De 89-jarige Bér Schroen verwelkomde op 14-jarige leeftijd als een van de eerste Nederlanders de geallieerden in Zuid-Limburg.

Interview Bér Schroen

Bér Schroen maakte als 14-jarige de bevrijding mee: ‘Die beelden raak je niet meer kwijt’

De 89-jarige Bér Schroen verwelkomde op 14-jarige leeftijd als een van de eerste Nederlanders de geallieerden in Zuid-Limburg. Beeld Ringel Goslinga

Vandaag begint de formele viering van de bevrijding van Nederland, 75 jaar geleden. Bér Schroen – nu 89, toen 14,5 – verwelkomde de eerste Amerikaanse pantserwagens. 

De eerste geallieerden kwamen op 12 september 1944 de grens over in het Zuid-Limburgse Mesch en een halve dag later in het ernaast gelegen dorp Eijsden. De jongen Bér Schroen was daarbij.

“Als ik over de oorlog begin te vertellen, gaat het vaak over het einde daarvan, die zomer van 1944. Wij wisten in die tijd wel dat het einde van de Duitse bezetting naderde, maar wanneer precies de Amerikanen zouden komen, wisten we niet. En op 18 augustus in dat jaar is er iets gebeurd, dat… ja, dat emotioneert me nog erg…

“…ik was die dag, veertien jaar oud, aan het zwemmen in de Maas. Ineens kwamen er geallieerde vliegtuigen over met bommen bedoeld voor de spoorbrug van Visé, dat was dichtbij ons dorp Eijsden. En dan, heel snel al, komt er van alles over de Maas afgedreven, ook een leeg bootje. En een van die jongens met wie ik daar was, zegt: hé, dat is onze sloep. Zijn oudere broer werkte die dag aan hun vissersboot en die lag bij die spoorbrug in Visé. Die vissersboot is dus geraakt en de sloep, die eraan vastzat, losgeraakt. De jongen is, mét nog een andere broer uit dat gezin, naar Visé gerend. Maar die oudere broer was al dood. De bommen hebben de spoorbrug gemist en wel hun boot geraakt. Diezelfde dag vielen in Maastricht ook tientallen doden door dat bombardement van de geallieerden.

Ik durfde er niets van te zeggen

“Ik zal dat nooit vergeten. Die jongen lag de dagen erna thuis opgebaard, daar gingen wij dan bidden. Het was een vriend, ik kende hem heel goed. Tegenover waren Duitsers gelegerd. En een van die Duitsers kwam ook bidden. En toen zei die: ‘Das haben ihre Freunden gemacht’. Dat vond ik niet goed, maar ik durfde er niets van te zeggen, o nee, altijd voorzichtig zijn.

“Een paar weken later, vlak voor de bevrijding, waren we met een tiental jongens van mijn leeftijd hier in Eijsden langs de Maas aan het vissen. Zijn we opgepakt door twee Duitsers. We moesten loopgraven maken, want de Amerikanen kwamen eraan. Eentje ging weg om een vrachtauto te halen om ons in mee te nemen. De ander liep met een geweer voor ons op en neer. Ik zeg tegen een vriend: als hij die kant op loopt, ben ik weg. En dat is gelukt, een buurjongen rende mee. Hebben we samen twee dagen en een nacht in de bosjes gelegen, we durfden niet naar huis. Mijn moeder hoorde van de buren waar ik zat. Ze is nog eten komen brengen op die schuilplaats. Toen de Amerikanen eraan kwamen, ben ik naar huis gegaan, dat was 12 september.

Frontlijn tussen bezet en bevrijd Nederland op 15 september 1944. Beeld Trouw/Louman & Friso

De eerste pantserwagens

“Mesch is het eerst bevrijd. Daar waren al op de elfde september Amerikaanse verkenners, hebben wij gehoord. En in de middag van de twaalfde kwamen de Amerikanen Eijsden binnenrijden. Bij de aankomst van de eerste pantserwagens zijn er foto’s van mij gemaakt. Hier ziet u mij bij zo’n pantserwagen, dit stond in een speciale uitgave van het Limburgs Dagblad. Het gevoel dat ik toen had? Ja, dat was fijn, hè.

“Eijsden was een klein dorp in die tijd. Verharde wegen kenden we nauwelijks, water haalde je bij de pomp, de wc was buiten. Er waren hier vooral boeren. En arbeiders die op de zinkwitfabriek werkten. Mijn vader werkte als arbeider in een fabriek in Maastricht, mijn moeder was dienstmeisje bij een ingenieur van de zinkwitfabriek, ook tijdens de oorlog. Ze was altijd pas na elf uur ’s avonds thuis. Ik ben enig kind. Als mijn vader thuiskwam om half zes, had ik het eten al klaar, in de de oorlog al. Ik was verder veel met vrienden te vinden.

“Ik was pas tien jaar oud, toen de oorlog begon op 10 mei 1940. Maar die beelden raak je niet kwijt. En ik was een soort jongen, ja, wat zal ik zeggen, ik stond áltijd met mijn neus overal bovenop. Ik was die ochtend met een groepje vrienden om half vijf ’s morgens al op straat. We waren wakker geworden door vliegtuiglawaai en schieten. En in een keer kwamen er Duitsers met motor en zijspan en met pantservoertuigen aangereden.

Bér Schroen zag als 14-jarige jongen Amerikanen in pantserwagens Eijsden binnenrijden.

Vluchtende soldaten

“Vlak daarvoor was het nog goed spannend. Want toen waren vluchtende Nederlandse soldaten nog net de Maas overgegaan met de sloep. Die jongens van wie die sloep was, waren mijn vrienden. Zij verzorgden al roeiend een soort veerdienst over de Maas. Er is hier geen brug. Aan de overkant van Eijsden ligt het Belgische dorp Lanaye. En ik hielp hen vaak met roeien, maar die ochtend niet.

“De soldaten waren dus bijna aan de overkant toen de Duitsers op ze begonnen te schieten, ze haalden het net. Er is een Nederlandse kapitein licht  bij gewond geraakt, maar dat heb ik niet zelf gezien. Ik heb wel het schieten gehoord.

“Direct nadat in 1940 die Duitsers hier kwamen, trokken grote groepen krijgsgevangenen door Eijsden. Ook dat herinner ik me nog goed. Ze bleven een of twee dagen en dan moesten ze te voet door naar Duitsland. Op ons voetbalterrein werden ze verzameld. 

Zilveren medaille

“Van eentje heb ik toen deze zilveren ronde medaille gekregen en altijd bewaard. Ziet u: hier staat Coupe de France 1928-1929 op. Die man was blijkbaar een hele goede doelwachter in een Frans voetbalelftal geweest. Hij aaide me over het hoofd en gaf me die medaille. Mijn zoon heeft het veel later op internet opgezocht. Hij speelde bij de club Roubaix.

“De eerste weken dat de Duitsers er waren, gingen wij niet naar school, maar na een tijdje weer wel. Er veranderde wel veel gedurende de oorlogsjaren. Met honderden kwamen vliegtuigen over, overdag en ’s nachts, soms heel laag, zeker na 1943. De geallieerden gingen Duitse steden bombarderen. Wij renden dan naar de buren in de schuilkelder, want we hadden er zelf geen.

“Mijn vader had twee broers die Duitsgezind waren. Dat kwam doordat ze een café hadden waar veel Duitsers kwamen, dat was goede klandizie. Ze waren geen lid van de NSB geworden, maar ze werden wel NSB-ers genoemd. Ik herinner me dat in het begin van de oorlog een van die ooms met zo’n nationaal-socialistisch blaadje bij ons kwam. En dat mijn vader zei: ‘jong, je zit verkeerd’. Dat was alles wat hij zei. Ze zijn elkaar blijven zien, ook in de oorlog, ondanks dat grote meningsverschil.

Felle gevechten

Nadat op 6 juni 1944 (D-Day) geallieerde troepen landden op de stranden van Normandië, verliep de opmars aanvankelijk moeizaam. Op 25 augustus werd Parijs bevrijd, op 3 september Brussel. Het waren Amerikaanse troepen, die als eerste het Nederlandse grondgebied binnentrokken. Dat gebeurde op 12 september bij het zuidelijkste puntje van Zuid-Limburg, de plaatsjes Mesch en Eijsden. Inwoners van dit deel van Nederland zijn dus als eerste bevrijd. De terugtrekkende Duitsers gaven niet zomaar op, er werd hard gevochten. In het najaar van 1944 kwam een groot deel van Zuid-Nederland en Zeeland vrij. De rest van het land bleef tijdens de hongerwinter nog onder het Duitse juk. In mei 1945 was de oorlog echt voorbij.

“Honger kenden wij niet. Mijn oma kwam uit een boerenfamilie, daar kregen we alles van. En tegenover ons woonde een boer en daar ging ik op een gegeven moment werken, na school en in de weekeinden. Als loon kreeg ik extra te eten.

Eten smokkelen 

“Mijn vader en ik smokkelden zelfs eten naar België. Er was een gedeelte in de Maas, waar je kon overlopen. Op de fiets ging ik naar boeren bij Maastricht, fietste ik tien of twaalf kilometer terug met aardappelen achterop, soms een paar keer per dag. ’s Nachts kwamen Belgen die dan halen daar bij de oever van de Maas. Die verkochten we, ja, maar we gingen die mensen niet afzetten, hoor. Eten was op de bon, dit mocht niet, ik vond dat wel spannend. Zo kwamen wij tamelijk ongeschonden door die oorlog.

“Ná de bevrijding begon een wilde tijd voor mij. Ik was puber. Ik had streken, maar ik heb nooit iemand echt kwaad gedaan, hoor. Wat ik deed? Een Amerikaanse soldaat heeft me in de maand na de bevrijding leren schieten met een stengun, een automatisch wapen met 32 patronen. Ik was nog geen vijftien, ik schaam me daar nu over. Ik mocht het wapen houden.

“Ik verzamelde wapens, dat vond ik mooi. Ik ben er niet allemaal legaal aangekomen, meer wil ik daar niet over zeggen. Ik ging op duiven schieten en op kraaien. De boswachter hield niet van me. Later zijn we overigens vrienden geworden. Maar hij heeft me in die tijd wel aangegeven en ik heb zelfs twee dagen vastgezeten, een nacht in de nor geslapen. Er is gelukkig nooit echt iets verkeerds gebeurd met die wapens.

Ordediensten

“Na de bevrijding ging mijn vader bij de ordediensten. Kijk, ik heb er een foto van, hier zie je hem in zijn uniform, dat was in het najaar van 1944. Mijn vader kreeg een winchester karabijn en toen hij met mijn moeder naar de kerk was, ben ik gaan zoeken.

“Ik vond hem in de hangkast, zonder kogels. En ik had Duitse kogels verzameld. Die heb ik geprobeerd erin te krijgen, maar die gingen er maar een stukje in. En toen zaten ze muurvast, ik kreeg ze er niet meer uit. En mijn vader later ook niet. Kreeg die arme man straf, hij moest een paar dagen op de vaste locatie blijven en allerlei klusjes doen. Vanwege slechte omgang met zijn wapen. Mijn relatie met mijn vader was heel goed, maar als hij zoiets ontdekte, dan vielen er klappen, oei, toen ook.

“Hoe het met mijn Duits-vriendelijke ooms verder ging? Op een keer had mijn vader dienst van de OD en… ja, dat emotioneert mij weer erg… ja, toen heeft hij zijn eigen broer moeten oppakken. Dat vind ik zo verschrikkelijk. Een van die twee ooms zat in een trein die mijn vader moest doorzoeken. Want Duitsers en NSB-ers probeerden weg te komen om niet te worden veroordeeld, dus treinen werden doorzocht.

“Mijn oom bleek, met zijn vrouw, op de vlucht. Ook de andere broer is opgepakt, ze kregen lichte gevangenisstraf. Die hebben ze uitgezeten. En naderhand heeft mijn vader er nooit meer ruzie over gemaakt. Dat vind ik zo bijzonder. Ze gingen geregeld samen kaarten. Er werd niet meer over gesproken.

Altijd in Eijsden gebleven

“Ik ben altijd in Eijsden blijven wonen. Ik werkte als loodgieter, later als lasser en heb een opleiding gevolgd bij de politie. Daar zat ik dertig jaar lang in de reservedienst, op zaterdag en zondag op het politiebureau in het dorp. Mijn vrouw en ik zijn sinds 1953 getrouwd, we hebben vier kinderen, zeven kleinkinderen en vier achterkleinkinderen. Al twaalf jaar wonen we in deze seniorenwoning.

“Oorlogstrauma’s heb ik niet. Illegale kranten kenden wij niet, het verzet ook niet, ik was jong, we woonden in een boerendorp, we wisten helemaal niet wat er allemaal speelde in de wereld. Er waren Joden hier in het dorp, die zijn opgepakt en nooit meer teruggekomen. Maar wat er met ze gebeurde, we wisten dat niet. Pas na de oorlog heb ik dat gehoord.

“Als ik nu terugblik denk ik: ik heb niet veel meegemaakt in vergelijking met anderen. Maar nu ik ouder ben, merk ik wel dat ik veel praat over de oorlog. Het was een tijd die veel indruk op me heeft gemaakt.”

Trouw laat de komende maanden mensen aan het woord die in 1944 en 1945 de bevrijding van de Duitse bezetters zelf hebben meegemaakt. Dit is de eerste aflevering. De verhalen worden verzameld op trouw.nl/75jaarbevrijding.

Lees ook:
Bevrijding Nederland was geen militair doel

Liefst acht maanden duurde de bevrijding van Nederland, 75 jaar geleden. Militair historicus Wim Klinkert verklaart drie keerpunten in de strijd tegen de Duitsers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden