feit dat de subjecten van het volkenrecht met de bloedsporen, die ze in de rampzalige geschiedenis van de twintigste eeuw hebben nagelaten, de aanname van onschuld binnen het klassieke volkenrecht ad absurdum hebben gevoerd. De oprichting van de VN en de Verklaring van de Mensenrechten waren, evenals de dreiging met straf voor aanvalsoorlogen en misdaden tegen de mensheid - met als gevolg een zij het halfhartige inperking van het principe van non-interventie - noodzakelijke en juiste antwoorden op de moreel belangrijke ervaringen van deze eeuw, op de totalitaire ontketening van de politiek en op de holocaust.

Uiteindelijk berust het verwijt van moralisering van de politiek op een begripsmatige onduidelijkheid. Want de nagestreefde stichting van een wereldburgerlijke toestand zou betekenen dat overtredingen van de mensenrechten niet onmiddellijk vanuit morele gezichtspunten worden beoordeeld en bestreden, maar worden vervolgd zoals criminele handelingen binnen een tot de staat behorende rechtsorde. Een volledige juridisering van internationale betrekkingen is niet mogelijk zonder vaststaande procédés voor conflictoplossing. Juist de institutionalisering van deze procédés zal, in de door rechtsregels gekanaliseerde omgang met schendingen van mensenrechten, kunnen voorkómen dat rechtskundige onderscheidingen door globale morele oordelen worden opgeheven, en zal verhinderen dat er op louter morele gronden een discriminatie van 'vijanden' plaatsvindt.

Zo'n toestand is ook te bereiken zonder het machtsmonopolie van een wereldstaat en zonder wereldregering. Maar minimale vereisten zijn een goed functionerende Veiligheidsraad, de bindende rechtspraak van een internationaal gerechtshof voor strafzaken, en de aanvulling van de algemene vergadering van regeringsvertegenwoordigers door het 'tweede niveau' van een vertegenwoordiging van de wereldburgers. Omdat deze hervorming van de Verenigde Naties nog niet binnen bereik ligt, blijft het weliswaar juist om op het verschil tussen juridisering en moralisering te wijzen, maar daarin schuilt ook een ambivalentie. Want zolang de mensenrechten op mondiaal niveau naar verhouding zwak zijn geïnstitutionaliseerd, kan de grens tussen recht en moraal vervagen, zoals in het geval van de crisis rond Kosovo. Omdat de Veiligheidsraad buiten spel is gezet, kan de Navo zich alleen beroepen op de morele waarde van het volkenrecht - op normen waarvoor geen effectieve, door de volkengemeenschap erkende juridische instanties bestaan om ze toe te passen en ingang te doen vinden.

De te geringe institutionalisering van het wereldburgerrecht blijkt bijvoorbeeld uit de kloof tussen de legitimiteit en de effectiviteit van de interventies, die het garanderen en scheppen van vrede beogen. Srebrenica was door de VN tot vluchthaven uitgeroepen, maar de legereenheid die daar rechtmatig was gestationeerd kon na het binnenrukken van de Serviërs het gruwelijke bloedbad niet verhinderen. Daarentegen kan de Navo alleen maar effectief tegen de Joegoslavische regering optreden omdat zij zonder legitimatie in actie is gekomen, een legitimatie die haar door de Veiligheidraad zou zijn onthouden.

...en het dilemma van de mensenrechtenpolitiek

De mensenrechtenpolitiek is erop gericht de kloof tussen deze spiegelbeeldige situaties te dichten. Vaak is zij echter, als gevolg van de te geringe institutionalisering van het wereldburgerrecht, genoodzaakt tot loutere anticipatie op een toekomstige wereldpolitieke toestand, die ze tegelijk wil bevorderen. Hoe kan men onder deze paradoxale omstandigheid een politiek bedrijven die erop evenwichtige wijze, desnoods zelfs met militair geweld, voor dient te zorgen dat de mensenrechten worden gerespecteerd? Deze vraag moet ook worden gesteld als men in aanmerking neemt dat niet overal kan worden ingegrepen - niet ten bate van de Koerden, niet ten bate van de Tsjetsjenen of de Tibetanen, maar tenminste nog wel voor de eigen voordeur, op de verscheurde Balkan. Een interessant onderscheid in de opvatting over mensenrechtenpolitiek tekent zich af tussen Amerikanen en Europeanen. De VS bedrijven de mondiale handhaving van de mensenrechten als de nationale missie van een wereldmacht, die dit doel nastreeft onder de premissen van de machtspolitiek. De meeste regeringen van de EU verstaan onder een politiek van mensenrechten eerder het project van een totale juridisering van internationale betrekkingen, een project waardoor de parameter van de machtspolitiek nu al aan het veranderen is.

De VS hebben in een wereld van staten, die door de VN slechts zwak is gereglementeerd, de ordehandhavende taken van een supermacht op zich genomen. Daarbij fungeren de mensenrechten als morele richtlijnen voor de waardering van politieke doelen. Natuurlijk zijn er altijd isolationistische tegenstromingen geweest, en evenals andere naties streven ook de VS in eerste instantie hun eigen belangen na, die niet altijd overeenstemmen met de normatieve doelen uit de officiële verklaringen. Dat is gebleken bij de Vietnam-oorlog, het blijkt ook telkens weer uit de wijze waarop ze omgaan met problemen in de eigen 'achtertuin'. Maar de ,,nieuwe mengvorm van humanitaire onbaatzuchtigheid en imperiale machtslogica'' (Ulrich Beck) kent in de Verenigde Staten een lange traditie. Eén van de motieven van Wilson om zich in de Eerste en van Roosevelt om zich in de Tweede Wereldoorlog te mengen was de oriëntatie op idealen die diep zijn geworteld in de pragmatische traditie. Daaraan danken wij, de in 1945 overwonnen natie, dat wij tegelijk ook zijn bevrijd. Vanuit dit zeer Amerikaanse, dus nationale standpunt van een normatief georiënteerde machtspolitiek moet het tegenwoordig plausibel lijken om de strijd tegen Joegoslavië, ongeacht alle complicaties, rechtlijnig en compromisloos voort te zetten, desnoods ook met de inzet van grondtroepen. Dat heeft in elk geval het voordeel consequent te zijn. Maar wat te zeggen als op een dag de militaire alliantie van een andere regio - laten we zeggen in Azië - gewapenderhand een mensenrechtenpolitiek bedrijft die berust op háár, totaal andere interpretatie van het volkenrecht of van het Handvest van de Verenigde Naties?

De zaak ziet er anders uit als de mensenrechten niet alleen in het spel worden gebracht als morele richtlijnen voor het eigen politieke handelen, maar als rechten die in juridische zin moeten worden geïmplementeerd. Mensenrechten vertonen namelijk, ongeacht hun zuiver morele gehalte, de structurele kenmerken van subjectieve rechten die van huis uit zijn aangewezen op het verkrijgen van positieve geldingskracht binnen een dwingende rechtsorde. Pas als de mensenrechten in een wereldwijde democratische rechtsorde hun plaats hebben gevonden op soortgelijke wijze als de grondrechten in onze nationale grondwetten, zullen we er ook op mondiaal niveau van mogen uitgaan dat we degenen voor wie deze rechten zijn bedoeld tegelijk als de makers ervan kunnen beschouwen.

De instellingen van de VN zijn op weg de cirkel te sluiten tussen de toepassing van dwingend recht en de democratische rechtsbedeling. Waar dat echter niet het geval is blijven normen, al zijn ze nog zo moreel van gehalte, gewelddadig opgelegde beperkingen. Zeker, in Kosovo proberen de interventiestaten de rechtmatige aanspraken erdoor te drukken van diegenen wier mensenrechten door hun eigen regering met voeten worden getreden. Maar de Serviërs die in de straten van Belgrado dansen zijn, zoals de filosoof Slavoj Zizek vaststelt, ,,geen verkapte Amerikanen, die erop wachten van de vloek van het nationalisme te worden verlost''. Hun wordt een politieke orde, die gelijke rechten voor alle burgers waarborgt, met wapengeweld opgedrongen. Ook vanuit normatieve standpunten bezien is dat nog het geval, zolang de Verenigde Naties althans niet hebben besloten tot militaire dwangmaatregelen tegen Joegoslavië.

Zelfs negentien staten die zelf zonder twijfel democratisch zijn, blijven partij indien zij zichzelf tot ingrijpen machtigen. Ze brengen een interpretatie- en beslissingsbevoegheid in de praktijk die, als alles nu al zou gaan zoals het behoort, alleen toekomt aan onafhankelijke instituties; in zoverre handelen ze paternalistisch. Daarvoor zijn goede redenen. Wie echter handelt in het besef dat paternalisme voorlopig nog onvermijdelijk is, weet ook dat de macht die hij uitoefent nog niet de kwaliteit bezit van een rechtsdwang die wordt gelegitimeerd binnen het kader van een democratische samenleving van wereldburgers. Morele normen die een beroep doen op ons betere inzicht, mogen niet worden afgedwongen als waren het reeds gevestigde rechtsnormen.

Van machtspolitiek naar een samenleving van wereldburgers

Uit het dilemma zó te moeten handelen alsof de volledig geïnstitutionaliseerde wereldburgerlijke toestand die men wenst te bevorderen nu al bestond, kan evenwel niet de regel worden afgeleid dat de slachtoffers dan maar moeten worden overgelaten aan hun beulen. Het terroristische gebruik van staatsmacht, die daarmee vervreemd is van haar eigenlijke doel, verandert de klassieke burgeroorlog in een massamisdrijf. Als het echt niet anders kan, moeten democratische buurlanden toesnellen om volkenrechtelijk gelegitimeerde noodhulp te bieden. Juist dan vereist de onafheid van de wereldburgerlijke toestand een bijzondere gevoeligheid. De reeds bestaande instituties en procédés zijn de enige voorhanden controlemiddelen voor de feilbare oordelen van een partij die namens het geheel wil handelen.

Een bron van misverstanden is bijvoorbeeld de historische ongelijktijdigheid van op elkaar botsende politieke mentaliteiten. Tussen de luchtoorlog van de Navo en de grondoorlog van de Serviërs bestaat weliswaar geen tijdsverschil van vierhonderd jaar, zoals Enzensberger meent. Politicologen hebben vastgesteld dat er een nieuw soort verschil is ontstaan tussen de 'eerste' en de 'tweede' wereld. Alleen de vreedzame, welvarende OESO-samenlevingen kunnen het zich veroorloven hun nationale belangen min of meer in overeenstemming te brengen met de eisen van de Verenigde Naties, eisen die op het niveau staan van een reeds halfvoltooide wereldburgerlijke samenleving.

Daarentegen is de 'tweede wereld' (in de nieuwe interpretatie) de erfgenaam geworden van het machtspolitieke erfgoed van het Europese nationalisme. Staten als Libië, Irak of Servië compenseren hun onstabiele binnenlandse toestand met autoritaire heerschappij en identiteitspolitiek, terwijl ze zich naar buiten toe expansionistisch gedragen, zeer gevoelig zijn voor grenskwesties en neurotisch pochen op hun soevereiniteit. Dergelijke constateringen verhogen de verkeersdrempels in het onderlinge verkeer. Momenteel rechtvaardigen ze de eis tot vergroting van de diplomatieke inspanningen.

Wanneer de Verenigde Staten in het spoor van een politieke traditie, hoe opmerkelijk die ook is, de door de mensenrechten voorgeschreven rol van oppermachtige ordegarant spelen, is dat één ding. Maar het is heel iets anders wanneer we de precaire overgang van de klassieke machtspolitiek naar een wereldburgerlijke toestand, die zich voltrekt over de graven van een actueel, ook met wapens beslecht conflict heen, opvatten als een leerproces dat gemeenschappelijk tot een goed einde moet worden gevoerd. Dit wijdere perspectief maant ook tot grotere voorzichtigheid. Het eigenmachtig optreden van de Navo mag niet de regel worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden