Beschermers van arme zwartjes

Rob Schouten las graag jongensboeken over Hollandse helden. Je leerde ervan dat Nederland deugde.

In al die oude jongensboeken gedragen Nederlanders zich onuitgesproken bazig tegenover de gekleurde medemens Chauvinistische, patriottistische, laat staan nationalistische gevoelens hebben bij mij nooit veel kans gehad. Een enkele brok in de keel bij het Wilhelmus daargelaten voel ik me vooral een wereldburger of toch minstens een cultuur-Europeaan. Als je opgroeit in een tijd dat de muren tussen protestanten, katholieken en socialisten geslecht worden, terwijl om je heen hippies en provo's hun letterlijk grenzeloze vrijheidsdrang uitproberen, en de huisvrouwen eindelijk hun keukens verlaten, voel je vanzelf dat er meer op het spel staat dan zoiets kneuterigs als het vaderland.

Het voornaamste wat me nog bij de vaderlandse les hield waren de jongensboeken. Want hoe complex de tijden vroeger ook waren geweest, de boeken die ik in mijn jeugd las deden er buitengewoon eenvoudig over.

Neem de oorlogsjaren, die ik zojuist faliekant gemist had: gouden tijden voor vaderlandse helden. Terwijl het elders (bijvoorbeeld in de volwassenenliteratuur bij monde van Harry Mulisch en W.F. Hermans) langzamerhand tot Nederland doordrong dat het niet alleen helden had voortgebracht, leerde ik van boeken als 'Engelandvaarders' van K. Norel dat Nederlanders zonder blaam waren, Duitsers hartstikke slecht en over de Joden had-ie het helemaal niet.

Als klap op de vuurpijl behelsde het verhaal zelfs een ouderwetse bekeringsgeschiedenis. De held van het verhaal, Urker visserszoon Evert Gnodde, bekeert zijn socialistische vriend Jan tot het christendom. Ja, wat wil je, het socialisme deugde natuurlijk niet, je moest protestant wezen. Jan: "'Ik wou dat ik zo was opgevoed als jij', barst hij eensklaps radeloos uit. 'Jij kent maar één weg. Die de dominees je wijzen. En je weet vast dat dat de goede weg is. Maar ik... Mijn vader was socialist (...) ik weet het niet langer... ik weet het niet.'" Op die boodschap zat ik als ontzuilende angry young man beslist niet te wachten.

Wat ik de zwart-withelden uit de Tweede Wereldoorlog, generatiegenoten van mijn ouders, niet gunde, te weten ongenuanceerdheid, gunde ik hun voorgangers wel, misschien omdat ze er als historische figuren toch niks meer aan konden doen: Batavieren, Geuzen, zeehelden en Afrikaanse Boeren.

Vooral de Tachtigjarige Oorlog deed het goed. Mijn favoriete boek was 'De hamer van Hein Haksteeg' van de vergeten schrijver P. de Zeeuw, net als de meesten van deze auteurs onderwijzer. Daarin raakt een fijne protestantse jongen in de Beeldenstorm verzeild, waar hij zich wonder boven wonder zelf niet aan bezondigt. Eigenlijk een nogal onverwacht gegeven, want verder zijn de kaarten duidelijk geschud: de protestanten hebben het bij het rechte eind, de katholieken zitten ernaast, en de Spanjolen deugen van geen kanten.

Dat is het patroon in al die boeken, of ze nu over het beleg van Haarlem, Alkmaar of Leiden gingen en of ze nu door W.G. van de Hulst, H. te Merwe of P. de Zeeuw geschreven waren. Je kon dus als jonge lezer maar beter protestant zijn, de vaderlandslievende markt leek geheel in (orthodox-)protestantse handen.

Ik heb ooit een katholiek jongensboek over diezelfde tijd gelezen, van een zekere Alphons Timmermans die mij vroeg de Gorcumse martelaren te vereren. Dat was me te veel gevraagd: priesters als dappere strijders.

Ook de Gouden Eeuw, waar wij als helden van de Tachtigjarige Oorlog uiteraard recht op hadden, grossierde in avontuurlijke helden van Nederlandsen bloede. Johan Fabricius' 'De scheepsjongens van Bontekoe' bijvoorbeeld, jonge oer-Hollandse avonturiers in een gevaarlijke wereld vol monsters, verraders en enge volkeren die ten slotte toch weer goed thuiskwamen, In Vlissingen vanzelfsprekend, geboortestad van die ultieme Hollandse held: Michiel de Ruyter. En dan natuurlijk 'Paddeltje', scheepsjongen van diezelfde De Ruyter, allemaal verraad, gekonkel, spionage, moord en doodslag. Als je het objectief bekeek was De Ruyter bij schrijver Johan Been een even erge zeerover als de Moorse hoofdman Il Tigretto, maar zo kijkt de hoera-patriot natuurlijk niet. Wat je van al deze boeken leerde was dat Nederland deugde, en dat het maar goed was dat ons land het centrum van de wereld was.

Maar het lag ook allemaal wel dik in het verleden. Voor wat recentere helden was je aangewezen op onze verre familieleden, de Afrikaanse Boeren. L. Penning schreef erover, titels die ik verslond: 'De held van Spionkop', 'De leeuw van Modderspruit'. Wat wij Nederlanders inmiddels verleerd waren, verrichtten Pennings Boeren rond de vorige eeuwwisseling in Zuid-Afrika. De vijandige, xenofobe blik waarmee vroeger de Geuzen en de Paddeltjes naar andersdenkenden en buitenlanders keken, richt zich bij hen vooral op de gehate Engelsen. Maar en passant krijg je toch heel wat kolonialistische bijvangst mee; zo worden de swartmense uitgesproken paternalistisch behandeld.

Heel subtiel, haast ongemerkt wordt je duidelijk gemaakt wie er de baas waren, bijvoorbeeld als deze Boerenvrouw de Zoeloe Christiaan prijst: "'Ik ben er al aan gewoon', zeide zij; 'het is niet de eerste keer. Ik ben te Colenso reeds in de vuurlinie geweest, en Christiaan heeft mij dapper geholpen - kom Christiaan weer aan het werk!'"

Ook in latere jongensboeken loop je voortdurend tegen de vaak onuitgesproken bazigheid van Nederlanders jegens de gekleurde medemens aan. Zelfs de gevierde jongensboekenschrijver J.B. Schuil van 'De Katjangs' en 'De Artapappa's' laboreerde eraan. Gerard Reve legde de vinger op de wond toen hij schreef dat "de schrijver tegen alle onrecht, dat de gekleurde jongens wordt aangedaan, zeer fel van leer trekt, maar tegelijkertijd, uit een vermoedelijk hemzelf niet bewust superioriteitsgevoel, hen allerlei huishoudelijke, bijna slaafs trouwhartige en met dienstbaarheid verbonden eigenschappen toedicht".

Misschien heeft dat blanke beschermheerschap jegens de arme kleurling wel meer kwaad gezaaid dan de openlijke discriminatie waaraan sommige ergere schrijvers zich bezondigden. In 'Malle gevallen', 'kluchtig verhaal' van de totaal weggedeemsterde schrijver Hans Martin bijvoorbeeld, wordt de plaatselijke 'katjang' als een pure lafaard beschreven die tijdens een heus duel van angst flauwvalt en het in zijn broek doet: "'En verschoon je eerst, dat heb je noodig. Want zoo zit je er op', treiterde Boy, doelend op katjangs ongewonen, wijdbeenschen gang, die op onraad wees." Om nog maar te zwijgen van het onverholen racisme dat schrijver Willy van der Heide in zijn Bob Evers-serie tentoonspreidde, als zijn personages het hebben over "de noodzakelijkheid om negers te vangen, want zonder die zwarten werden er geen kolen geschept". Met dat soort demonstratief racisme hoefde je bij ons, kinderen van de ontzuiling, bevrijding en emancipatie niet meer aan te komen. Zwart, geel en blank waren gelijk. Even later begrepen ook de jongensboekenschrijvers dat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden