Review

Bernardo Atxaga beoefent het plagiaat met volle teugen

Bernardo Atxaga, 'Obabakoak of het ganzenbord', vert. Johanna VuykBosdriesz, 'uitg. Nijgh & van Ditmar, 384 blz. - -f 39,90.

Eenenveertig jaar geleden werd hij geboren in het dorp Asteasu, niet ver van San Sebastian, dat de Basken Donostia noemen. Het dorp geniet enige faam om zijn speelzucht. 'Gat van valstrikken' is de Baskische bijnaam. "Doe wat je wilt, maar laat je niet verleiden tot een gokje of een weddenschap," is de raad die elke bezoeker aan het dorp meekrijgt.

Aan Atxaga zelf is het niet voorbij gegaan. "Ik houd wel van dat soort spelletjes. Het Baskische kaartspel bij uitstek, mus, draait om bedrog. Je zegt, ik heb slechte kaarten, maar dat heeft alleen maar als doel de ander om de tuin te leiden. Je vindt dat in veel plattelandsculturen: culturen van het cafe. Als je elkaar in een dorp veertig jaar lang drie keer per dag tegenkomt, moet je wel een gevoel voor spel, voor schijn, voor de paradox ontwikkelen. Over mijn boek zij een goede vriend van mij: typisch literatuur van het cafe. En ik: waarom? Nou, in het cafe gaat het de hele dag op dezelfde manier: woordspelletjes, grapjes, verhalen die waar of niet waar zijn, of zo vaak worden verteld en gevarieerd dat ze vanzelf fictie worden."

'Obabakoak' leeft bij de verwevenheid van fictie en werkelijkheid. Obaba bestaat niet, maar de plaatsnaam die het middendeel van het boek zijn titel geeft, Villamediana, weer wel. Het mooie slotdeel is een lange afwisseling van verhalen die verteld worden tijdens een autorit, in wegrestaurants en ten slotte op een 'vertellersbijeenkomst' in het huis van de oom van de reiziger, die op zijn beurt weer de verteller van de reis is. Intussen houdt in het hart van die raamvertelling de 'oom' een theoretische verhandeling over de onmogelijkheid van originaliteit, terwijl op de omslag zelfs de naam van de auteur een verzinsel blijkt. Bernardo Atxaga is een pseudoniem voor Joseba Irazu - het klinkt per saldo nauwelijks minder Baskisch.

In de taal van zijn land schreef hij al vanaf zijn late tienerjaren. Tot aan zijn dertiende sprak hij allen op school Spaans. Hij studeerde economie, werkte in een bank, in een drukkerij, en begon tenslotte met het schrijven van commentaren en verhalen voor de radio. Jarenlang hield hij zich in leven met het schrijven van kinderboeken. Hij moet zich onder het half-marginale bestaan niet gemakkelijk hebben gevoeld en woonde, uit schaamte daarover, zelfs een tijdje Barcelona. Jarenlang verkeerde zijn familie in de waan dat hij nog altijd een ordentelijk bankemploye was.

Met 'Obabakoak' brak hij door naar internationale beroemdheid. Het boek won de ene literaire prijs na de andere, werd in talrijke talen vertaald en was in 1990 finalist voor de Europese literatuurprijs. De Baskische literatuur was met een klap op de landkaart van de Europese letteren geplaatst.

Zelf is Atxaga huiverig als boegbeeld te worden gebruikt voor een nationalistische beweging. "Misschien neemt de literatuur een wat overdreven plaats in binnen het nationale streven. Hadden we maar een nationaal gedicht, zoals het 'Canto general' van Neruda, hoor je dan. Gelukkig liggen de dingen ingewikkelder en is men ook nuchterder geworden. Een gedicht dat de wereld redt bestaat niet. Ik geloof dat onze generatie de literatuur de plaats heeft gegeven die haar toekomt."

Toch staat in zijn boek de spreuk 'Ad majorem literaturae gloriam' - tot meerdere glorie van de literatuur; genspireerd op de wapenspreuk van die andere Bask, Ignatius van Loyola: Ad majorem Dei gloriam (van God). "Ja" , gniffelt Atxaga, "vroeger zeiden ze Ad majorem Bascorum gloriam. Die zin wil daar een beetje ironisch over doen. De Baskische literatuur moet gewoon literatuur willen zijn. Dat lijkt een tautologie, maar soms moet je de meest vanzelfsprekende dingen hardop zeggen. Literatuur is literatuur. En de Baskische literatuur is in ieder geval geen geladen wapen. Mensen die de literatuur willen gebruiken ter legitimering van een politiek denkbeeld zijn er niet zoveel meer."

"Natuurlijk zijn er verschillen: we vormen binnen Spanje een minderheid, die niet alleen Spaans spreekt - al is dat in mijn ogen net zo goed onze taal als welke andere ook -, maar ook Baskisch, en dat vraagt om bepaalde rechten. Maar welke politieke consequenties je daaruit trekken wilt, is een zaak van ieder afzonderlijk. Er zijn nu eenmaal vele politieke oplossingen mogelijk."

"Ikzelf ben geen 'nationale' schrijver. Ik weet dat sommigen dat wel van me willen maken, maar mijn thema is het leven in het algemeen; ik representeer niemand, of het moesten vrienden of familie zijn. Maar verder moet je als schrijver een beetje nederig zijn. Literatuur is maar een deel van het leven, zoals de muziek een ander deel is, en de politiek weer een ander."

Die nederigheid belijdt Atxaga ook waar het zijn eigen originaliteit betreft. Verhalen komen niet uit de lucht vallen, benadrukt hij; ze zijn altijd al voorgevormd, doorgegeven, doorverteld, vervormd en herverteld. "Je wandelt als schrijver altijd op door anderen beschreven bladzijden. In mijn jeugd had ik daar heel romantische ideeen over. Alles was donker en somber onder het Frankisme; de enige uitweg was literatuur. Het leek het terrein van de totale vrijheid, want het lichaam is zwaar en kan maar op een plaats tegelijk zijn, maar de geest kan overal vrij uitvliegen, alleen maar door de ogen dicht te doen."

"Dat gaf een geweldig gevoel, vooral als je denkt zelf iets gevonden of gemaakt te hebben. Eureka! Maar vervolgens zie je dat je dat onleend hebt aan een schilderij, een boek, een gesprek. Ik ontdekte dat op het moment waarop ik dacht werkelijk iets geheel nieuws te hebben geschreven. Het eerste dat een vriend tegen me zei was: ja, dat doet me denken aan iemand die ik laatst las, van wie ook weer, een Cubaan misschien...?"

Atxaga verwerkte die ontdekking ironisch in zijn boek. Hij laat zijn oom, de verhalenverteller, een droom ophalen die hem tot pleitbezorger van het plagiaat maakte. Het is Axular zelf, de eerste Baskische schrijver, die hij in zijn droom ontmoet en die hem vraagt of er in het twintigste-eeuwse Baskenland wel voldoende boeken geschreven worden:

'Er zijn maar heel weinig schrijvers, meester (antwoordt de oom - G.G.) en bovendien zijn ze niet van uw niveau.' 'En plagiators? Is er niet iemand die, omdat hij zeer veel bewondering heeft voor een bepaalde schrijver, net zo schrijft als hij?' 'Ik denk het niet. Bovendien zijn sinds uw tijd de opvattingen sterk veranderd. Sinds de achttiende eeuw beschouwt men het plegen van plagiaat als iets onbehoorlijks.'

Atxaga: "Het gekke met het plagiaat is dat het pas opkomt wanneer het over auteursrechten gaat. Het is geen literair gegeven, het komt uit de wet. Wanneer je encyclopedieen naslaat over plagiaat, dan gaat het onmiddellijk over kwesties als: is het mogelijk plagiaat tegenover de rechter te bewijzen? Dat heeft te maken met de manier waarop schrijvers in de maatschappij staan: precies vanaf het moment waarop plagiaat een probleem wordt, wordt de literatuur handelswaar."

"In de romantiek komt daar nog iets bij. Dan bereikt de gedachte dat een schrijver origineel moet zijn een hoogtepunt. De dichter wordt een kleine, scheppende god. Als reactie op de voorgaande periode was dat heel legitiem. We zijn er allemaal kinderen van. Het schrijven werd er veel persoonlijker door. Maar daar kwamen commerciele motieven bij: de strijd om het nieuwe, het authentieke object. Het voorwerp dat men kocht moest het enige, het unieke en het laatste zijn. Alleen daardoor had het waarde. Het niet-geniale, het niet-originele was daardoor onmiddellijk waardeloos geworden. Men ervoer dat vanaf dat moment als namaak, als een soort bedrog."

"Dat heeft geleid tot excessen die wel een satire verdienen. Dan krijg je dichters die als enige invloed een andere dichter noemen, maar niet de invloed erkennen van het radioprogramma dat ze net hebben gehoord. Die nadruk op het originele getuigt ook van weinig solidariteit met het verleden. Het is heel goed daaraan iets te willen toevoegen. Je situeert je binnen een traditie waaruit je niet per se weg moet willen. Ook de gedachte van een totale revolutie is nogal romantisch: het absolute breken met het verleden."

Uiteindelijk, zegt Atxaga, is vrijwel de hele geschiedenis van de literatuur een verhaal van herschikken en herschrijven, zonder dat iemand er aanstoot aan nam. Integendeel, het opnemen van bestaande thema's en vormen was een soort hommage. Vandaag de dag keert dat weer terug in duister klinkende termen als 'intertextualiteit' en 'postmodernisme'. Dat is niet nieuw, en misschien is het alleen maar de normale situatie, die we twee eeuwen lang vergeten waren.

Iedereen heeft altijd geplagieerd: "In de negentiende eeuw heb je een merkwaardige Fransman, een zekere Charles Nodier, die verhalen van anderen onder eigen naam publiceerde, maar ook weer eigen verhalen onder de naam van anderen. Toen hij van plagiaat beschuldigd werd, zei hij: ik, plagiator van Stern, op zijn beurt plagiator van Swift, en die weer plagiator van een ander, en zo voort, tot aan de oudheid toe - wilt U nu werkelijk dat ik nog de vorm en inhoud van een boek zou uitvinden? Het is gemakkelijker een wereld te scheppen dan een idee."

"Overigens: al die historische kennis is geen eruditie van mij. Ik heb ooit eens een fantastisch boekje gekocht, een soort lexicon van het plagiaat, gepubliceerd in zo'n reeks die niemand koopt. Daar staat het allemaal in. Ik heb een klein theorietje, en al die prachtige voorbeelden heb ik daar uit." Atxaga beoefent het plagiaat in 'Obabakoak' met volle teugen. Men vindt er de echo's in van de grote literaire meesters - plagieer nooit stiekem, van kleine grootheden, zo laat hij zijn oom zeggen, maar altijd in het volle daglicht, van de grote klassieken - en van 'Duizend-en-eennacht'. Zelfs het verhaal van 'De tuinman en de dood', in Nederland bekend bij elk schoolkind dat nog leerde declameren, staat erin - al biedt Atxaga in een variant een verrassende uitweg uit het fatalisme van het slot.

Theophile Gauthier kon niet ontbreken: de schrijver die Spanje voor de negentiende-eeuwse literatuur ontdekte en daar zo exotisch over verhaalde. Atxaga laat hem uitgebreid aan het woord: over een dans die hij in een Baskisch dorp gezien had, hoe een jongen danste rond een wijnglas, met de passen en sprongen steeds dichterbij, rakelings langsscherend, tot hij er wel bijna in trappen moest.

Maar, zegt Atxaga, ook dat is fictie. "Het verhaal zelf is echt, maar het is niet van Gauthier. Het is een dans uit mijn jeugd die ik prachtig vind en waarover ik wilde schrijven, maar was bang dat ik dan in een soort folklorisme zou vervallen. Daarom dacht ik: ik schrijf het toe aan Gauthier. Het past mooi bij zijn exotisme, waar ik me dan zelf verre van kan houden. Het is een soort contra-plagiaat. Het lijkt van hem, maar het is van mij."

Met zijn ontwapenende glimlach vol boerenslimheid geloof je hem op zijn woord.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden