Bescheiden allemansvriend met eigen wil

Het was een vaststelling uit de hoek van aangetrouwden: met medemensen als Go zal er nooit meer oorlog zijn. Haar leven stond in het teken van saamhorigheid, van mensen binden. Dat had als complicatie dat ze niet één mening had, maar een mening voor iedereen. Als die verschillende puzzelstukjes werden gelegd, bleef het weleens de vraag wat ze werkelijk bedoelde.


Door het vervullen van al die rollen, liefst op de achtergrond, was ze het cement van een hecht gezin waarin nieuwkomers met liefde werden ontvangen. Tegelijkertijd had ze haar eigen wil. Als haar wat dominantere man Ton suggereerde dat ze iets anders moest doen, was haar Limburgse verzuchting: "Laot mich maor gewehr."


Go van der Zande deed het dus op haar manier. Daarbij was haar bescheidenheid geenszins een belemmering om het avontuur te zoeken en waar nodig kordaat op te treden. Zoals in de oorlogsjaren met klusjes voor het verzet, of daarna met verre van ongevaarlijk werk in Nederlands-Indië.


In Roermond had Go een beschermde, onbezorgde jeugd genoten in gegoede katholieke kringen. Dat veranderde toen haar vader als belastinginspecteur werd overgeplaatst naar Leiden. In het Westland bleek de combinatie van een Limburgse tongval en een roomse opvoeding geen gelukkige. Op de meisjes-HBS werd ze gepest, voelde ze zich geïsoleerd en beleefde weinig vreugde aan de wijze waarop ze door schade en schande weerbaar werd.


Het werd nog moeilijker toen haar vader in 1941 overleed. Met broers en zussen die studies volgden, was de gedroomde opleiding tot vroedvrouw te kostbaar. In Den Haag deed ze de verpleegstersopleiding in het St. Johannes de Deo ziekenhuis. Daar stond ze, zo luidde de anekdote, op een dag samen met zuster Concordia pontificaal in wit uniform op het dak om overvliegende Duitse piloten te waarschuwen dat het een ziekenhuis betrof.


In het Carolus Ziekenhuis in Den Bosch volgde ze de opleiding kraamverpleegster. Ze woonde intern bij een familie buiten het centrum in De Vliert. Ze was diep geschokt toen ze hoorde dat de straat was getroffen door een V1 , het huis was verdwenen en haar gastgezin omgekomen.

Boodschapper in het verzet

Go vestigde zich bij haar moeder in Oegstgeest als zelfstandig zieken- en kraamverpleegster. Ze kreeg werk bij een opvangcentrum van de kerk. De pastoor regelde een Ausweis als Durchgangslagerschwester en een bij de functie behorend rijwiel. In combinatie met haar verpleegstersuniform was ze onverdacht en werd door vriendinnen uit het verzet ingeschakeld als boodschapper. De enveloppen gingen in de lange onderbroek, waarvan de pijpen door haar moeder van extra strak elastiek waren voorzien.


Go werd ook gevraagd als nachthoofd van een huis voor ondervoede zuigelingen in Leiden. Het gejammer van de kinderen overstemde het geratel van een illegale drukpers in de kelder. Toen de Duitsers een inval deden, voorkwam Go een ramp door de Duitsers af te schrikken met waarschuwen voor tyfus.


In de hongerwinter ondernam ze met een collega in uniform een fietstocht van vijf dagen op zoek naar voedsel langs grote boerderijen bij Haarlem, IJmuiden, Alkmaar, Warmerhuizen, Hoorn en Purmerend. In de fietstassen zat als ruilmateriaal gebrande koffiebonen, gebreide sokken, wol, puddingpoeder, zout, lucifers en veiligheidspelden. Ze hadden er weinig aan. De verwachte dik belegde boterhammen en maaltijden vielen tegen, de oogst voor thuis was mager en de tocht langs autoskeletten en het gebombardeerde vliegveld was deprimerend.


Ze heeft het voor de kinderen vanuit haar geheugen gedetailleerd opgetekend in het boek 'Herinneringen aan mijn jeugd' dat ze in 2015 voltooide. In 2007 had ze al de wekelijkse brieven die ze van 1946 tot 1949 vanuit Nederlands-Indië naar haar moeder stuurde gebundeld. Die geven een beeld van de moeilijke omstandigheden waaronder ze daar werkte.


Aangetrokken door het avontuur reageerde ze op een oproep van het Rode Kruis. Go was pendelzuster op de boten tussen Batavia en Rotterdam, een reis van zes weken. En ze werkte onder meer op West-Java voor lokale ziekenhuizen en trok er met een mobiel team op uit om zieken te verzorgen in de kampongs. Met haar handyman, chauffeur Wim Hogestijn, zou ze tot haar overlijden contact houden.


Lang niet altijd werd gereisd onder militair escorte, altijd was er de kans om door Indonesische vrijheidsstrijders te worden beschoten of bedreigd. Wekelijks bezocht een dokter slechts drie keer een uur de poliklinieken, verder moest ze de behandeling van hongeroedeem, tropenzweren en tyfus met beperkte middelen zelf opknappen.


De plaatselijke bevolking was bang om door blanken te worden geholpen, toch won ze het vertrouwen. Ze was trots op haar werk, op de medaille van verdienste in brons en het herinneringskruis 1940-1945 met de gesp Indonesië 1945-1950. Ofschoon ze niet graag ergens mee te koop liep, zat de veteranenspelt altijd op haar jas. De medaille van het Rode Kruis wilde ze op de kist. Maar toen de burgemeester het echtpaar met hun 65-jarig huwelijk kwam feliciteren, mocht dat niet voor een foto in de krant.


Dat Nederlanders in Indonesië ook goed werk hebben verricht, vond ze onderbelicht. Over de juistheid van de politionele acties hield ze zich neutraal. Het feit dat ze ook in militaire kringen verkeerde, en daar kapitein Ton van der Zande ontmoette, zal daar niet vreemd aan zijn geweest. Ton was staffunctionaris, en ook de dirigent van het militaire orkest die voor de nachtmis van Kerstmis 1947 een gemengd zangkoortje zocht. Zo vonden ze elkaar voor een vruchtbaar huwelijk van 67 jaar.

Engeltje in de hemel

In 1958 werd met zes kinderen een huis in Apeldoorn betrokken. Treurig was daar de dood van de driejarige Monique, het tweelingzusje van Mariska, die met een hartafwijking was geboren. De kinderen werden die ochtend bij elkaar geroepen en kregen van moeder te horen dat het overlijden een positieve gebeurtenis was. Ze hadden een zusje als engeltje in de hemel. Go's zus Hetty, een kunstenares met enige bekendheid, had de tweeling vereeuwigd op een schilderij dat altijd een prominente plaats in huis had.


Ook Go was creatief, al kwam dat pas echt aan de oppervlakte toen haar werkzame leven als moeder en operatiezuster erop zat. Eindelijk tijd voor zichzelf. Of mogelijk was ze te bescheiden geweest in de schaduw van de getalenteerde Hetty. Ze kon zingen, toneelspelen en muziek maken. Samen met Ton, die als luitenant-kolonel besloot niet nogmaals te verhuizen en wiskundeleraar werd, maakte ze de poppen waarmee poppenkast werd gespeeld voor de speeltuinvereniging. Ook de kerststal was eigen fabrikaat.


Sportief vond het gezin zich in hockey bij Ares, waar vader op het bestuurlijk vlak actief was en moeder voor het clubblad. Thuis hoorde iedereen erbij, ook buurtbewoners die argwanend werden bejegend. Zoals de acht broers en zussen die vanwege hun wratten eng werden gevonden. Go moedigde aan om gewoon met hen te spelen. Later vervulde ze voor haar geadopteerde kleinkinderen en de schoonkinderen die een eigen ouder misten elk een eigen vertrouwelijke rol. Ze wierp zich niet op als moeder, maar werd het wel.


De kinderen werden met kerkbezoek in de katholieke sfeer opgevoed, en daarin op de middelbare school vrijgelaten. Zelf raakte Go wat verwijderd van de kerk, niet van het geloof. Ze betreurde het dat de kerkelijke leiders met de veranderende maatschappelijke opvattingen bleven vasthouden aan hun dogma's. Ze schrok van de excessen op het gebied van kindermisbruik. Ze vond dat vooral erg voor haar oudere broer Jan, een vooruitstrevend priester, die in haar ogen ook dat stempel opgedrukt kreeg.


De laatste twintig jaar woonde ze met Ton in een aanleunwoning van een serviceflat. Daar had ze haar kleine atelier waar ze ondanks reuma beeldhouwde en schilderde. Het perspectief klopte niet altijd. Dat stond Ton als wiskundige tegen. Hij wierp zich wel op als lijstenmaker, zodat de kunstwerken met waardering van de bewoners de gangen van de serviceflat opsierden.


Eind 2015 lag het echtpaar in comateuze toestand in het ziekenhuis, hand in hand in aanpalende bedden. Na al die lange, zinvolle jaren samen vertrekken, dat leek de kinderen een mooie afronding. Go deed het tot verbazing van iedereen op haar eigen manier. Ze ontwaakte na drie dagen en informeerde bij de dokter of haar man wel de goede behandeling kreeg. Toen het zover was, werd ze met de ambulance naar het crematorium vervoerd.


Daar nam ze vanaf haar hoge bed afscheid van haar geliefde, en bloeide zelfs kortstondig weer op.


Margaretha Maria (Go) van der Zande-Kluijtmans werd op 29 januari 1920 geboren in Roermond en overleed op 5 januari 2017 in Apeldoorn.


Ze was bescheiden en graag een vriend van iedereen. Toch deed ze alles het liefst op haar eigen manier.


Go van der Zande werkte voor het Rode Kruis in Nederlands-Indië.


Go was creatief, al kwam dat pas echt aan de oppervlakte toen haar werkzame leven als moeder en operatiezuster erop zat

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden