Bestaansrecht Pakistan nog steeds niet bewezen

NEW DELHI - “Ik kan uitzien naar een Pakistan dat een van de Grootste Naties ter wereld zal worden.” Mohammed Ali Jinnah klonk opgetogener dan hij in werkelijkeid was. Niet alleen wist hij dat tubercolosis en kanker hem spoedig het leven konden kosten, ook had hij ernstige twijfels over de levensvatbaarheid van het land dat hij de vrijheid bracht, maar zelf eigenlijk niet had gewild.

Dat land bestaat vandaag vijftig jaar. Pakistan, 'het land der zuiveren', viert zijn onafhankelijkheid een dag eerder dan India, het land waarvan het zich losmaakte. In de nacht van 14 op 15 augustus 1947 zette het de klok een half uur terug. Daarmee bewees het de tijd in eigen hand te nemen. Een halve eeuw later vragen veel Pakistanen zich af of het symbolisch halfuurtje terug van toen het land inmiddels niet op veel grotere achterstand heeft gezet.

Jinnah, de eerste gouverneur-generaal van het vrije Pakistan, stierf in 1948. Ook tegenwoordig hangt, naast het portret van de huidige president, de foto van de Quaid-i-Azam, de Grote Leider, aan de muren van Pakistans kantoren. Hij is de man die moslims in het vroegere Brits-Indiase rijk een eigen land gaf, aanvankelijk verdeeld over West-Pakistan en Oost-Pakistan, het latere Bangladesh. Maar ironisch genoeg heeft juist hij geprobeerd de partition, de deling van het subcontinent, te voorkomen.

“Hij heeft de scheuring nooit echt gewild”, verklaarde onlangs Jinnahs dochter, Dina Wadia. De feiten lijken haar gelijk te geven. De leider van de Moslimliga, geboren in dezelfde Indiase deelstaat als Mahatma Gandhi, zocht garanties voor de islamitische minderheid in het Brits-Indiase rijk. Pas in 1940, toen de overwegend hindoeïstische Congrespartij volgens hem te weinig oog had voor de belangen van moslims, sprak zijn partij zich expliciet voor onafhankelijkheid uit. Maar ook deze zogeheten Verklaring van Lahore was open voor onderhandeling.

In 1946, een jaar slechts voor de onafhankelijkheid, stelden de Britten de vorming van een federatie voor. Zowel de Congrespartij als de Moslimliga stemden daarmee in. Jawaharlal Nehru echter, de Congres-voorzitter, liet zich op een persconferentie ontvallen dat zijn partij hierover het laatste woord zou hebben. Daarmee was voor een woedende Jinnah de kans op een onverdeeld India verkeken. De rellen tussen hindoes en moslims die daarna in het oostelijke Calcutta uitbraken, markeerden de omslag. De partition kreeg haar eigen, steeds bloediger dynamiek.

De geschiedenis van landen is maar al te vaak de geschiedenis van persoonlijke betrekkingen. Jinnah en Nehru waren beiden in Engeland opgeleide advocaten uit voorname families, gevormd in de smaak van een westerse elite. Ook de moslim Jinnah dronk graag een goed glas whisky. Maar onderling konden zij volstrekt niet overweg. Daar komt bij dat de laatste Onderkoning van het rijk, Lord Louis Mountbatten, goed bevriend was met Nehru. Jinnah was in Mountbattens ogen een 'psychopatisch geval'.

De onafhankelijkheid van beide landen is in een periode van amper drie maanden door een handjevol individuen geregeld. De man die naar India werd geroepen voor het vaststellen van de nieuwe grenzen, Cyril Radcliffe, wist van het gebied en zijn cultuur niets af. Hij klaarde de klus en vertrok als een dief in de nacht. Al zijn aantekeningen heeft hij verbrand. “Niemand in India zal van me houden”, zo schreef hij zijn stiefzoon, “ik wil niet dat ze me vinden.” Die houding, zo noteert de Indiase historicus Khilnani, vormt het 'ware grafschrift' van de Britten, meer dan alle pompeuze glorie van het Rijk.

Mohammed Ali Jinnah is als de koppige 'Mister No' de Indiase geschiedenis ingegaan. Hij zou de man zijn achter de 'twee naties theorie', volgens welke hindoes en moslims niet in hetzelfde land kunnen leven. Maar de vader van Nehru, Motilal, omschreef Jinnah ooit als de man die 'de weg wijst' naar eenheid tussen beide geloofsgroepen. Het eindoordeel van de gezaghebbende historica Ayesha Jayal luidt zelfs: “Het was de Congrespartij die aandrong op de deling. Het was Jinnah die tegen de deling was.”

West- en Oost-Pakistan waren vanouds de gebieden waar moslims een meerderheid van de bevolking vormden. Hindoes, zo schreef een 17-jarige Zulfikar Ali Bhutto in 1945 aan Jinnah, “zijn de dodelijkste vijanden van onze Koran en onze Profeet”. De jonge knaap wist dat hij gezien zijn leeftijd weinig kon bijdragen aan de vorming van een nieuwe natie. “Maar de tijd zal komen waarin ik zelfs mijn leven voor Pakistan zal offeren.”

Bhutto hield woord, op een manier die hij zelf niet had durven voorzien. De oprichter en grootste leider van de Pakistaanse Volkspartij (PPP) heeft een groot deel van de geschiedenis in de afgelopen halve eeuw bepaald. Hij was de eerste werkelijk democratisch gekozen premier van Pakistan. Hij verving een militair regime door een populistische regeerstijl, maar werd in 1979 zelf het slachtoffer van militairen, toen generaal Zia ul-Haq hem liet ophangen. Zia, de man met de blikkerende glimlach, onderwierp Pakistan acht jaar lang aan zijn dictatuur en voerde een steeds verdergaande islamisering van de politiek in.

Daarna, vanaf 1987, is het politieke toneel in Pakistan afwisselend gedomineerd door Benazir Bhutto, de dochter van Zulfikar, en Nawaz Sharif, de leider van de Pakistaanse Moslim Liga en huidige premier. Maar op de achtergrond waart nog steeds het spook van militaire dominantie. Dat blijkt zowel uit de invloedrijke economische positie die veel 'militaire kooplieden' bekleden, als uit de manier waarop de relatie met buurman en vijand India tot de op de dag van vandaag wordt beleefd.

Weinig landen hebben zoveel met elkaar gemeen als Pakistan en India. Weinig landen ook hebben in hun korte geschiedenis als onafhankelijke staten zo vaak, drie keer namelijk, oorlog met elkaar gevoerd als deze twee. Het laatste openlijke conflict dateert van 1971, toen India Oost-Pakistan te hulp schoot in de strijd om een eigen Bangladesh. Maar in de Indiase deelstaat Kashmir, waar overwegend moslims wonen, is het tot op de dag van vandaag Pakistan dat separatistische moslimgroepen steunt.

Het is een praktijk die ver af staat van de 'verdedigingsalliantie' die Jinnah ooit voor beide landen voorstelde. 'Wederzijdse consultatie' zou volgens de stichter van Pakistan toekomstige conflicten voorkomen. Vijftig jaar later zijn de landen voor het eerst sinds jaren weer heel voorzichtig met elkaar in gesprek. Het onderlinge wantrouwen, grenzend soms aan paranoia, is echter overheersend.

Dat Pakistan de eerste halve eeuw heeft overleefd, zien sommigen als de grootste prestatie. Het is nog steeds een van de armste landen ter wereld. Net als in India is ook hier 'corruptie' het wachtwoord voor grote malaise. Het land waar moslims in vrede met elkaar konden wonen, dreigt verscheurd te worden door sectarisch geweld van sunni's en shia's, dat ook dit jaar tientallen doden heeft gekost.

“Er heerst paniek aan alle kanten”, zo omschreef een Pakistaanse commentator het volksgevoel in de aanloop naar de onafhankelijkheidsviering. Of de deling van het Brits-Indiase rijk voor Pakistan een goede zaak is, 'moet nog bewezen worden', zei Jinnah in 1947. Na vijftig jaar is het overtuigende bewijs nog niet geleverd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden