Beschouw Wilders als een democraat (opinie)

De vergelijking van de uitspraken van Wilders met de jaren dertig is onterecht en vooral contraproductief.

Het is weer eens populair. Het vergelijken van toen en nu. Nu is de situatie rond migranten, moslims, Wilders, toen de Republiek die voorafging aan Hitlers komst, de jodenvervolging, de Tweede Wereldoorlog.

Het is niet voor het eerst dat dergelijke vergelijkingen populair zijn. Eind jaren ’60, begin ’70 was het schering en inslag. Ook in Fortuyns tijd. En nu dus weer. Daarvoor zijn minstens drie redenen. De eerste is dat de Tweede Wereldoorlog altijd nog ervaren wordt als de bodem van de actualiteit. Dat zegt iets over de enorme invloed van deze gebeurtenis op Nederlanders. Het zegt iets over de benauwdheid van het huidige Nederlandse perspectief: alsof men niet wil zien dat de wereld die het resultaat was van de Tweede Wereldoorlog langzamerhand plaats heeft gemaakt voor een andere.

Die nauwe blik – en dat is de tweede reden voor die voortdurende verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog – verklaart dat men bij het ergste van het ergste altijd weer automatisch aan de Tweede Wereldoorlog denkt en niet aan recentere en daarom vermoedelijk veelzeggender drama’s als Srebrenica of de Hutsi’s en de Tutsi’s. Bijna elke Nederlander boven de, zeg, veertig is uitgerust met zoiets als een holocaustobsessie: de moord op de joden is het schrikbeeld bij uitstek. Deze obsessie werd elk van ons in de jaren zestig, zeventig, begin tachtig met de paplepel ingegeven en zal ook niet meer uit het systeem verdwijnen. In zoverre zal pas het uitsterven van de oudere generaties het mentale einde van de Tweede Wereldoorlog betekenen.

Uit een en ander vloeit de derde reden voort waarom de oorlog telkens weer van stal wordt gehaald: de politiek. De oorlog en alles wat daarmee van doen heeft biedt zowel rationeel (verklaring 1) als emotioneel (verklaring 2) ongeveer het krachtigste politieke argument denkbaar. Noem iemand een fascist en hij staat met de bek vol tanden. Vergelijk de huidige migratiepolitiek met de jaren dertig en de gaskamers doemen op. Zeg dat het heden je aan de Republiek van Weimar doet denken en iedereen ziet schreeuwende idioten, brandende toortsen en een Hitler die als spreekwoordelijke duivel uit het doosje floept. De oorlog of de jaren dertig, achteloos op één hoop gegooid, zijn daarom een heerlijk argument. Je krijgt veel (resultaat) voor weinig (inzet) – en geen denkwerk.

Beweer ik daarmee tevens dat elke historische vergelijking onzin is? Nee, dat zeg ik niet. Een verwijzing naar het verleden is alleen al niet geheel onjuist omdat hij onvermijdelijk is. We hebben namelijk niets anders. Alles wat we weten is gebaseerd op ervaring, alle ervaring stamt uit het verleden en dus kunnen we denkend en discussiërend niet anders dan naar dat verleden verwijzen. De vraag is dan ook: welk verleden gebruiken we voor welke actualiteit?

In dit geval: wat is de meest geschikte verwijzing als het over moslims, migratie en integratie gaat? De jaren dertig, toen joden gediscrimineerd werden, de 17de eeuw toen de Republiek, in het bijzonder Amsterdam uit een internationaal ratjetoe bestond of, derde mogelijkheid, het eind van de 19de eeuw toen de Vroomen en de Dreesmannen, de Clemensen en de Augusten (van C & A) op zoek naar een boterham door de Nederlandse dorpen trokken. In de 17de eeuw werd gediscrimineerd, in de 19de eeuw werd eveneens gediscrimineerd en in de 20ste eeuw gebeurde het nog steeds. De afloop was in het laatste geval echter anders.

De vraag is daarom in welke ’discriminatietraditie’ een man als Wilders hoort: in de laatstgenoemde, dan lijkt hij om gemelde redenen buiten de orde geplaatst; in de eerdergenoemde, dan moeten we hem misschien wel dankbaar zijn omdat hij terecht de vraag naar de grenslijn (discrimen) tussen het ene en het andere, het eigene en het vreemde en dus naar aard en richting van onze cultuur stelt. Helaas is het juiste antwoord op de vraag niet te geven – en wel om de simpele reden dat we de toekomst in tegenstelling tot het verleden niet kennen.

Toch heeft juist die ongekende toekomst voor mannen als Wilders een aardig lesje in petto, een historisch lesje wel te verstaan. De NSB was in de jaren dertig een volstrekt andere beweging dan tijdens de oorlog. Hoewel zij nooit democratisch is geweest, speelde de NSB het democratische spel tot mei 1940 aardig mee. Daarna niet meer. De les mag duidelijk zijn. Zolang iemand als Wilders functioneert binnen het huidige politieke kader is er niet veel aan de hand en mag hij, binnen de grenzen van de wet, doen en zeggen wat hij wil. Elke suggestie dat hij daarmee gaskamers metselt is niet alleen onterecht maar ook contraproductief.

Gevaar ontstaat pas als zo’n politieke rebel dankzij een externe macht of een overdosis aan stemmen de gelegenheid krijgt het huidige politieke kader en daarmee de grenzen van de wet te doorbreken. Dan is het voor hem én ons oppassen geblazen.

Gelukkig behoren een en ander voorlopig niet tot de mogelijkheden. En daarom is het ook juister en wijzer, denk ik, mannen als Wilders gewoon als democraat onder democraten te beschouwen. Een democraat met een afwijkende mening, dat wel. Maar dat is van de democratie ook precies de bedoeling.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden