Levenslessen

Benyamin Heller kwam als christen uit de oorlog, maar is nu een trotse Jood

Beeld Merlijn Doomernik

Oud-ingenieur Benyamin Heller (89) vertelt hoe hij en zijn broertje de oorlog overleefden. Dat hij Anne Frank kende. En dat hij zich niet bang wil laten maken. ‘Ik zeg ook tegen mijn kleinkinderen: je moet er recht voor uitkomen dat je Jood bent.’

1 Je moet nooit te gezagsgetrouw zijn

“Met mijn ouders Karl en Hilde en mijn twee jaar jongere broer Uriël woonde ik in een mooie villa in Frankfurt. Mijn vader, die hoge ambtenaar was bij de Duitse spoorwegen, ging gedwongen met pensioen op zijn 45ste omdat Hitler alle Joden uit overheidsfuncties zette. Na 1934 was het verboden voor Duitsers om geld over te maken naar het buitenland. Met lichtbakken werd gecontroleerd wat er in de post zat.

Mijn oom was dat jaar naar Engeland gevlucht en had het daar financieel moeilijk. Toen mijn grootvader, bankier, dat hoorde, stuurde hij hem een paar keer illegaal 1000 Duitse mark. Hij was een zeer zuinig man, het ging hem aan het hart om steeds een nieuw carbonvelletje te gebruiken om het biljet in te wikkelen en zo onzichtbaar te maken, dus nam hij gebruikt carbonpapier.

Eén brief met een 1000 mark-biljet werd ontdekt. Door het gebruikte papier, waar nog letters doorheen drukten, konden de nazi’s de afzender achterhalen. De nazi’s namen mijn grootvaders hele boekhouding in beslag, die alle transacties keurig had vermeld. Mijn vader had via mijn grootvader een vriend geholpen geld naar het buitenland te smokkelen, zodoende kwam mijn vader ook in het vizier van de Gestapo. Mijn grootvader kwam in de gevangenis en is daar later overleden.

De Gestapo zei tegen mijn vader na diens verhoor: ‘We onderzoeken dit verder, u kunt nu naar huis. U zult ons niet ontsnappen, want iemand met een dergelijke positie en bezittingen zal toch niet vluchten.’ Hij kreeg zijn paspoort terug en nog diezelfde middag vluchtten we. Mijn vader kwam thuis en zei tegen mijn moeder: ‘Koffers pakken, we vertrekken onmiddellijk.’ We namen de nachttrein naar Bazel. De volgende ochtend om zeven uur stond de Gestapo voor onze deur om mijn vader te halen. Toen ze merkten dat hij verdwenen was, belden ze nog naar de grensposten om zijn signalement door te geven. Eén uur eerder waren wij de grens over gereden.”

2 Anne Frank was maar een heel gewoon meisje

“Ons gezin was beland in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Daar woonden meer Duits-Joodse emigranten en we trokken sterk naar elkaar toe. In die vooroorlogse jaren zagen de volwassenen elkaar in stamcafé Oase, we vierden feestjes en onze ouders praatten onderling Duits, want hun Nederlands was niet al te best. Mijn vader was bevriend met meneer Goslar, en zijn dochter Hanneli was de boezemvriendin van Anne Frank.

Het was toen de gewoonte om als je kinderen jarig waren, ook de kinderen van bevriende ouders uit te nodigen. Dus toen Hanneli jarig was, kwamen Uriël en ik ook naar het feestje. Daar ontmoette ik Anne Frank, we waren even oud. Anne zat op de montessorischool in de Niersstraat, waar wij naast woonden. Wij speelden altijd op dat schoolplein, vooral in het knikkerseizoen. Daar zag ik haar vaak. Het klinkt misschien niet zo aardig, maar Anne was wel een kattekop. Ik was niet erg gecharmeerd van haar. Een heel gewoon meisje van wie er duizenden waren. Ja, nu is ze een icoon, hè? Om eerlijk te zijn: er zijn veel oorlogsdagboeken van meisjes die veel beter zijn geschreven dan die van Anne, zoals van Marga Minco en Etty Hillesum.”

Beeld Merlijn Doomernik

3 Zet je gezonde verstand nooit uit

“In september 1942 zijn wij ondergedoken op de Reijnier Vinkeleskade 61 in Amsterdam-Zuid, het werd naarmate de bezetting vorderde in de stad te grimmig voor Joden. We woonden op één kamer met een keukentje. Via de keuken gaf het luik toegang tot het platte dak. Mijn vader oefende met ons keer op keer de route om te ontsnappen via het dak, voor het geval dat. Hij hield ons voor dat we met alles rekening moesten houden. Mevrouw Kuiper was de eigenaar van het huis, zij was weduwe en verhuurde kamers aan studenten. Toen wij daar kwamen wonen, was het merendeel van de bewoners student.

Mevrouw Kuiper kwam er al snel achter dat ze meer huur kon vragen van onderduikers, dus gedurende de oorlog kwamen er steeds meer Joden in plaats van studenten wonen. Op 28 juni 1943, we wilden net gaan eten en hoorden luid geschreeuw in de tuin. Mijn vader zei: ‘Foute boel.’ Het hele huis bleek omsingeld, voor we zelfs het dakraam konden opendoen, viel er een schaduw over het luik. Daar zat dus ook politie. We werden allemaal naar een kamer gedreven. Het was zeker verraad, de twee kamers waar nog studenten zaten, werden niet eens geopend.

Veel onderduikers hadden valse persoonsbewijzen, wij hadden onze echte nog. Mijn vader antwoordde bij de ondervraging in het Duits, wat door die Gestapo-man zeer gewaardeerd werd. Terwijl de Duitsers vrachtwagens bestelden voor alle opgepakte onderduikers, mochten wij nog enkele bezittingen ophalen in onze kamer. We stonden in de kamer, mijn moeder trok haar ‘goede’ rok aan, waar dollarbiljetten in de zoom waren genaaid en opeens zagen we dat het dak leeg was. De helpers op het dak bleken beneden de gestolen kostbaarheden uit de kamers aan het verdelen te zijn.

‘Hup, het dak op’, zei mijn vader. Mijn moeder kon vanwege de nauwe rok met moeite klimmen, met vereende krachten hebben we haar omhoog gehesen, en zijn vervolgens over verschillende daken via een openstaand dakraam van een huis verderop beneden uit gekomen. Ik had geen tijd om bang te zijn. Dankzij de vele ontsnappingsoefeningen en het gezonde verstand van mijn vader wisten we precies wat we moesten doen.”

4 Niets is wat het lijkt

“De ongelukkigste tijd uit mijn leven beleefde ik in Wormer. Met mijn broer zat ik heel 1944 ondergedoken op zolder bij een net getrouwd, streng christelijk stel, Klaas en Ann Kramer. Op die zolder stond een grote boekenkast waarin een bijbel, christelijke romans en studieboeken van hem over werktuigbouwkunde stonden. De dominee had ze gezegd dat ze ons moesten opnemen.

Ze waren veel van huis en als ze thuis waren, hadden ze visite. In beide gevallen betekende het dat niemand mocht weten dat we er waren. Er mocht geen licht branden en aangezien kolen schaars waren, mocht er niet gestookt worden. In de winter moesten we om vier uur ’s middags al naar bed. Als er licht was, lazen we alles. We verveelden ons vreselijk en moesten de hele tijd doodstil zijn.

Het was daar, in de onderduik, dat ik voor het eerst Trouw kreeg te lezen. De LO (de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers, LP) bracht ons een paar verzetskrantjes en daar waren we dolblij mee. ‘In het verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal’, was de spreuk van Trouw. Na de oorlog ben ik in Krommenie langs de deuren gegaan om abonnees te werven voor Trouw, toen het een normale krant moest worden met abonnees.

De Kramers kregen voedselbonnen, extra brandstofbonnen van de LO en zelfs eten in natura, zoals sinaasappelen. Dat allemaal hebben wij nooit teruggezien. Aangezien mevrouw inmiddels in verwachting was, vond meneer dat zij het meer nodig had dan wij. Als Uriël en ik te veel lawaai maakten, kregen we straf. Dan werden we samen opgesloten in een kast. Dat was naar. Als ik in mijn bed plaste, moest ik onder de vieze lakens blijven liggen.

Op een dag maakten mijn broer en ik een gedicht, een prachtig sonnet, over alle pesterijen van het echtpaar. Ik kalligrafeerde de tekst en we verstopten het in de atlas der werktuigonderdelen van meneer. Op een kwade dag had hij die atlas ergens voor nodig en vond hij het sonnet. Hij las het en werd vreselijk kwaad, schreeuwde: ‘Ik wil jullie niet meer in huis, ondankbare rotjoden.’ Hij zette ons zo in onze pyjama’s op straat.

We kenden Wormer helemaal niet, waar moesten we naartoe? Gelukkig kwam een paar minuten later de oudere broer van mijn onderduikvader langs. Die zei: ‘Klaas, dat kun je niet doen.’ We mochten weer naar zolder, kregen voor straf niks te eten. Mijn ouders en de LO dachten dat we daar liefdevol werden opgevangen. Zij kregen het gedicht ook onder ogen en de LO haalde ons subiet weg uit Wormer.”

Beeld Merlijn Doomernik

5 Onderduikouders kunnen tirannen zijn en ook helden

“Uriël en ik werden daarop meteen op een ander onderduikadres geplaatst, allebei bij een andere familie, waar we beiden goed werden opgevangen. Ik kwam bij een ontzettend aardige, grote familie terecht, de familie Bakker uit Krommenie. Ik mocht zorgen voor hun pasgeboren dochtertje Irene en ze leerden me schaatsen op de bevroren plas achter hun huis. We hebben nog altijd contact. In de onderduik heette ik Klaas, het Nederlandse equivalent van Klaus, mijn naam. Na de oorlog wilde ik mijn Duitse naam niet meer, en mijn broer wilde ook niet meer Ulrich worden genoemd, zoals hij eigenlijk heette. Als je bar mitswa doet, krijg je een joodse naam. Onze bar mitswa’s zijn er door de oorlog nooit van gekomen, maar we hadden al wel onze namen gekregen. Mijn naam werd Benyamin, Ulrich werd Uriël. Onze ouders Karl en Hilde begrepen het en hebben ons daarna altijd zo genoemd.”

6 Antisemitisme is een ziekte van niet-Joden

“Antisemitisme is een ziekte van niet-Joden, waar Joden niks aan kunnen doen, hoezeer ze ook hun best doen. Het is gewoon cultureel erfgoed van de Europese volkeren. Europese Joden moeten óf ermee leren leven - dan houden ze maar niet van ons - óf ze gaan naar Israël, het land waar je voor veel bang kunt zijn, maar niet voor antisemitisme. Ik kwam als gelovig christen uit de oorlog. Nu ben ik een trotse, liberale en niet-religieuze Jood.

Ik laat me niet bang maken, ik zeg ook tegen mijn kleinkinderen: je moet er recht voor uit komen dat je Jood bent. Dat dwingt ook bij antisemieten respect af. Intussen ben ik gematigd optimistisch over de toekomst. De ondergang van de sociaal-democratie overal ter wereld vind ik verschrikkelijk. Er is zo weinig over van die beweging, dat stemt me treurig.”

7 Door je (klein)kinderen word je onsterfelijk

“Mijn gelukkigste tijd was rond mijn veertigste toen ik met Jet Edersheim ben getrouwd. Uit haar eerste huwelijk had zij twee zoontjes, Leonard en Karel Ornstein, die later journalist werden. Ik werd hun tweede vader en samen met Jet kreeg ik nog dochter Hansje. Ik werd ingenieur, heb een mooie carrière gehad en een fijn gezinsleven. Een goede vriend van mij zei dat hij later ‘onsterfelijk en gelukkig’ wilde worden. Gelukkig word je als er sprake is van een voor jou gunstig politiek klimaat, vond hij, en onsterfelijk door je kinderen en kleinkinderen. Dat laatste zie ik ook zo.

Hitler heeft zijn uiterste best gedaan om het Joodse volk uit te moorden, maar wij weten nu dat dat geweldig mislukt is en dat het er zelfs mede toe heeft bijgedragen dat het Joodse volk een soort revival beleeft: een nieuw bestaan in Israël en zelfs na 2000 jaar is het Hebreeuws weer een levende taal.”

Trouw vraagt wekelijks een bekende of minder bekende Nederlander: welke levenslessen heeft u geleerd? Eerdere afleveringen vindt u op trouw.nl/levenslessen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden