Beste Hans van 1964,

Wie was u toen u een jaar of 20 was? Welke plannen en idealen had u toen? En wat is ervan terechtgekomen? In een korte serie schrijven bekende Nederlanders een brief aan hun jongere ik. Vandaag: Hans Achterhuis.

Altijd als ik mijn rondje langs de Langbroekerwetering fiets, moet ik aan je denken. Dat gaat gepaard met een mengeling van nostalgie en trots. Waarom daar? Ik zal proberen het uit te leggen, proberen om de grote kloof tussen jou en mij wat te dichten.

Al fietsend ontdekte ik dat ik mij hier als scholier en student thuis voelde. Dat besefte jij toen nog niet. Jij leefde in je hoofd, je was rationeel. De hele wereld was jouw potentiële woonplaats, je dacht universeel, overal kon je immers boeken lezen. Maar langs de Langbroekerwetering ontdekte ik opnieuw waar ik in Twente, het landschap van mijn jeugd, ook al verbaasd over was. De lijnen van een landschap kunnen deel uitmaken van je lichaam, lichamelijke snaren resoneren op vertrouwde plekken. Ik hoop dat je beseft dat ik het achteraf jammer vind dat jij dit nooit zo hebt gevoeld.

Als ik aarzelend over mijn gevoel van trots spreek, gaat het ook om wat ik geworden ben. Dat is iets anders dan jij voor ogen had. Ik vraag mij af of je mij nog wel herkent. De laatste keer dat ik langs de wetering fietste, had ik net de Socrates-wisselbeker gewonnen. Die wordt jaarlijks uitgereikt voor het beste Nederlandstalige filosofieboek. Ik kreeg hem voor mijn studie ’Met alle geweld’. Ik hoor je zeggen: „Filosofie, hoe ben je daar in beland? En wat heeft een boek over geweld te maken met mijn jongensdromen? Als ik überhaupt aan de toekomst dacht, was dat vooral over een predikantschap in een hervormde gemeente.”

Ik probeer het je uit te leggen. Weer moet ik je vermoeien met een nieuw woord: carrièreplanning. Dat deed jij niet met je vage dromen over een toekomst in een pastorie. Wees gerust, want ik heb dat ook nooit gedaan. Toch ben ik best trots op de uitkomst, op de wisselbeker, mijn boeken, mijn hoogleraarschap. Maar ik moet bekennen dat de weg hierheen vele bochten bevatte en dat de uitkomst van toeval en meer van andere mensen dan van mijzelf heeft afgehangen.

Jij fietste ook al met Tiny, je grote liefde, aan je zij of achterop. Dat ik met haar getrouwd ben, zal je niet verbazen. Maar de omstandigheden van ons huwelijk vormden wel de eerste scherpe bocht op de weg naar de filosoof die ik werd. Jij zou in 1965 met een studiebeurs naar Praag gaan. Dat is niet doorgegaan. Ik kon mij toen al een leven voor iets langere tijd niet zonder Tiny denken. Het communistische regime maakte het uiterst onzeker of wij samen konden gaan. Ik kreeg een ander aanbod: Straatsburg. Om daar samen kamers te huren moest je wel getrouwd zijn. Dat deden we en gingen met mijn armzalige beurs naar Straatsburg. Waar wij één van de beste periodes uit ons leven hadden en ik de filosofie ontdekte.

Ik promoveerde er op één van jouw meest geliefde schrijvers: Albert Camus. Wat was het een ontdekking om zelf creatief gedachten te ontwikkelen in plaats van braaf denkbeelden van anderen te reproduceren. Wat was het een verrukking om op onze kampeertochten in de Vogezen in het gras naast Tiny de filosofische klassieken, die in Straatsburg goedkoop verkrijgbaar waren, te bestuderen.

Allemaal toeval dat dit zo gebeurde. Wat zou er van jou geworden zijn als Tiny er niet was geweest, of als ik wel samen met haar naar Praag had gekund? Zonder deze ervaringen was jij niet geworden wie ik ben.

Ik praat nu vaak over de gelukkige en toevallige wendingen op mijn levensweg met een begrip dat jij als theoloog goed kent: genade. Ik heb, en dat zal je verbazen en misschien verontrusten, het geloof en de kerk vaarwel gezegd. Waarom dan toch zoiets als genade? Daar bedoel ik mee dat mij iets goeds overkomt, dat er ontmoetingen zijn die mij op een beslissende manier aanspreken.

Voor de hobbels op mijn levensweg zou ik de term ‘genade’ niet durven gebruiken. Daarvoor waren ze te pijnlijk, ook al heb ik er veel van geleerd. Jij zult je herinneren dat jij het binnen relaties moeilijk had met afhankelijkheid en macht. Waar mensen zich for better and for worse met elkaar verbonden weten, rijzen hier vragen. De superioriteitsgevoelens die jij vaak koesterde hebben mij vaak parten gespeeld. Met vallen en opstaan heb ik ze af moeten leren.

„Maar waarom dat thema van geweld?”, vraag je. „Ik was bang voor geweld. Hoe is het mogelijk dat jij er een boek over schrijft?”

Weer speelt het toeval een grote rol. De meeste thema’s waar ik over schreef – welzijnswerk, arbeid, gezondheidszorg – werden mij door de maatschappelijke situatie aangereikt. Geweld was het thema dat mij het diepst raakte. Camus discussieerde erover met Merleau-Ponty en Sartre. Het geweld dat nodig zou zijn om de betere maatschappij van het communisme te bereiken. Ik ben nog steeds bang voor geweld, maar ik probeer het te begrijpen.

En bij die poging heb ik dingen van mijzelf ontdekt die alles te maken hebben met de machts- en afhankelijkheidsproblematiek waar jij al mee worstelde. Maar hier moeten we in een volgende gedachtenwisseling maar dieper op ingaan. Wie weet ervaren wij dan ook dat de afstand tussen ons minder groot is, dan wij beiden geneigd zijn te denken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden