Beschermengel van het dorp

Jo Stoel 1922-2016

Het halve dorp had bij haar in de klas gezeten. Ze bleef er de 'juffrouw' toen ze in de grond begon te zoeken.

Begeleid door de vrolijke klanken van de mars 'Les Montagnards' verliet ze definitief haar dorp. Met de harmonie St. Antonius voorop reed de lijkwagen donderdag de Kapelstraat uit, een laatste groet van het Midden-Limburgse dorp Lomm, ingeklemd tussen de Maas en de Duitse grens. Het merendeel van de duizend dorpelingen had bij haar in de klas gezeten, daarom bleven ze haar aanspreken als juffrouw Stoel, ook al had ze zeker drie decennia niet meer voor de klas gestaan.

Ze was oud geworden, veel ouder dan ze zelf had verwacht met haar zeven ziektes, zoals ze die zelf noemde. Lang bleef ze vitaal en opgewekt, en ze hief tot aan haar einde nog graag een lied aan, in het Limburgs of Duits, haar lievelingstalen. Ze had het halve dorp zingen geleerd en de muzikanten van de harmonie geïnspireerd.

Tijdens de oorlogsjaren was Jo Stoel terechtgekomen in de streek. Bij toeval, want de trein waarmee ze wilde ontkomen aan de Duitse omscholing voor onderwijzers, was 's avonds laat in Venlo gestopt. Ze was afkomstig uit het zuiden van de provincie, uit de mijnstreek. Daar was haar Kampense grootvader beland toen hij als ingenieur in Amsterdam ontslagen was wegens de spoorwegstaking van 1903. Eerst was hij naar Duitsland gegaan, en vervolgens had hij werk gevonden in de Limburgse kolenmijnen. Ook haar vader Klaas was ingenieur. Als ondernemer ontwierp en bouwde hij kolenwagons die zeer in trek waren. Daarmee werd hij rijk en hij had als een van de eersten in de streek een auto. Jo kon zich later de ritjes in het 'Citroentje' met drie zitplaatsen goed herinneren.

Het gezin telde drie kinderen, van wie zij de oudste was. Haar gezondheid was broos: lactose-allergie, Engelse ziekte, later beenmergontsteking. Zij en haar zus Greetje liepen tuberculose op. Daaraan overleed Greetje. In het ziekenhuis hoorde ze haar vader zeggen dat hij liever haar had verloren dan Greetje. Toch was ze vol bewondering voor haar vader, ook al zou hij haar ook misbruiken.

Als meisje speelde ze graag op de Brunssummerheide. Daar werd haar liefde voor de natuur geboren. Ze was ook een pientere leerling. Op de ulo kreeg ze een negen voor geschiedenis en ze was goed in rekenen en later wis- en natuurkunde. Maar voor een meisje lag daarin geen toekomst. Ze ging naar de kweekschool en haalde haar onderwijsakte in 1941. Op verscheidene scholen in Zuid-Limburg deed ze als invaller ervaring op, totdat de Duitsers haar in 1943 opriepen voor nazistische scholing.

Vet eten

Op de vlucht kon ze in Venlo terecht als kindermeisje bij een advocaat. Vanwege beenmergontsteking ging ze op doktersadvies bij boeren in de kost, waar het eten vetter was. Toen er gevochten werd aan het Maasfront werd ze samen met de dorpelingen ten noorden van Venlo geëvacueerd naar het Drentse Roden. Daar gaf ze les aan de Limburgse kinderen. Sindsdien raakte ze vergroeid met die gemeenschap.

Terug in Limburg wilde ze het klooster in. Haar vader was een protestant die vanwege zijn huwelijk katholiek was geworden. Haar moeders vader was van Joodse komaf en was eveneens voor zijn vrouw katholiek gedoopt. Het roomse geloof had Jo gegrepen. Maar de discipline in het Dominicaner klooster in Venlo stond haar tegen. Van moeder-overste moest ze, om haar deemoed te beproeven, stoelen afstoffen van onder naar boven. Erger vond ze haar biechtvader. Toen ze biechtte dat ze was misbruikt, zei hij: "Maar je bent ook een heel mooi meisje". Ze kreeg weer tbc en moest het klooster verlaten.

Ze keerde terug naar de dorpen en werkte als invalkracht. In 1956 kreeg ze een aanstelling op de lagere school van Lomm. Daar zou ze altijd de eerste en tweede klas lesgeven.

's Zondags, na de ochtendmis, ging ze met kinderen de natuur in waarover ze honderduit wist te vertellen. Ze ontfermde zich over zieke en gewonde dieren. Altijd was er wel een kind dat een sneu vogeltje bij haar afleverde.

In 1961 kocht ze een nieuw huis op een hoek van de Kerkhoflaan. Haar adres werd op haar verzoek gewijzigd in Maasveldstraat. De gemeente kon haar moeilijk iets weigeren, dat zou later ook nog blijken.

Ze was vasthoudend en overtuigd van haar gelijk. Als ze haar zin niet kreeg, dan kon ze venijnig zijn. Of wat neerbuigend bij mensen die ze als haar mindere zag. Als onderwijzeres was ze gewend om in het middelpunt van de aandacht te staan en ook in het dorpsleven behoorde ze al gauw, als 'juffrouw' Stoel, tot de notabelen. Mensen in problemen konden bij haar terecht. Ze hielp ook met geld, soms ongevraagd en anoniem.

In haar jonge jaren liftte ze eens per week naar Utrecht om Duits te studeren. Ze haalde haar MO-A-akte en een jaar later ook de B-akte, maar ze bleef op de lagere school werken tot haar pensioen in 1981, dat vervroegd werd wegens epilepsie.

Noormannenkamp

Toen ze tijd genoeg had, stortte ze zich op historisch en archeologisch onderzoek. Ze was de spil van een historische werkgroep, waarvoor ze vijftig mensen wist te interesseren. Dagenlang zat ze in het gemeentearchief van Venlo waar ze meters documenten ordende. In het buitengebied werd ze een bekende verschijning in modderige laarzen, een lange jas en een hoedje, met een grondboor in de aanslag. Ze was vooral gefascineerd door een verloren Noormannenkamp aan de Maas in de negende eeuw, dat volgens haar in de buurt moest hebben gestaan. Het bewijs vond ze niet, maar wel veel andere bijzonderheden die ze nauwkeurig te boek stelde. Ze combineerde archiefwerk met bodemonderzoek en dat was bijzonder. Het trok de aandacht van beroepsarcheologen.

Een van hen, Bob Beerenhout, kwam bij haar over de vloer. "Wil je mijn zoon worden?" vroeg ze hem. "Dat moet je aan mijn moeder vragen", zei Beerenhout geamuseerd. Steels keek ze in zijn adresboekje en belde zijn moeder op. Die vond het goed en zo kreeg ze een zoon die altijd over haar zou blijven waken, al woont hij met zijn partner in Amsterdam.

Toen zij voor het eerst van haar leven de zee wilde zien, nam hij haar mee naar Zandvoort. Ze vond er niets aan, er was niets te zien. Het Limburgse land was veel mooier.

Ze was erbij toen de fundamenten van een middeleeuwse watermolen werden ontdekt. Toen een ontgrinder toestemming kreeg om die fundamenten te slopen, kwam zij daartegen in het geweer. Ze was een geduchte actievoerder en kreeg haar zin. Burgemeester Léon Frissen van de toenmalige gemeente Arcen en Velden zei destijds dat hij 'haar wel kon vreten'. En niet uit liefde.

Met haar werkgroep ijverde juffrouw Stoel ook voor het herstel van het bouwvallige kasteel Arcen, waarvan ze ook een voorloper ontdekte. De kasteeltuinen zijn nu een attractie. Overal waar ze iets historisch vermoedde, kwam ze in actie. Haar laatste bezwaarschrift diende ze in 2010 in.

Met tegenzin verliet ze haar dorp in 2012 om naar een verpleeghuis in Grubbenvorst te gaan. Na de mis nam ze afscheid van het dorp. "Ik ben bijna negentig maar niet kapot te krijgen. En als ik in de hemel kom, dan zal ik goed voor Lomm blijven zorgen."

Haar geheugen liet haar steeds meer in de steek. Ze wist het. "Ze hebben mijn hersens gestolen en weggegooid", zei ze."Gewoon in de pedaalemmer."

Als iemand haar meenam voor een ritje, dan was ze gelukkig. Ze zong dan weer uit volle borst over het schone Limburgse land.

Johanna Gertruda Maria Stoel werd geboren in Brunssum op 22 november 1922. Ze stierf in Grubbenvorst op 17 augustus 2016.

In Naschrift beschrijft Trouw het leven van onlangs overleden bekende of heel gewone mensen. Een tip voor Naschrift? Mail naar naschrift@trouw.nl Of per post naar Trouw/Naschrift, postbus 859, 1000 AW Amsterdam

'Ik ben bijna negentig maar niet kapot te krijgen. En als ik in de hemel kom, dan zal ik goed voor Lomm blijven zorgen.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden