Beschaving dwangbuis voor allen

Jean Jacques Rousseau was een rebel. Terwijl zijn tijdgenoten bewonderend spraken over vooruitgang, sprak hij over verval. Waar anderen hoog opgaven van de mensheid, zag Rousseau in de maatschappij een kwaad. ,,De beschaafde mens leeft en sterft als een slaaf. De zuigeling wordt in kleren gewikkeld, het lijk vastgespijkerd in de kist. Wij zijn gevangen in onze instituties.''

Yoram Stein

'Vrijheid, blijheid', de slogan uit de jaren zestig waar Nederlanders zich nu enigszins geïrriteerd van af hebben gekeerd, was Rousseau op het lijf geschreven. Net als de babyboomers was hij hyperindividualitisch én hartstochtelijk op zoek naar een commune. De maatschappij ervoer hij als een ijzeren kooi waar de mens uit diende te ontsnappen. Terug naar de natuur, klonk zijn boodschap in het pre-revolutionaire Frankrijk. Want van nature is de mens goed.

Zonder Rousseau had de Franse Revolutie misschien wel nooit kunnen plaatsvinden. Alle kwaad komt van de beschaving, peperde hij zijn tijdgenoten in. Kijk maar naar de verderfelijke uitvinding van het privé-bezit. Hoeveel tweedracht zaait het niet door arm en rijk te scheiden? En dat terwijl eigenlijk iedereen gelijk is, riep de voorloper van Karl Marx uit. De maatschappij moest nodig anders.

Hij was zijn tijd ver vooruit: hij leefde op het hoogtepunt van de Verlichting, maar stond met één been in de Romantiek. Vertrouw op je gevoel, leerde hij, gebruik je verbeelding. Dat levert betere mensen op dan enkel uit te gaan van het dorre verstand. Voed je kinderen vrij op, onderwees de man die zijn eigen kinderen in weeshuizen achterliet. Laat de jeugd niet verkommeren in de dwangbuis die 'beschaving' heet. ,,Almachtige God'', smeekt Rousseau. ,,Bevrijd ons van de verlichting onzer vaderen: voer ons tot eenvoud, onschuld en armoede, de enige goederen die ons geluk bevorderen.''

Deze revolutionaire ideeën komen hem naar eigen zeggen aanwaaien op een dag in oktober 1749. Die dag leest hij dat de Academie van wetenschappen van Dijon een prijsvraag heeft uitgeschreven voor het beste antwoord op de vraag 'Of het herstel van kunst en wetenschap de zeden helpt verlichten?' Al wandelend denkt hij erover na. Dan, als door de bliksem getroffen, beseft Rousseau dat het juiste antwoord een hartstochtelijk 'NEE!' behoort te zijn. Een inzicht dat hem zo overweldigt dat hij in onmacht valt aan de voet van een eik.

Als hij weer bij komt, weet hij wat zijn doel in het leven zal zijn: de beschaving in staat van beschuldiging stellen. Hij zal laten zien dat deze beschaving geen vooruitgang, maar juist achteruitgang heeft gebracht. Rousseaus antwoord op de prijsvraag, het Vertoog over kunsten en wetenschappen -waarin de auteur stelt dat de primitieve mens ooit in harmonie leefde met zichzelf en de natuur, maar door luxe en gekunsteld gedrag gecorrumpeerd is- wordt door de Academie bekroond. Het geschrift wordt al snel beroemd, en zijn ideeën vormen het gesprek van de dag. De koning van Polen is zo enthousiast dat hij de filosoof een antwoord schrijft, en de koning van Frankrijk wil hem persoonlijk ontvangen. Maar nu hij de ware aard van de beschaving ontmaskerd heeft, wil Rousseau niet meer schitteren tussen de gepoederde pruiken in de salons. Zijn aristocratische kleding en zijn degen legt hij af. Als zoon van een horlogemaker wil hij zelfs geen horloge meer. Een eenvoudig mens wil hij zijn. Want eenvoudige mensen, dat weet hij zeker, zijn moreel beter dan de intellectuele elite.

Het is ook deze elite die met kritiek op zijn werk komt. Rousseau had gesteld dat de beschaving corrumpeert, maar was de gevallen mens niet altijd geneigd tot alle kwaad? En hoe luidde zijn oplossing eigenlijk: terug naar de Middeleeuwen? Met name bij Voltaire zette zijn radicale verwerping van de verlichtingsidealen kwaad bloed: ,,Nooit werd er zoveel geest gespendeerd om ons dom te maken'', schreef hij spottend. ,,Men voelt de neiging om op vier poten te gaan lopen.''

Maar Rousseau liet het er niet bij. Weliswaar had hij het rijke leven vaarwel gekust, maar ondertussen bleef hij -logerend bij welgestelde vrienden met wie hij steevast ruzie kreeg- werken aan zijn aanval op de beschaving. Niet de zondeval had de mens gecorrumpeerd, schreef hij in het 'Vertoog over de ongelijkheid' -'zijn tweede boek tegen de mensheid', aldus Voltaire-, maar de hebzucht, waaruit de ongelijkheid was voortgekomen. ,,De ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij: dat was hij die als eerste een stuk grond omheinde, zich verstoutte te zeggen: 'Dit is van mij', en onnozelaars trof die hem geloofden. Hoeveel misdaden, oorlogen, moordpartijen, ellende en verschrikking waren het mensengeslacht niet bespaard als iemand toen de palen had uitgerukt of de gracht had dichtgegooid, en had geroepen: ,,Luister niet naar deze bedrieger: je bent verloren als je vergeet dat de vruchten van de aarde van iedereen zijn en de aarde van niemand''.

Van 1754 tot 1762 schrijft Rousseau, ondanks de vele ruzies met zijn gastheren, belangrijke werken, zoals 'Het sociaal contract' en 'Emile of over de opvoeding'. In dat eerste boek maakt hij duidelijk dat het onmogelijk is terug te gaan naar de idyllische beginsituatie. Hoe verderfelijk de invloed van de beschaving ook is (,,De mens wordt vrij geboren, en overal ligt hij in ketenen...''), terug naar het paradijs zit er niet in. In plaats daarvan, pleit hij voor een nieuw samenlevingsmodel, waarbij alle macht aan de burgers zélf is. Deze macht mag niet gebruikt worden voor eigen belangen. Om te voorkomen dat de samenleving uit louter egoïsten bestaat, moeten mensen voortdurend 'sociale contracten' met elkaar afsluiten: ieder individu moet dan bij zichzelf te rade gaan wat het algemeen belang van het collectief is, en zich bij deze 'algemene wil' neerleggen.

Het verschijnen van 'Emile' zorgt echter voor een schandaal. Het boek, waarin hij aanraadt kinderen in de natuur op te voeden, geheel vrij en zonder dwang, wordt verboden om zijn atheïstische inhoud. Er wordt een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd. Rousseau moet vluchten. Tijdelijk vindt hij wel onderkomen, maar nergens kan hij lang blijven. Daarvoor zijn zijn vijanden te talrijk: de autoriteiten zien hem als een gevaarlijke revolutionair, de progressieve intellectuelen als een sentimentele romanticus, de kerk als een goddeloze ketter.

Na tal van omzwervingen keert Rousseau terug naar Parijs. Daar schrijft hij zijn biografie af, die hij dezelfde titel zou geven als de beroemde autobiografie van Augustinus: 'Confessiones'. Hij doet ontzettend zijn best om begrepen te worden, en schrijft een reeks dialogen onder de titel 'Rousseau als rechter van Jean Jaques'. Op straat deelt hij het pamflet uit 'Tot elke Fransman die de waarheid nog lief heeft', maar niemand heeft interesse.

Uiteindelijk berust hij dat hij onbegrepen blijft, wat blijkt in zijn late werk 'Overpeinzingen van een eenzaam wandelaar'. Op 2 juli 1778 sterft Rousseau. Zijn negatieve kijk op onze cultuur heeft deze 224 jaar overleefd. De Franse Revolutie, elf jaar na zijn dood, maar ook het socialisme en de milieubeweging zijn door zijn denken beïnvloed. Napoleon zag al in dat de schok van Rousseau's filosofie blijvende onrust kon veroorzaken. Bij diens graf zei hij: ,,Het was beter geweest voor de rust van de mensheid als deze man nooit had geleefd''.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden