Beste Simon, Beste Wim,

Een dezer dagen verschijnt 'Simon Vestdijk & Willem Pijper / Merlijn, het ontstaan van een opera in brieven en documenten'. Een uniek en belangwekkend geschrift, dat inzicht geeft in de werkwijze van twee belangrijke kunstenaars en intellectuelen die een opera op een occult gegeven probeerden te maken.

ROB SCHOUTEN

In zijn memoires 'Gestalten tegenover mij', meent Vestdijk dat die eerste brief uit 1935 stamt, waarmee hij de kennismaking dus met twee jaar verlengd. Een vergissing die bijna ingegeven lijkt door het feit dat Vestdijk al eerder belangstelling had voor de componist Pijper, 'niet zozeer door zijn muziek, die men niet te horen kreeg, als door wat mij over zijn persoonlijkheid ter ore kwam', meldde de schrijver.

Toch was het Pijper die het initiatief nam en moest Victor van Vriesland eraan te pas komen om Vestdijk ook daadwerkelijk bij Pijper op bezoek te doen gaan, hetgeen geschiedde in 1938. Twee borsten waarin een ziel huisde, zou je met wat overdrijving kunnen zeggen, want Pijper en Vestdijk waren aan elkaar gewaagd: "Wij begrepen elkaar dan ook na de eerste blik en het eerste losse woord" , schrijft Vestdijk.

Pijper was de toonaangevende componist van zijn generatie, al werd zijn ongemakkelijke muziek slechts spaarzaam uitgevoerd. Vestdijk ontwikkelde zich in die jaren voor de oorlog tot de belangrijkste en veelzijdigste schrijver van Nederland. Maar er was meer dat hen bond.

Pijper had naast een muzikaal ook een sterk literair talent, dat tot uiting kwam in publicaties als 'De Quintencirkel' en 'de Stemvork', muziekessays van de eerste rang. Maar vooral exploiteerde hij zijn tweede ader in de vlijmscherpe muziekkritieken die hij tussen 1918 en 1925 voor het Utrechts Dagblad schreef en waar de dirigent van het Utrechts Symfonie Orkest, Jan van Gilse, zodanig het slachtoffer van werd dat hij het veld moest ruimen.

Vestdijk van zijn kant was fel geinteresseerd in muziek, een kunst die hij als zijn 'Violon d'Ingres' beschouwde, zijn eerste maar gemankeerde liefde. Hij speelde voortreffelijk piano en zou zich later ontpoppen als een veelzijdig maar controversieel muziekessayist. Bovendien hadden beiden een verwant artistiek temperament. Pijper stond bekend als een precies en intelligent musicus, sommigen vonden hem zelfs 'cerebraal'. Ook Vestdijk was vooral een man van de beheerste techniek, het overweldigend intellect, veel meer dan een spontaan lyricus.

Toch was er tussen deze twee intellectuele kunstenaars wel een zekere spanning. Vestdijk keek vermoedelijk meer tegen Pijper op dan andersom. Muziek was voor hem magie en eigenlijk hogere kunst. Pijper, die een verre van gemakkelijk karakter had, tiranniseerde zijn omgeving nogal eens. "Ik begrijp niet, dat Simon zoveel van Wim verdraagt" , zei een wederzijdse kennis eens over hun verhouding. Maar Simon bewonderde Wim, om het geheim van zijn kunst dat hij niet deelachtig was.

Het heeft er zelfs veel van weg dat Vestdijk in zijn romancyclus 'De symfonie van Victor Slingeland' bij de figuur van Slingeland vooral aan Pijper heeft gedacht. Demonisch, briljant, op gezette tijden onhebbelijk, polygaam: het zijn allemaal eigenschappen uit de boeken die ook voor Pijper opgingen, en dat hij op het papier bij Vestdijk slechts dirigent bleef en nadrukkelijk niet componeerde, was wellicht een kleine compensatie voor het genie waartegen Vestdijk zo opkeek.

Het contact tussen Vestdijk en Pijper resulteerde al spoedig in een gezamenlijk project, de opera 'Merlijn', waarvoor Vestdijk de tekst, Pijper de muziek zou schrijven. Het idee was van Pijper en Vestdijk voelde er aanvankelijk niet veel voor, totdat Pijper hem overhaalde met een concreet voorstel.

De opera, over de legendarische tovenaar Merlijn, zou gestructureerd worden naar het model van de dierenriem. De drie bedrijven zouden elk uit vier scenes bestaan, die ieder weer zouden "corresponderen met een teken van de dierenriem, op dusdanige wijze, dat de personages, die in die scenes optraden, (of de gebeurtenissen: een later amendement van mij (SV) hun kenmerken ontleenden aan de traditionele astrologische symboliek." De eerste scene zou zo in het teken van Ram staan, de laatste in Vissen. Met dit voorstel trok Pijper Vestdijk over de streep.

Het wekt misschien verwondering dat twee zulke kritische intellectuelen als Vestdijk en Pijper zich gezamenlijk met de tovenaar Merlijn en de sterrenwichelarij op occult terrein begaven, maar bij nader inzien toch ook weer niet. Vestdijk had in zijn jonge jaren een oprechte belangstelling voor de astrologie gehad, hetgeen zelfs was uitgemond in een publicatie 'Astrologie en wetenschap', waarin hij overigens van zijn astrologische geloof viel. Maar ook daarna bleef hij de astrologie ten eigen bate gebruiken, bijvoorbeeld door aan de hand van astrologische typologieen, die immers ook vaak karaktertypologieen zijn, romanpersonages op te bouwen. Ook bleef hij, zonder er in te geloven maar misschien toch niet helemaal onoprecht, horoscopen opstellen, bijvoorbeeld nog bij de geboorte van zijn zoon Dirk Simon, in 1968.

Ook voor Pijper stelde hij zulke horoscopen op en het lijkt erop dat Pijper die onder meer gebruikte voor zijn relaties met vrouwen. Volgens Vestdijk geloofde Pijper wel degelijk in de astrologie. Bovendien was hij vrijmetselaar, en als zodanig niet vrij van neiging tot esoterische mystiek.

Het 'Merlijn'-project leidde tot een fikse correspondentie, niet alleen omdat de twee kunstenaars een eindje uit elkaar woonden (Pijper in Rotterdam, Amersfoort en Leidschendam, Vestdijk in Doorn), maar vooral omdat de Tweede Wereldoorlog roet in het gezamenlijke eten gooide. Daardoor beschikken wij nu wel over een uniek en fascinerend verslag in brieven over die opera-in-wording.

Voor Vestdijk was de uitdaging misschien wel het grootst. Pijper had al eens eerder een opera geschreven, 'Halewijn', waarvoor hij aanvankelijk Martinus Nijhoff om het libretto had gevraagd. Maar de componist was zo veeleisend en meticuleus gebleken en had in Nijhoffs tekst zulke rigoureuze wijzigingen willen aanbrengen, dat de dichter er tenslotte het bijltje bij neergooide en met de musicus gebrouilleerd raakte.

Tenslotte schreef Emmy van Lokhorst de definitieve libretto-tekst, in de verte gebaseerd op het gedicht van Nijhoff. Vestdijk wist uiteraard (ook via Nijhoff) van de problemen met Pijper. Bovendien had hij zelf nooit eerder een dramatische tekst geschreven en het was ook maar de vraag of zijn talent zich daar wel toe eigende.

Uit de briefwisseling blijkt inderdaad dat Pijper zich voortdurend en tot in de kleinste details met het libretto bemoeide, en niet alleen uit muzikale overwegingen maar ook om psychologische en dramatische wijzigingen aan te brengen. En van zijn kant werd er weinig geschipperd. Vestdijk liet het zich allemaal welgevallen, maar je krijgt toch de indruk dat hij, na een aanvankelijk enthousiasme voor het gezamenlijke project, er op den duur toch enigszins genoeg van kreeg.

In elk geval leidde de samenwerking ertoe dat er twee (en tenslotte zelfs drie) teksten 'Merlijn' ontstonden, een als dramatisch gedicht van Vestdijk, een ander als de veel kortere versie daarvan die het libretto voor de opera uitmaakt. Een aantal suggesties uit die libretto-versie heeft Vestdijk later nog weer in een herziene versie van zijn eigen gedicht overgenomen, zodat er dus eigenlijk drie 'Merlijns' zijn, die alle in dit brieven- en documentenboek zijn afgedrukt.

Het verhaal waar Vestdijk mee aankwam, ziet er in hoofdlijnen als volgt uit. De tovenaar Merlijn, raadgever van koning Arthur, heeft genoeg van het toveren aan het gistende hof en trekt de natuur in, Daar ontmoet hij de fee Viviane, die juist de omgekeerde weg bewandelt en vanuit de natuur het mensenleven wil leren kennen. Ze haalt hem over om weer te gaan toveren, maar hij wil dat ze hem dan beschermt tegen de in hem sluimerende hang naar macht. Aan Arthurs hof zijn problemen over de erfopvolging. De koning wil zijn eigen bastaardzoon Mordret op de troon te brengen, maar diens stiefvader, de machtige leenheer Sagremor probeert Arthur ten val te brengen.

In het tweede bedrijf verschijnt Merlijn weer aan het hof, in gezelschap van de schim van Arthurs vader Uter Pentragon, die hij voor Viviane heeft opgeroepen. Om te zien of hij echt is en dus de troon van zijn zoon bedreigt, besluit men hem te wegen. Hij blijkt 'zwaar' te zijn en eist vervolgens de troon op. Maar dan laat Merlijn, die deze stunt heeft uitgehaald om Arthurs moed en kracht te beproeven, de schim weer verdwijnen.

In het derde bedrijf valt Sagremor Arthur aan. Eindelijk lukt het Merlijn om Arthur tot inzicht en eigen initiatief te brengen. Arthur tracht het magische zwaard Excalibur uit de rotsen te trekken, maar vergeefs. Dan trekt de onzichtbare Merlijn het er voor hem uit, waarna Arthur triomfeert. Door zijn daad is echter nu feitelijk Merlijn koning. De fee Viviane spreekt dan ook de toverspreuk over hem uit, waarna Merlijn verdwijnt in een 'gevangenis van lucht', naar zijn oorsprong terugkeert.

Dit verhaal is losjes gebaseerd op bestaande Arthur-sagen maar toch in de eerste plaats een produkt van Vestdijks fantasie. Vestdijk-kenner (en zelf ook toneelschrijver) Martin Hartkamp beschouwde het conflict in de ziel van Merlijn, in de woorden van Vestdijk zelf omschreven als 'de in de wereld der verschijningen verstrikte ziel (streeft) naar verlossing: terugkeer naar een oorspronkelijke toestand van onschuld en geheel zichzelf zijn', zelfs als het dominante thema in heel Vestdijks werk.

Hij stelt ook vast dat het werk als dramatisch produkt mislukt is, Vestdijk kon niet voor het toneel schrijven. Hij beeldde bijvoorbeeld het conflict in Merlijns ziel niet dramatisch uit. Voor zijn tegenstrijdige hang naar macht en onschuld poogt de tovenaar zelf geen oplossing te vinden maar hij delegeert de hele kwestie aan de fee Viviane, zijn betere ik.

Pijper, die zichzelf volgens Vestdijk met Merlijn vereenzelvigde, had met de dramatische kant van Vestdijks produkt geen problemen. Alleen vond hij dat Viviane, bij Vestdijk nog haast een kind, in zijn opera een volwassen vrouw moest zijn.

De tekst van Vestdijk behoort zeker niet tot zijn prominentste gedichten, maar kent toch een aantal mooie passages. Bijvoorbeeld in het derde bedrijf, als Merlijn de tweespalt in zijn ziel overpeinst:

'Merel Merlijn, kruipt daar de duivel niet;

Uw vader, die uw teed're ziel bespiedt?

Of is het God, die op dit spieden rekent,

Zijn zuiv'rend licht aan 't hellevuur ontstekend?

Beiden zijn een, ten spijt van 't volksgeloof,

Dat mij heeft aangewreven duivels roof

Te plegen in mijn kennis van 't verleden,

Terwijl 'k de toekomst dank aan schietgebeden.

Dit is het wat mij van het menschdom scheidt: ..'

Maar vergeleken met het grote gedicht 'Mnemosyne in de bergen', dat Vestdijk niet veel later zou schrijven, en dat wel iets aan 'Merlijn' dankt, legt de operatekst-in-spe het af. Misschien was de opdracht hem tenslotte toch niet op het lijf geschreven. Een karakteristieke opmerking van Pijper in een van zijn brieven, illustreert het probleem voor Vestdijk: 'je kunt 't in een libretto niet simplistisch genoeg zeggen.' En Vestdijk was van nature alle simplisme vreemd. Ergens anders schreef Pijper over de begrijpelijkheid van zijn drama: 'ik voel alles voor honder procent esoterische interpretaties van alles gebeurtenissen. Mits het in de vertooning begrijpelijk, althans aan-voelbaar gemaakt kan worden.'

Van de dierenriem blijft de luisteraar op het eerste gezicht en gehoor verschoond, al zijn er knipoogjes voor insiders, zoals de kreeftegang van de wereldgeschiedenis in de 'Kreeft'-scene en het wegen van Uter Pentragon in de 'Weegschaal'scene. Ook in Pijpers muziek zijn de verwijzingen naar de zodiac nauwelijks te bespeuren. Uit het 'Cahier noir' dat Pijper over het componeren bijhield (en dat ook in deze uitgave is afgedrukt), blijkt hoe conscientieus en doordacht hij de muziek bij de tekst componeerde. Voortdurend symboliseren de klanken het verhaal, met terugkerende motieven, omkeringen en contrapunten. Maar Vestdijk, die zei zich niet aan de 'bezwerende kracht' van de muziek te kunnen onttrekken, zei ook: "het is mij opgevallen hoe zelden de muziek bij het traditionele klimaat van de zodiactekens aansluit."

Merlijn bleef onvoltooid. Toen Pijper in 1947 stierf was de muziek tot aan halverwege het tweede bedrijf af. De componist heeft het zelf nooit uitgevoerd gehoord. En Vestdijk bleef weg bij de concertante uitvoering die er in 1952 van werd gegeven. Van het gebrek aan drama zal men daar trouwens geen last hebben gehad.

De briefwisseling tussen Vestdijk en Pijper cirkelt vooral om de opera in wording. Maar tussendoor komen ook andere onderwerpen ter sprake zoals het bombardement op Rotterdam, waarbij Pijper al zijn bezittingen en manuscripten kwijtraakte, en Vestdijks gijzelaarschap in St. Michielsgestel, (waar 'ik voor mijn hele verdere bestaan genoeg 'contact' heb opgedaan').

Ook in amoureuze perikelen waren ze elkaars ingewijden. Vestdijks affaire met Henriette van Eyck viel een jaar voor de dood van Pijper, die naar Vestdijks zeggen altijd een grondige hekel had gehad aan Vestdijks levensgezellin Ans Koster. Toen Pijper vlak voor zijn dood met zijn vriendin Saar Bessem brak, zei Vestdijk hem min of meer de vriendschap op, een feit dat in zijn memoires alsvolgt ter sprake komt: 'Hij heeft de katastrofe (van zijn dood - RS) zeker zien aankomen, en het lijkt mij een uitvloeisel van zijn weerbarstig en overgevoelig karakter als gewond dier zich te willen distantieren van zijn beste vrienden.'

De opera van Pijper en Vestdijk bleef door Pijpers voortijdige dood onaf liggen, als een curiosum in twee disciplines, muziek en literatuur.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden