Bescheiden bouwer

Max de Jonge 1930-2015

Drijvend op de resten van een ingestort huis, voelde hij dat hij een opdracht had in het leven.

Als klein kereltje stond de toekomst hem al helder voor ogen. "Later als ik groot ben, wil ik huisjesbouwer worden", zei hij. Dat was wat hij om zich heen zag. Zijn vader was een kleine aannemer in Kapelle-Biezelinge, bij Goes op Zuid-Beveland, die zich nergens te goed voor voelde. Hij timmerde zelfs doodskisten.

Max was de tweede zoon en het vijfde kind in het aannemersgezin. De jongen was meer dan welkom, nadat een zusje op 2-jarige leeftijd was gestorven. Samen met zijn oudere broer was hij voorbestemd om ooit het bedrijf van zijn vader over te nemen.

Toen Max op de hbs in Goes leerde werken met een rekenliniaal, paste hij dat meteen toe. Hij rekende alle calculaties van zijn vader na en hij leek geknipt voor het vak. Als student bouwkunde in Delft was hij al aardig op weg om zelf huisjesbouwer te worden, toen het noodlot toesloeg.

Met zijn vriendin die hij drie maanden kende, ging hij op de laatste dag van januari 1953 een weekeinde logeren bij een zus en haar man in Dreischor op Schouwen-Duiveland. Het was gevaarlijk weer, met storm en springtij. Zijn zwager was dijkgraaf en hij ging 's nachts nog even buiten kijken. Om twee uur kwam hij in paniek terug: "Allemaal naar boven", riep hij. "De dijk is doorgebroken." Met wat eten en drinken gingen ze naar de zolder. Daar wachtten ze op hulp, terwijl het water bleef stijgen.

Tegen de ochtend merkte Max dat het huis wankel begon te worden en zou kunnen instorten. Hij vond dat ze allemaal op het dak moesten klimmen, maar ze waren te koud en te moe. Hij smeekte, maar ze wilden niet. De hele zondag bleven ze op zolder, met alleen uitzicht op klotsend water. 's Avonds stortte het huis in.

Max kwam bij bewustzijn met zijn hoofd in een gat waar de schoorsteen had gezeten. Het huis was weg, hij dreef met het dak als vlot op het water. Hij was alleen.

Het leek hopeloos. Toch had hij gevoel dat hij het zou redden, alsof er engelen met hem meedreven. God zou hem zou helpen.

Toen de restanten van het dak vastliepen, klauterde hij over wrakhout, boomstammen en dode koeien naar de wal. Weken later werden zijn zus, zwager en vriendin gevonden. Max was de enige overlevende.

Maar het moeilijkste moest nog komen. Hij moest zijn ouders gaan vertellen dat ze een tweede dochter hadden verloren. Dat zou hem tot op hoge leeftijd blijven dwarszitten.

Hij voelde zich schuldig dat hij als enige van het viertal de Watersnood had overleefd. Een half jaar lang kon hij niet studeren. Uiteindelijk besloot hij dat hij niet zomaar was gered, dat hij een opdracht had in dit leven. Alleen was hem niet meteen duidelijk wat die opdracht was.

Toen hij in 1957 toch zijn ingenieurstitel behaalde, bleek zijn toekomst niet zo zeker meer. Zijn broer zat al in de aannemerij van zijn vader en ze zaten niet te wachten op een derde man met eigen opvattingen. Max moest elders een baan gaan zoeken.

Die vond hij in Eindhoven, op het bureau dat de bouw van een technische universiteit moest voorbereiden en begeleiden. Met zijn zes jaar jongere vrouw Anneke verhuisde hij in 1959 naar Nuenen, toen nog een boerendorp aan de rand van Eindhoven. Ze kozen voor dat dorp omdat daar een hervormde kerk was en ook een protestantse school. Max hield het maar een paar jaar vol op het bouwbureau; het ergerde hem dat hij drie formulieren moest invullen om potloden te krijgen. Hij werd leraar op de hts in Tilburg. Dat was een goede basis voor een praktijk als architect in Nuenen.

Hij verwierf al gauw opdrachten in het dorp dat snel aan het uitbreiden was met mensen die bij Daf en Philips in Eindhoven werkten. In de regio bouwde hij rijtjeswoningen, villa's, scholen en sporthallen.

Max bleef een nuchtere Zeeuw. Bij hem geen architectonische fratsen en grillen, maar degelijkheid waar je wat aan hebt. "Mensen die een huis bouwen, doen de grootste uitgave van hun leven", zei hij. "Ik moet op hun portemonnee passen alsof die van mezelf is." Aannemers lieten het uit hun hoofd om hem te beduvelen, want hij kende hun vak en desnoods kon hij zelf een muurtje metselen.

De zaken liepen goed, en hij kon al gauw een huis met praktijk in de kelder bouwen aan de beboste rand van het dorp. Op het hoogtepunt had hij zeven tekenaars in dienst. Zijn vrouw Anneke deed de administratie en had de eerste zorg voor hun drie dochters.

Toen hij een grote opdracht voor een bejaardentehuis kreeg, besloot hij drastisch uit te breiden. Hij trok twee jonge bouwkundigen aan, die mede-eigenaar werden. Anneke trok zich terug, en er kwam kantoorpersoneel. Maar Max werd er niet gelukkiger van. Zijn medefirmanten bleken geld belangrijker te vinden dan hij. Zijn werk veranderde ook: hij werd meer regelaar dan architect.

Na zeven jaar besloot hij uit zijn eigen zaak te stappen en opnieuw klein te beginnen. De praktijk kwam weer aan huis. Hij ging zelf weer tekenen. Op het hoogtepunt had hij vijf tekenaars in dienst. Anneke werkte als vanouds mee in het bedrijf. Ze bouwde ook andere activiteiten op.

Na een bezoek aan hun dochter die in Ethiopië werkte als arts in een leprakolonie, was zij in 1987 kleren gaan inzamelen om de berooide en verstoten lepralijders te kleden. Dat had een grote vlucht genomen en ze was er druk mee. Via contacten van Max kreeg ze ook afgekeurd maar bruikbaar bouwmateriaal voor het lepradorp, vooral deuren. Dat kwam van pas bij de bouw van een sociaal centrum en een school die nu de beste van Addis Abeba is. Overtollig materiaal werd verkocht in Ethiopië. Dat bracht zoveel op dat Max dertien jaar geleden besloot dat er een deurenfabriekje moest komen, waar leprapatiënten werk zouden vinden. Dat kostte veel tijd om voor elkaar te krijgen, en pas nu in 2015 is de fabriek startklaar.

Nadat hij op zijn 65ste gestopt was als architect, werd hij een drijvende kracht achter de bouw van een nieuwe protestantse kerk in Nuenen. Om belangenverstrengeling te voorkomen, wilde hij een andere architect. Hij was alleen 'meedenker'. Toen de ruwbouw klaar was, coördineerde hij de vrijwilligers die de kerk voltooiden.

Een jaar of zeven geleden kreeg Max het moeilijk met zijn herinneringen aan de Watersnood. Na hun 50-jarige huwelijksfeest, ging hij met Anneke, kinderen en kleinkinderen naar de dijk waar hij was aangespoeld. Daar vertelde hij het hele verhaal aan zijn nageslacht. Toen hij bij het moment kwam dat hij zijn eigen ouders op de hoogte moest brengen van de dood van hun dochter, kwam hij niet meer uit zijn woorden.

Terug in Nuenen gingen ze een appartement voor ouderen bekijken, die Max zelf een kwart eeuw eerder had ontworpen. Een kamer met een hooggeplaatst raam benauwde hem. "Hier wil ik niet slapen", zei hij, want hij wilde altijd kunnen vluchten. In tien gesprekken met een psycholoog wist Max zijn herinneringen te temmen. En ze verhuisden naar de seniorenwoning van eigen makelij.

Drie jaar geleden kreeg hij last van blaaskanker, die zestien eerder met succes was behandeld. Deze keer leek genezing niet mogelijk. Anneke, die in haar jonge jaren verpleegster was geweest, zou hem tot het einde verzorgen. Hij had er vrede mee. Hij had de opdracht vervuld die hij op het drijvende dak had gekregen.

Marcus Adriaan de Jonge werd geboren op 8 december 1930 in Kapelle-Biezelinge, Zeeland. Hij stierf op 15 juni 2015 in Nuenen, Noord-Brabant.

In Naschrift beschrijft Trouw het leven van onlangs overleden bekende of heel gewone mensen. Een tip voor Naschrift? Mail naar naschrift@trouw.nl Of per post naar Trouw/Naschrift, postbus 859, 1000 AW Amsterdam

"Later als ik groot ben, wil ik huisjesbouwer worden", zei Max de Jonge als kind.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden