Bescheidenheid siert de biograaf

De biografie is in Nederland de afgelopen jaren uitgegroeid tot een populair literair genre. Toch krijgen biografen vaak te horen dat zij het verkeerde pad volgen, schrijft Léon Hanssen, zelf in de weer met leven en werk van Piet Mondriaan. „Sinds Virginia Woolf kunnen we spreken van een regenboogcomplex onder biografen, voortkomend uit hun teleurstelling achter te blijven bij de ’echte’ literaire auteurs.”

De Soldaat van Oranje heeft zich postuum weer van zijn beste kant laten zien. Kortgeleden werd bekendgemaakt dat de in 2007 overleden verzetsman een deel van zijn erfenis heeft gereserveerd voor een tweejaarlijkse prijs van vijftienduizend euro, de Erik Hazelhoff Biografieprijs. In aanmerking komen alle oorspronkelijk Nederlandstalige levensbeschrijvingen, in de voorafgaande twee jaar verschenen bij uitgeverijen hier te lande of in Vlaanderen.

Dit initiatief lijkt het zoveelste bewijs dat de biografie in Nederland uit haar kinderschoenen is gegroeid. De feiten zijn er ook naar. Vier van de vijf titels die onlangs genomineerd waren voor de Grote Geschiedenis Prijs 2009 behoorden tot het genre. De winnaar is dan ook een biograaf: Jolande Withuis voor haar boek over verzetsheld Pim Boellaard (’Weest manlijk, zijt sterk’).

Tegelijk krijgen Nederlandstalige biografen om de haverklap te horen dat zij het verkeerde pad volgen en het stempel van volwassenheid nog niet verdienen. Een tiental jaar geleden demonstreerde Michaël Zeeman in het tijdschrift Feit & Fictie dat de volledigheidsdrang van ’s lands biografen ongewild tot dwaze vertoningen leidt. Zij verliezen zich in oeverloze feitenproductie zonder zich vragen te stellen over de selectie van hun informatie en de gekozen invalshoek. Methodeloos.

Willem Otterspeer, biograaf van Bolland en thans verwachtingsvol in de weer met W.F. Hermans, formuleerde in het vakblad Biografie Bulletin een kritiek die daar enigszins haaks op staat. Volgens Otterspeer moeten biografen ermee ophouden geleerden te willen zijn, want de levensbeschrijving is bij uitstek het genre van de antiwetenschappelijkheid. Selecteren, rubriceren, analyseren, systematiseren: allemaal flauwekul. Een biograaf hoort één ding te doen: schrijven – subliem schrijven. Hij is geen knip voor de neus waard als de ambitie een literair meesterwerk te schrijven niet vooropstaat.

Waren deze vingerwijzingen al voldoende om biografen in een spagaat te manoeuvreren, recentelijk kwam daar een derde kritiek bij. De Maastrichtse hoogleraar Maaike Meijer verwijt in een interview met alweer Biografie Bulletin de Nederlandse biografen dat zij er een conservatieve agenda op nahouden. In de glorieuze wijze waarop zij hun helden een „doelbewuste, naar de top voerende ontwikkeling” laten doormaken, poetsen zij de invloed van dood en verlies in het mensenleven weg. Hun veronderstelling dat het individu in staat is ’de boel bij elkaar’ te houden is een humanistisch kindersprookje. De Nederlandse biografie blijkt volgens Meijer (die voor komend jaar een biografie van de dichteres M. Vasalis op stapel heeft staan) nog steeds niet volgroeid, want „als er vervolgens een veld vol grafzerken wordt gecreëerd, waar zijn we dan mee bezig?” Het zou de hoogste tijd zijn alles ter discussie te stellen en het genre te ’vitaliseren’.

Linksom, rechtsom – het is niet goed. De discussie doet denken aan de schrijfster Virginia Woolf die de feitelijke werkelijkheid waaruit ze haar stof putte, vergeleek met onplooibaar graniet dat ze met al haar verbeelding coûte que coûte wilde omvormen in een kleurige regenboog. De regenboog van „zo zou het moeten zijn”. In haar biografische roman ’Orlando’ (1928) bijvoorbeeld beschrijft zij het meer dan drie eeuwen omvattende leven van een tijdloos dertigjarige, die intussen van een jonge knappe man in een dito vrouw verandert. Een leven larger than life dankzij de magische hand van de verbeelding.

Sinds Virginia Woolf kunnen we spreken van een regenboogcomplex onder biografen. Het lijkt een heus syndroom, voortkomend uit hun teleurstelling telkens achter te blijven bij de ’echte’ literaire auteurs en door het publiek voor suffe feitenfetisjisten te worden versleten.

Maar het is de vraag of de biografie daarmee niet uit het spoor slipt waarvoor zij als apparaat is ontworpen: het documenteren en zo waarachtig mogelijk in kaart brengen van iemands leven in de productieve verbondenheid met diens werk, omgeving en tijd. Tegenover de hybris die vakgenoten elkaar in navolging van critici en oververhitte uitgevers aanpraten, mag het oude adagium gelden dat bescheidenheid de eerste deugd hoort te zijn van elke biograaf. Er heeft nog nooit een biograaf de Nobelprijs voor literatuur gewonnen.

Piet Mondriaan, wiens biografie ik voorbereid, had de gewoonte elke brief, elke kaart die hij ontving zo snel mogelijk af te handelen ten einde ze, zoals hijzelf tegenover een briefpartner bekende, „naar gewoonte, daarna plechtig te verbranden”. Toen de architect J.J.P. Oud hem voorhield dat kunstenaarsbrieven later best waardevol zouden kunnen blijken, antwoordde hij vriendelijk doch overtuigd: „Je kunt correspondentie niet bewaren. Het betreft een geheim tussen twee personen en gaat niet jezelf alleen aan. Je mag zoiets nooit laten slingeren!” Fijntjes tekende Oud hierbij aan dat de geheimen in Mondriaans correspondentie heus niet van staatsgevaarlijke aard waren.

De verbazing van Oud over Mondriaans rituele briefverbrandingen is goed voorstelbaar, maar ook het feit dat de kunstenaar zich daaraan overgaf. Aangetrokken als hij was tot ’het hogere’, zal de verbeeldingskracht van de regenboog hem oneindig meer hebben gefascineerd dan de aardse zwaarte van het graniet. De harde levensfeiten stonden bij hem geheel in dienst van een bovennatuurlijk plan: de zelfverwezenlijking van de Schoonheid op aarde. Zelfs zijn schilderkunst achtte hij ondergeschikt aan dat ideaal. Als eenmaal de absolute Schoonheid in onze wereld gerealiseerd zou zijn, zouden de Mondriaans om zo te zeggen als dorre bladeren van de bomen mogen vallen. De schilderijen zouden hun werk hebben gedaan en overbodig zijn geworden. Waarom dan briefkaartjes bewaren?

Een brieveneditie van deze schilder is altijd een hersenschimmig ideaal gebleven. Sinds 1978 heeft de internationale werkgroep Mondriaan Correspondentieproject negenhonderd van de naar schatting ruim elfhonderd brieven van de kunstenaar in fotokopie bijeengebracht. Tien jaar later moest de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek de subsidie beëindigen omdat betrokkenen niet reageerden op herhaalde verzoeken om verslaglegging. Weer tien jaar later stelde Lien Heyting in NRC Handelsblad vast dat de brievenverzameling ’voor een groot deel’ was zoekgeraakt. Uitzicht op de integrale publicatie van de Mondriaancorrespondentie, een zaak van internationaal cultureel belang, leek verder weg dan ooit. In die situatie is thans, ruim dertig jaar later, nauwelijks verandering opgetreden – zij het dat de overblijfselen van het werk verricht door de Mondriaan Correspondentiewerkgroep inmiddels uit de nalatenschap van een van de leden tevoorschijn zijn gekomen en voor onderzoek beschikbaar liggen in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie te Den Haag. Tijdens het voorbereidende werk aan de biografie van Mondriaan zijn er bovendien in binnen- en buitenland nog vele tientallen brieven gevonden.

Het is allerminst een gevolg van toevalligheden, maar van gunstige condities en gezond beleid dat Nederland de grootste en beste Van Goghcollectie ter wereld herbergt en bovendien het mondiale centrum is van kennisproductie over en omtrent de kunstenaar. De geweldige nieuwe brieveneditie die afgelopen maand in boekvorm en op internet is verschenen, vormt daarvan het treffendste bewijs. Zulke omstandigheden ontbreken voor Mondriaan, de man die door Amerikanen met Rembrandt en Van Gogh tot de drie grootste Nederlandse kunstenaars aller tijden wordt gerekend. Het Haags Gemeentemuseum bezit weliswaar de omvangrijkste Mondriaancollectie ter wereld, maar het belangrijkste deel van diens oeuvre, de schilderijen uit zijn ’klassieke’ abstracte periode (1920-1944), is daarin ondervertegenwoordigd – een situatie die door het binnenhalen van de (langzamerhand overgewaardeerde) ’Victory Boogie Woogie’ voor veertig miljoen dollar slechts gedeeltelijk kon worden gecompenseerd.

Het modderen in Mondriaanland mag geen excuus zijn initiatieven te annuleren in afwachting van betere tijden. Het zou een nodeloos en onmachtig gebaar zijn. Nederland heeft de verplichting te zorgen voor een zo verantwoord mogelijk uitgave van niet alleen de brieven, maar ook van de talloze prozateksten die Mondriaan heeft voortgebracht. Van de verspreide geschriften – uit een periode van dertig jaar waarin de kunstenaar respectievelijk in het Nederlands, het Frans en het Engels schreef – bestaat nog geen betrouwbare editie. Een serieuze biografie van de schilder is er tot dusver evenmin gekomen. Welaan, zult u vragen, waarom talmt gij nog?

De autodafe van brieven, zo plechtig door Mondriaan bedreven, heeft mede tot gevolg dat je voor biografische kennis omtrent zijn leven en werk goed moet luisteren naar stemmen uit het vuur. In het briefverkeer was hij een afwachtende die pas in actie kwam als iemand zich tot hem richtte. Als sociaal wezen getuigde Mondriaan van een uitgesproken teruggetrokken karakter.

De redacteur van The New Yorker die hem kort na zijn verhuizing opzocht in zijn atelierwoning aan 353 East 56th Street viel in opperste verbazing: de schilder wist zich niet eens van een telefoon te bedienen. „I am happily always alone”, zei Mondriaan, terwijl hij de verslaggever zachtjes naar de deur terugdrong.

De journalist kon zich troosten met de gedachte dat het niet aan hem persoonlijk lag. Toen de kunstenaar eens weken achtereen had gewerkt zonder een levend wezen te zien, was een goede vriend bij hem langsgekomen om te informeren of alles wel goed was. „I am not seeing anyone this week”’, zou Mondriaan hebben gezegd terwijl hij zijn vriend zachtjes uitgeleide deed. Voor zoveel trouw aan het kluizenaarschap kon de journalist van The New Yorker maar één woord vinden: spectacular!

De biograaf moet de achterklap van derden kennen om de held te kunnen naderen. En schiften wat laster en wat zaligspreking is, wat overdrijving is en wat commentaar behoeft. Zo geeft de anekdote uit The New Yorker van 1 maart 1941 een eenzijdig beeld van de kluizenaarsmentaliteit die Mondriaan bezat. Eenzijdig omdat er ook voorbeelden van het tegendeel te noemen zijn.

De veertig jaar jongere Amerikaanse schilder Harry Holtzman, die Mondriaan financieel in staat stelde van Europa naar de Verenigde Staten te emigreren toen nazi-Duitsland zijn macht uitbreidde, heeft later meermaals vol enthousiasme verteld over zijn eerste onaangekondigde bezoek bij de grote kunstenaar in Parijs, eind december 1934. „Met een lichte siddering besloot ik domweg op Mondriaans deur op Rue du Départ 26 aan te kloppen, brutaal, onaangekondigd, terwijl ik alleen wachtte totdat de duisternis van de namiddag helemaal was gevallen.” Toen Mondriaan de deur opende had de vreemdeling zich voorgesteld, en daaraan toegevoegd dat hij speciaal uit Amerika was gekomen om hem te ontmoeten.

„This is very unusual”, zou Mondriaan hebben gezegd. Hij liet hem binnen. De conversatie die zich vervolgens ontspon was zo levendig dat beiden niet opmerkten dat het inmiddels pikdonker was geworden. Pas toen Mondriaan anderhalf uur later een gaslamp aanstak, kon de jonge Amerikaan vaststellen hoe de kunstenaar eruitzag. „En we pakten de draad van het gesprek weer op en waren onmiddellijk vrienden.”

Wat Robert Craft betekende voor de ruim veertig jaar oudere Igor Stravinsky, werd Holtzman voor Piet Mondriaan: interpreet, apologeet, inspirator. Maar de betekenis was omgekeerd nog veel groter. In een testamentaire beschikking van 16 april 1942 werd Holtzman door Mondriaan aangewezen als zijn ’universele erfgenaam’. Toeval of niet, vanaf dat ogenblik begonnen de prijzen voor het werk van de Hollandse meester opvallend te stijgen.

Onlangs is een brief van Holtzman aan een collega-schilder in New York boven water gekomen, waarin hij ’heet van de naald’ verslag doet van zijn eerste ontmoeting met Mondriaan. Daaruit blijkt dat deze gebeurtenis minstens twee maanden later was dan altijd werd aangenomen. Sommigen zullen de schouders ophalen over zulke details, maar het zijn deze verspringende aders in het graniet die nauwgezet onderzoek belangrijk maken. Zij staan borg voor het element van de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid waardoor de biografie zich fundamenteel van de pure non-fictie onderscheidt.

Studie van de geschiedenis moet worden voortgedreven door het gezonde principe dat zij wantrouwend stemt ten aanzien van haar eigen zekerheidsideaal. (Als bestudering van het verleden iets oplevert, dan is het onzekerheid.) Tegelijkertijd moet zij geen moment bereid zijn dat ideaal in te leveren, bijvoorbeeld door lacunes in de feiten te dichten met veronderstellingen en verzinsels.

Wat bezielt een biograaf dat hij bereid is jaren en jaren te jagen op een ontbrekend stukje in de kolossale puzzel? Het is de hogere onbaatzuchtigheid van de historicus, het zich gewillig in dienst stellen van de macht van het verleden, wat een maximum aan genoegen oplevert als de wil om te weten bevredigd wordt, bijvoorbeeld door een onverwacht gevonden brief.

In het buitenland verschijnen sinds jaar en dag biografieën van de meesters met wie Mondriaan momenteel in een grote expositie in het Haags Gemeentemuseum verenigd is: Cézanne en Picasso. De veelgeroemde biografie van laatstgenoemde door John Richardson, ooit begroot op vier delen, is met drie verschenen delen pas tot het jaar 1932 gevorderd, terwijl Picasso met het uitblazen van zijn laatste adem heeft gewacht tot liefst 1973. De vier delen lijken daarmee veel te krap bemeten. Inmiddels heeft de 85-jarige biograaf wereldkundig gemaakt dat hij het werk voor gezien houdt. Hij vindt zichzelf te oud. Is zijn streven daarmee mislukt?

Ik heb in de internationale pers geen stem vernomen die zegt dat Richardson de lat lager had moeten leggen of dat hij had moeten volstaan met een hapklare biografie in één deel dat hij voor zijn eigen dood had kunnen voltooien.

Gelukkig hoor ik die kritiek nu ook niet op de biografie van Gerard Reve door Nop Maas, het eerste deel nog maar van een drieluik.

In Nederland bestaat onder critici een merkwaardige vooringenomenheid tegen groots opgezette biografieën die rusten op de principes van feitelijkheid en chronologie. Criticasters gaan er vaak van uit dat dergelijke biografieën alleen nog in Nederland bestaan (wij lopen immers in alles vijftig jaar achter, alleen gunstig als de wereld vergaat). Maar niets is minder waar – zie Richardson.

Als tegenhanger van de feitenbiografie pleitte wijlen Michaël Zeeman in 1996 voor een model waarin „een even particuliere als markante visie op de retorica van de biografie” gepaard gaat met een zo groot mogelijke scherpzinnigheid in de reflectie over ’de band tussen leven en werk’. Hij sprak in het bijzonder over de Virginia Woolf-biografie van Hermione Lee, een inderdaad magistrale levensbeschrijving die vaker als schoolvoorbeeld wordt genoemd.

Maar zo’n sterk gecondenseerde biografie als van Lee (in Groot-Brittannië geschaard onder het genre van de ’romantic biography’) was pas mogelijk op basis van enorm veel voorwerk: de uitgave van Woolfs brieven en dagboeken en een lange reeks biografieën met een groot scala aan visies. Zo’n traditie ontbreekt in Nederland vooralsnog, de prestaties in de afgelopen jaren niet te na gesproken.

Het streven naar de productie van harde kennis moet voor de biograaf zwaarder wegen dan de wil de lezer te behagen. Betekent dit een volharden in het creëren van de velden vol grafzerken waarover Maaike Meijer vol afgrijzen sprak? Dat levensbeschrijvingen de onvermijdelijke route van geboorte tot dood nalopen is een gegeven zo oud als er überhaupt levens worden naverteld. Een biografie heeft het paradoxale karakter van zowel een bevestiging van de dood als een ontkenning ervan. In die dubbelheid schuilt het intrigerende van het genre.

Toch voel ik veel sympathie voor Meijers oproep om het humanistische sprookje te ontregelen, om te morrelen aan de biografie waarin het individu als de hoofdingenieur van zijn eigen levenslot optreedt. Mephistopheles zegt in Goethes ’Faust’: „Du glaubst zu schieben, und du wirst geschoben.” Je denkt je leven zelf te sturen, maar intussen word je mooi gestuurd.

Mijn voorstel zou zijn om aansluiting te zoeken bij speltheorieën, zoals gelanceerd door historicus Johan Huizinga (’Homo Ludens’, 1938). Cultuur, zegt hij, komt voort uit spel en ontwikkelt zich als spel. Is dit waar, dan moet je ook een levensloop, met al zijn successen en mislukkingen, in dat licht kunnen zien. De taak van de biografie moet niet zijn andermans leven eeuwig onder een kaasstolp te bewaren. De biograaf moet op basis van harde feiten en met behulp van speltheorie en conflictlogica een overtuigende visie ontwikkelen op de manier waarop iemand tot zijn prestaties is gekomen – door noodzaak en toeval, door geluk en ongeluk en met de creatieve benutting van wanorde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden