Beschimmelde nostalgie

Historisch geograaf dr. H. Elerie is er nog steeds beduusd van. Jarenlang waren al zijn pleidooien voor behoud van het landschap tegen dovemansoren gericht, en nu ineens heeft hij maar liefst vier ministeries aan zijn zij. Stomverbaasd las hij de pretentieuze plannen die de ministeries van onderwijs, cultuur en wetenschappen (ocw), volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu (vrom), landbouw, natuurbeheer en visserij (lnv) en verkeer en waterstaat onlangs in hun gezamenlijke nota Belvedère presenteerden. ,,Historisch geografen worden ineens in de voorhoede gezet. Dat heeft me overvallen, mijn vakgenoten reageren net zo verbaasd als ik. Echt, ik word er opgewonden van.''

In Belvédere benoemen de vier bewindslieden 105 steden en 76 gebieden die een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben. Stedebouwkundigen, (landschaps-)architecten, planologen en en bestuurders moeten deze kaart bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen gaan gebruiken. Elerie vindt vooral de 'fysieke dragers' van belang die als basis voor deze kaarten dienen. Voorbeelden van zulke dragers zijn open beekdalen, eendekooien, zand- en klinkerwegen, herkenbare oude markegrenzen, rietcultuur, een kommenlandschap, en oeverwallen. ,,Zo'n beekdal, maar net zo goed een dorpsgezicht, is bepalend voor de identiteit van het landschap.''

Elerie promoveerde vorig jaar op een historisch onderzoek naar het gebied van de Drentse Aa. Hij is verbonden aan het Keuning instituut - dat de discussies over de ruimtelijke inrichting van het noorden van Nederland stimuleert - en adviseur van de vereniging Brede Overleggroep Kleine Dorpen in Drenthe. Bijna elke dag pleit hij ergens voor meer aandacht voor het landschap, maar nog nooit vond hij zoveel willige oren als nu. ,,De adrenaline stroomt hard'', erkent Elerie, ,,Dit is geen waan van de dag meer, het omslagpunt is nu bereikt. Historisch geografen moeten aan de bak, al zijn we nog niet helemaal voorbereid op deze nieuwe taak.''

Het begon al met de regeringsverklaring in de zomer van vorig jaar, waarin het kabinet expliciet stelde dat ,,de verscheidenheid van landschappen en steden en de eigen identiteit van de verschillende landsdelen behouden dienen te blijven''. Mooie woorden, dacht Elerie toen nog. Iets meer hoop kreeg hij toen ook minister Pronk in zijn zogeheten startnota ruimtelijke ordening in januari beloofde zich sterk te maken voor ,,een ruimtelijke strategie om de vitaliteit van het platteland te versterken''. Even later verscheen de nota 'Made in Holland' van de Raad voor het Landelijk Gebied, waarin ook werd bepleit de regionale verscheidenheid in Nederland als uitgangspunt voor de inrichting te nemen. En dan nu Belvèdere. ,,Natuurlijk zijn het nog niet meer dan papieren nota's, maar ik ben ervan overtuigd dat cultuurhistorie nu écht invloed op de inrichting van het landelijk gebied zal krijgen.''

Hij heeft het nog niet gezegd, of zijn telefoon rinkelt. Een lid van de Raad voor het Landelijk Gebied aan de lijn: dat ze met z'n allen langs willen komen om alles over zijn 'identiteitsstrategie' voor het gebied van de Drentse Aa te horen. Prioriteit nummer één van zo'n strategie, doceert Elerie, is dat alle gebruikers met elkaar om tafel worden genodigd. ,,Niet alleen de bestuurders, waterschappen, boeren en milieuorganisaties, maar ook de bewoners. In al die nota's wordt nauwelijks stilgestaan bij de woonfunctie van het platteland. Maar liefst acht miljoen Nederlanders wonen op het platteland. Wat willen die mensen, hoe kijken zíj tegen hun woonomgeving aan?''

Een goed voorbeeld vindt Elerie de discussie die de laatste jaren in de Drentse dorpen Zeijen en Zwinderen is gevoerd. Zeijen mag twintig nieuwe woningen bouwen, Zwinderen twaalf. Over één ding was iedereen het eens: de nieuwe woningen mochten niet ontaarden in 'witte schimmel', zoals die al te vaak in Drentse, Friese en Groningse dorpen is te zien. Witte schimmel ontstaat als nieuwkomers op zoek naar ruimte en rust aan de dorpsrand neerstrijken. Vaak kiezen zij een gestandaardiseerde woning uit een catalogus, die vervolgens door een aannemer op hun net verworven kavel wordt gebouwd. ,,Deze catalogus-huizen passen meestal absoluut niet bij de kleuren, vormen, materialen en het aangezicht van het dorp. Omdat ze goed en relatief goedkoop zijn, kunnen we echter niet meer om deze trend heen. We kunnen dus beter aan aangepaste catalogus-huizen werken.''

Te Zeijen en Zwinderen zijn daarom projectgroepen opgericht die criteria opstelden waaraan de nieuw te bouwen woningen moeten voldoen. Leden van de dorpsvereniging bogen zich samen met de deskundigen over de relatie tussen de toekomstige woningen en het landschap, over de overgang tussen dorp en buitengebied, over de toegestane beplanting (zoveel mogelijk bomen, struiken en planten uit de streek) en over de openbare ruimte. ,,Het resultaat gaat ver'', zegt Elerie trots, ,,In Zwinderen is bijvoorbeeld besloten dat een deel van de achtertuinen niet mag worden bebouwd. Achterop het erf mag geen schutting, tuinhuisje of schuurtje komen, hooguit een lage beukenhaag langs de schapenwei, want dat is typisch Drents. De plannen worden uitgevoerd in samenwerking met de nieuwe bewoners, die hiervoor veel ontvankelijker zijn dan je zou denken.''

Gestimuleerd door deze ervaringen, werkte Elerie mee aan een boek over cataloguswoningen van de Stichting Architecten Onderzoek Wonen en Woonomgeving (Stawon) dat binnenkort verschijnt. In dit boek, 'Ontspannen wonen', zijn voor vijf locaties ontwerpen gemaakt van cataloguswoningen die zo goed mogelijk zijn aangepast aan de sfeer en kenmerken van de streek. Geen uniforme snelle bouwsels meer voor het hele land, maar een 'bollendoos' of 'fine fleur' in de bollenstreek tussen Lisse en Sassenheim, of een 'polderleeuw' te Duurswold. ,,Het moet alleen niet één grote rurale idylle worden'', waarschuwt Elerie, ,,dat is de grote valkuil bij alle discussies over de identiteit van het landelijk gebied. Voor mij geen streekfolklore, oude ambachten, of parken met Saksische boerderijtjes. Gestandaardiseerde nostalgie is een ramp voor het platteland.''

Een tweede waarschuwing vindt hij zo mogelijk nog belangrijker: pleit niet louter voor behoud van het bestaande. Vernieuwen mag, moet, mits bij elke ontwikkeling maar gedacht wordt aan de relatie tot dat wat er al is, en zelfs tot de (historische) achtergronden van de plek of streek. ,,Een landschap kan je niet stilzetten, dat moet je juist levend houden. Maar dat doe je door goed over het verleden na te denken: dat gebeurt nog veel te weinig.''

De historisch geograaf heeft zich bijvoorbeeld gestoord aan het ministerie van lnv, dat besloot een boerderij tussen Anloo en Schipborg die tijdens de Eerste Wereldoorlog door Berlage is gebouwd, tot landgoed te bestempelen. ,,Berlage bouwde het als akkerbouwbedrijf, met een prachtig open terrein. Nu worden er echter bossen aangeplant, nota bene met duizenden guldens subsidie, zodat de hele zaak dichtgroeit. Zelfs de mooie, open oprijlaan wordt dichtgezet met bomen, terwijl Berlage het als open landschap heeft getekend.''

En juist die openheid, stelt Elerie, kenmerkt van oudsher dit deel van de Drentse Aa. Bossen zijn er in andere delen van Drenthe genoeg, dus waarom juist hier weer bossen worden geplant? De ratio ontgaat hem. ,,Bovendien staat het haaks op de nota Belvèdere, waarin de open en onbebouwde beekdalen en escomplexen juist zo worden geprezen.''

Overigens ware het beter geweest als de vier ministeries de Drentse Aa níet als Belvèdere-gebied aangewezen hadden, stelt Elerie. Begrijp hem goed, geen grotere fan van de Drentse Aa dan hij, maar dan wel van een grotere Drentse Aa dan de ministers voorstaan. ,,Prachtige overgangsgebieden, aan de rand van de Drentse Aa, vallen buiten de boot. Neem Roderwolde en Foxwolde, waar het keileemplateau in het laagveen overgaat. Ecologisch en cultureel gezien het neusje van de zalm, maar nét geen Belvèdere.''

Helaas begaat de rijksoverheid volgens Elerie opnieuw de fout om teveel van bovenaf te dicteren. Bij het aanwijzen van de zogeheten Vinex-wijken ging het net zo: waarom moet de rijksoverheid bepalen waar de steden mogen uitbreiden, zoals zij in 1993 deed? ,,Het rijk had de invulling van de Belvèdere-gebieden aan de provincie moeten overlaten. Nu beperkt het zich tot het formuleren van ideaaltypen, met als gevolg dat andere bijzondere gebieden blijvend vergeten worden. Waarom is Ameland, dat zéér interessante dorpsstructuren heeft, overigens geen Belvèdere en Terschelling wel?''

Helaas is dat definiëren, aanwijzen en begrenzen van bijzondere gebieden steeds meer een trend, kritiseert Elerie. Ook Pronks startnota ruimtelijke ordening is met het onderscheiden van 'parels' (,,gebieden die bijzonder waardevol zijn voor natuur, landschap en open ruimte, cultuurhistorie, water en recreatie'') op de verkeerde weg. ,,Er is geen land dat op zo'n kleine schaal zoveel contrasten heeft als Nederland. Neem hier de overgang van de essen naar het beekdal, of van heideveld naar beekdal. Juist zulke contrasten moeten behouden blijven: als je teveel gebieden expliciet benoemt, onstaan elders witte gebieden die achter zullen blijven.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden