Bert Schuurman

Bert Schuurman (66) heeft een fenomenaal geheugen. Talloze malen refereert hij aan flarden poëzie en literatuur of uitspraken van theologen die hij ooit las. Degene die hij het rijkelijkst citeert is Friedrich-Wilhelm Marquardt, een Berlijnse theoloog, van huis uit lutheraan, leerling van Bultmann en Barth. In de ideeën van Marquardt vindt hij een sterke bevestiging van wat hij zijn hele leven al aan het zoeken is: niet de theologie op zichzelf, maar theologie in zoverre die behulpzaam kan zijn voor kerk, prediking en diaconaat. Het eigenlijke gebeurt in de gemeente. Als er geen gemeente meer is, bestaat er ook geen theologie meer.

Marquardt zegt drie dingen die belangrijk zijn voor de kerk: in onze postmoderne tijd waarin geschiedenis aan het verdwijnen is, is het van groot belang dat de kerk de traditie van Tora en evangeliën blijft behoeden. Dat er één instantie is die de band met het verleden levend en sterk houdt. Ook moet de kerk een groep mensen zijn rond de arme Jezus.

Jezus was een jood. Je kunt niet meer fatsoenlijk kerk zijn, als je niet in alle bescheidenheid tracht in gesprek te zijn met wat het jodendom tot op de dag van vandaag te zeggen heeft. En dan moet de kerk ook bij de armen zijn. Zo weeft Marquardt drie concentrische cirkels rondom Jezus: de arme Jezus, het arme jodendom en de armen. Je kunt pas goed met elkaar vieren en genieten als er eerst het bijbellezen is en die drie cirkels rond Jezus van Nazareth.

Bert Schuurman komt uit wat hij zelf omschrijft als een 'degelijk gereformeerd milieu'. “Mijn ouders stonden beiden in de traditie van de Afscheiding (de uittocht uit de hervormde kerk van 1834). Ze hadden een grote eerbied voor God: de vreze des Heren. Bevindelijk, eigenlijk.”

Na het christelijk gymnasium, waar hij zijn vrouw leerde kennen, ging hij theologie studeren aan de Vrije Universiteit. “Ik heb daar nooit spijt van gehad. Het privilege van mijn beroep is dat ik zowel met mensen als met teksten mag werken en dat ik die met elkaar in verbinding mag brengen.”

Tijdens zijn studie werd hij beïnvloed door Barth en Miskotte. Hij volgde af en toe Miskotte's colleges in Leiden en zat onder diens gehoor als deze preekte in de Willem de Zwijgerkerk in Amsterdam. Hij werd gemeentepredikant, eerst in de Alblasserwaard, later in Voorburg.

“Ik vond het heerlijk om met mensen om te gaan, heerlijk ook om te preken. De kerken waren nog vol. Iedereen werkte mee, de deuren gingen open, de zuilen waren aan het verdwijnen: het was lente in kerkelijk Nederland.”

Door het schrijven van een scriptie over een boekje van Luther, was hij diep onder de indruk geraakt van diens werk. In 1965 promoveerde hij op diens 'twee-rijkenleer'. “Luther was springend, creatief, altijd anders dan je dacht: moeilijk systematiseerbaar. Een ramp om een dissertatie over te schrijven.”

Midden jaren '60 nam de belangstelling voor de Derde Wereld toe. Vanuit de optimistische gedachte: als we nu maar voldoende mensen, geld en technologie inzetten, wordt het daar ook goed. “Men geloofde toen heilig in de vooruitgang: nog eventjes, dan heeft iedereen het goed. Het was de tijd van de gigantische loonexplosies. Ik wilde wel een tijd naar een Derde-Wereldland. Er kwam een plek vrij aan Isedet, een theologisch instituut in Buenos Aires, Argentinië. In 1966 zijn we daar met vier kinderen onder de elf jaar, naar toe gegaan. De vijfde is daar geboren.” Tien jaar doceerde hij ethiek en inleiding in de geloofsleer. Net in de tijd dat de bevrijdingstheologie geboren werd.

“In Buenos Aires trof ik een bloeiend, oecumenisch theologisch instituut aan. Met vele protestantse stromingen, maar toch een grote homogeniteit. De staf kwam elke maandagmiddag bijeen om na te denken over de vraag: wat dragen wij bij aan de veranderingen die in Latijns-Amerika gaande zijn? We hadden studenten uit allerlei milieus: Indianen, middenstanders, rijken. Allen waren overtuigd dat er in Latijns-Amerika een andere vorm van christendom moest komen dan er tot dan toe heerste. Het huwelijk tussen kerk en staat, troon en altaar moest opgeheven worden.”

Veel pastores die aan Isedet gestudeerd hadden, maakten hun gemeentes duidelijk dat de werkelijkheid van God zichtbaar gemaakt moet worden in de maatschappij. Er werden basisgemeenschappen gesticht waar - mede door christelijke inzet - wezenlijke veranderingen tot stand werden gebracht: doktersposten, riolering, onderwijsprojecten.

De ervaringen in Latijns-Amerika herkent hij in de theologie van Mar-quardt. “Een groot deel van de vernieuwingen berust op het opnieuw lezen van de bijbel met armen en Indianen die over jouw schouder meekijken en zeggen: “Maar ik hoor daar iets heel anders!” Voor het eerst in vijfhonderd jaar christelijke overheersing zijn Indianen volwaardige gesprekspartners. Wat in Europa het contact met de Joden is, is in Latijns-Amerika de omgang met de Indianen.

In 1976 keerde het gezin terug naar Nederland. Schuurman werd wetenschappelijk hoofdmedewerker in Kampen. “Het leek me goed het Latijns-Amerikaanse verhaal in verbinding te brengen met de Nederlandse werkelijkheid.” Drie jaar later werd hij predikant voor missionaire toerusting in Arnhem.

Een lijn in al deze ervaringen zoekt hij in de buurt van het woord gratuiteit. “Ik ben verzot op het woord gratuïteit. Bij Augustinus wil dat zeggen dat de genade van God niet causaal is, het is 'om niet.' Die ervaring herken ik. Als kind verwonderde ik me erover dat er leven is, dat ik er mag zijn.”

Ik was negentien, toen Paul Rodenko in twee bundels de poëzie van de Vijftigers introduceerde: Nieuwe griffels, schone leien. Daarin staat een zinnetje, dat heel belangrijk voor me is geworden, ook in mijn theologische bestaan. Dat zinnetje luidde: 'De nieuwe moderne poëzie herinnert ons eraan dat het om te motief niet het enige motief is waaruit wij mogen leven. Een boom is niet een hoeveelheid kubieke meter hout om te kappen; een vrouw is niet een ding om te zoenen' (het was nog de patriarchale tijd). Respect zonder de vraag naar de utiliteit. Dat vind ik prachtig. Ik hoop dat je in je leven en in je theologie elkaar niet gebruikt, maar dat je van elkaar geniet. En dat je elkaar laat zijn zoals je bent, in de bonte veelvormigheid van het bestaan.''

Bert Schuurman kan zich goed voorstellen dat jonge mensen moeite hebben met instituten en vooral met het instituut kerk. Maar het probleem van de kerken is ook het probleem van de politieke partijen. “God beware ons dat mensen geen lid meer zouden zijn van een partij, een vakbond, voor mijn part van een schaakvereniging. We moeten zuinig zijn op wat we hebben. Veranderingen komen niet in de eerste plaats vanuit de politiek, maar vanuit maatschappelijke bewustwording. Ik hoop dat in de toekomst voldoende mensen hun verantwoordelijkheid weer zullen aanvaarden. Anders krijgen we een totaal andere samenleving, en niet een betere.'

Maar heeft de kerk in Europa nog wel een toekomst? “Ik vind het wel leuk dat er een generatie opgroeit, die geen wrevel meer heeft ten opzichte van het instituut. Er is lange tijd ook zo geknoeid in de kerk: dat heersen, het messenslijpen over de waarheid, dat knevelen. Die mensen zijn aan het uitsterven, er komt een nieuwe onbevangenheid. Maar het maatschappelijk en economisch tegenwicht tegenover de kerk is zo sterk dat navolging van Christus op je eentje haast niet meer vol te houden is.

Ik zie nog wel toekomst in gemeenschappen, waarin jonge mensen gratuït samenleven, samen inkomen delen, samen tijd delen. Communauteiten met een grote mate van liturgische zuiverheid en gastvrijheid voor ieder die onderdak behoeft: daklozen, vluchtelingen, allochtonen, vrouwen, mensen die uit de traditionele gezinsstructuren worden opgebroken, baanlozen. Als je al die verloren gaande mensenlijke creativiteit zou opsporen, zou bundelen en in een gemeenschap zou zetten. . .

Leopold dichtte: 'Duizend dingen zijn in mij doodgezwegen'. Als je verdorie bedenkt wat er allemaal in de wereld wordt doodgezwegen aan fonkelingen, aan scheppingskracht, aan liefde, aan mogelijkheid om te zingen, doordat mensen afgebeuld en geschoffeerd worden. Als een gemeenschap een plek kan zijn die dat opvangt, waar je elkaar (tijdelijk) boetseert en slijpt tot menszijn onder de open hemel van God, dan denk ik dat de christelijke traditie veel toekomst kan hebben.''

“Als God troont op de lofzangen van Israël, wordt Hij er anders van, als er geen lofzangen meer zijn. En als je honderdduizenden of zes miljoen lofzingers doodmaakt, havent Hem dat. Laat ik zeggen, dat ik hoop dat Hij bestaat en dat ik hoop dat Hij machtig genoeg zal zijn om het rare avontuur met mensen aan te gaan en daar fiducie in te hebben. Ik hoop op nieuwe inspiratie, nieuwe vonken. Het dorpsmeisje Maria in Nazareth kreeg een por. Zulke porren, daar hoop ik op.

Ik geloof dat het diepste van de werkelijkheid toch een loflied is, niet een blind proces. En ik heb dat ervaren aan bisschop Romero van San Salvador, aan verhalen uit de vernietigingskampen, aan pastorale ontmoetingen met geschoffeerde mensen die toch duidelijk maakten dat er ook in de ellendigste situaties hoop is op het loflied.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden