Bennie Jolink

Bennie Jolink (Hummelo, 1946) brak met zijn Achterhoekse rockband Normaal in 1977 door met het nummer ’Oerend hard’. De ’dialect-pop’ van de band werd snel populair. Het leven dat erbij hoorde - drank en snelle motoren - heeft bij de zanger zijn tol geëist. Jolink is gekalmeerd, maar zijn band niet. Het nummer ’Rennen of stilstoan’ lijkt zelfs op een nummer 1-positie af te stevenen.

IGij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.

,,Tot mijn zestiende jaar was ik zo fanatiek gelovig dat mijn moeder mij zelfs een beetje kwezelig vond. Ik lag vaak ziek te bed en las in die tijd de Bijbel van het begin tot het eind. Ik vind het Oude Testament nog altijd, met afstand, het mooiste boek wat ik ooit heb gelezen. Mijn geloof begon af te brokkelen toen er op een dag iemand van mijn eigen leeftijd stierf. Op de vraag ’Hoe kon God dit toestaan?’ kreeg ik geen bevredigend antwoord. Ik had iedere avond voor de meest onbenullige dingetjes vergeving gevraagd en zoiets verschrikkelijks liet Hij gewoon toe. Een paar maanden later ging ik naar de kunstacademie waar nogal wat atheïsten rondliepen die me wel van het laatste restje geloof af wilden helpen. Ik werd net zo fanatiek ongelovig als ik ooit gelovig was geweest. Dat zit de Jolinks nu eenmaal in de genen: als je iets doet, moet je het goed doen. Ik vond dat iedereen die met z’n schijnheilige rotkop vooraan in de kerk zat een slechte klootzak was, maar toen ik weer naar Hummelo verhuisde, ontdekte ik dat het helemaal niet zo was. Ik ging in het voormalig armenhuis van de diaconie wonen, liet me weer inschrijven bij de Hervormde kerk en steun sindsdien de organisatie, financieel, in het goede werk dat ze voor de gemeente doet. Nee, het Opperwezen bestaat niet meer voor mij, maar* ik herinner me één moment in mijn leven, in ’86, dat misschien wel een religieuze ervaring is geweest. Ik deed mee aan een motorrally in Marokko en had een ravijn over het hoofd gezien. Ik zweefde hooguit twee of drie seconden door de lucht, maar je hersens werken dan op ongelooflijke snelheid en mijn hele leven trok, in chronologische volgorde, aan mij voorbij. Ik weet nog dat ik aan twee dode geliefden dacht - een jong meisje en een oude man - en ervan overtuigd raakte dat ik ergens naartoe zou gaan waar zij al waren. Die overtuiging heb ik nog steeds. Ik kom op die plek uit, zo lang ik tenminste blijf nadenken over goed en kwaad. Of de God uit mijn jeugd bestaat of niet, verandert daar niet veel aan.”

IIGij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

,,Afgoderij, vreselijk! Ik wil er niet te veel over uitweiden, laten we het er maar op houden dat ik ’de fan’ een vreemd verschijnsel vind. Ik ben zelf nooit echt een fan van iemand geweest, of ja, wacht: motorcrosser Jan Clynck, het Atoomkanon uit Helmond, is een held uit mijn jeugd. Buddy Holly, Fats Domino, Bob Dylan, John Fowles, Maarten ’t Hart, Rembrandt* dat zijn mensen die ik bewonder, mensen die door hun gave of gaven boven anderen uitstijgen, maar dat is toch iets anders dan vereren. Al is Rembrandt natuurlijk wel een grootheid die, met zijn gedurfde modernistische opvatting - zúlke klodders verf! - nooit meer is geëvenaard. Het is zo prachtig wat hij heeft gemaakt, zo sprekend. Wist je dat Vincent van Gogh wekenlang in het museum naar Het Joodse Bruidje zat te staren? De suppoosten moesten hem er iedere avond weer uitgooien. Ik begrijp het wel: dat schilderij staat op eenzame hoogte, het is bijna volmaakt, goddelijk haast. Ik streef, als schilder, ook naar het volmaakte. Ik wil nog eens een schilderij maken waar ik net zo tevreden over ben als over het schrijven van ’Oerend hard’ - want dat vind ik dus wel een goed liedje - maar het is me nog niet gelukt.”

IIIGij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

,,Daar ben ik het helemaal mee eens, maar het helpt wel. Niets lucht zo lekker op als een keer stevig vloeken. Alles wat maar in mijn kop opkomt, schreeuw ik er met genoegen uit. Ik heb het ook gedaan om te shockeren, al moet ik wel toegeven dat het effect van steeds maar poep en pies roepen na verloop van tijd wel verloren gaat.”

IVGedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

,,Kijk, je moet dit gebod poëtisch zien: de wereld is natuurlijk niet in zes dagen geschapen en we stammen gewoon van de apen af - daar is helemaal geen discussie over - maar het is wel goed om af en toe rust te nemen. Ik heb ook dit gebod vaak overtreden, maar dat wil niet zeggen dat ik het geen goed gebod vind. Het is niet zo slim om dodelijk vermoeid in de auto te gaan zitten en dan toch, uit gewoonte, knoerthard te gaan rijden. Als je dan tegen een boom opknalt is het: eigen schuld, dikke bult. Maar goed, ik heb wel meer domme dingen gedaan. Ik ben tot twee keer toe gepakt met te veel alcohol achter het stuur en ik heb ook nogal wat snelheidsovertredingen op mijn naam staan, maar ik ben nu aardig genezen. Ik ben al een paar maanden bonnetjesvrij.”

VEer uw vader en uw moeder

,,Mijn moeder had thuis de broek aan. De moeders van al mijn vriendjes waren net zo: grote, stevige vrouwen. Ik begreep geen zak van dat feminisme, al die clichés - ’werken aan mijn eigen ik’ - ze hadden toch de macht al? Waar lulden die vrouwen over? Ik heb ontzag voor vrouwen, altijd al gehad. Ja, misschien ben ik zelfs een beetje bang voor vrouwen, dat zou best eens kunnen* Ze doen dingen die wij, mannen, niet begrijpen. Raadselachtige wezens. Ze kunnen heel intelligent zijn, maar handelen of praten daar niet altijd naar. Op een gegeven moment schakelen ze hun i.q. gewoon uit en is er alleen nog maar gevoel. Magisch, fascinerend - ik ben dol op vrouwen. Maar goed, om terug te komen op mijn moeder: ze was dominant. Om een gezin van zes kinderen draaiende te houden, moet je dat wel zijn. We kregen veel straf, maar altijd terecht. Tegenwoordig is het de bedoeling dat je eerst even met je kinderen overlegt, maar mijn moeder - met haar grote, dikke armen - mepte aan één stuk door. Tsjèng, tsjèng, tjsèng! daar had je weer een paar poetsen te pakken. Mijn vader sloeg maar één keer per jaar. Als het mijn moeder te bar werd - het geëtter, het gezanik, het geklier - riep ze: ’Frederik, zeg jíj er nou eens iets van!’ En dan zei Frederik alleen maar: ’Wie nou nog iets zegt, krijgt er een.’ Mijn zusje was meestal de eerste die haar mond weer opendeed en onmiddellijk een hengst om haar oren kreeg. Daar zat je nog een kwartier van na te tuten. Mijn vader doet nu eenmaal altijd wat hij zegt. Ik ken niemand die zo is als hij. Mijn vader heeft nog nooit gelogen. Kan hij niet. Ja, een voorbeeldige man. Hij heeft me geleerd altijd flink te zijn. Hij zat in de oorlog in het verzet en klaagde er nogal eens over dat de meeste mensen zo laf waren geweest. Hij was zelf maar een keuterboertje, maar het barstte bij ons thuis van de onderduikers. Hij schijnt ook nog iets met wapens te hebben gedaan, maar daar heeft hij het nooit echt over willen hebben. Flink zijn. Iedereen is bang, maar die angst moet je overwinnen. Dat is de werkelijke dapperheid. Met die verhalen ben ik grootgebracht.

Nee, mijn ouders waren helemaal niet trots op wat ik deed! Er deden, zeker in de begintijd van Normaal, allerlei wilde geruchten over ons de ronde. Mijn moeder vroeg daar ook wel naar - ’Moet dat nou, Ben? - maar ik probeerde er altijd een beetje overheen te praten. Mijn vader heeft, toen we in Hummelo optraden, nog eens heel even om het hoekje gekeken. ’Het was net oorlog!’ zei hij later. Veel te veel lawaai en totaal hun smaak niet. Ze zijn overigens wel een keer bij onze theatertour komen kijken. Dat vonden ze prachtig, zeker de meerstemmige zang. Ik geloof dat ze vooral verbaasd waren hoe muzikaal het klonk. Mijn ouders hebben allebei op zangvereniging Soli deo Gloria gezeten, mijn vader heeft zelfs nog solo gezongen. ’En dan zal nu voor u optreden’, zei Harm Venema, die ook vaak de voorganger was, dan, ’Frederik Jolink met de negrospierietual old blek joe.’ Waarop mijn vader ’Goooone aaaaare the daaaays’ begon te zingen. Ja, dat kon hij goed, maar langzaam, zo verschrikkelijk langzaam!

Mijn vader en moeder zijn zulke intelligente, lieve mensen* Ze zijn 84 en 90 en wonen bij mij in het dorp, ik fiets een paar keer per week bij hen langs. Ze zijn nog steeds mijn beste vrienden.”

VIGij zult niet doodslaan

,,Daar worden, zonder enige vorm van twijfel, mensen mee bedoeld. Hoeveel lammeren worden er niet in de Bijbel geslacht? Volkomen terecht trouwens. Jagen is nuttig, normaal en noodzakelijk. Ik kan niet ontkennen dat zo’n dag jagen fantastisch mooi is, je bent een onderdeeltje van de natuur en een heel klein onderdeeltje daar weer van is dat je bepaalde dieren afschiet om ze mee te nemen en op te eten. Ja, villen doe ik ook zelf - al moet ik toegeven dat ik steeds probeer op een slimme manier onder dat klusje uit te komen. Niet omdat ik het zielig vind of zo, ik hou gewoon niet van die weeë lucht. Zielig, dat is een vondst van die mensen van de Partij voor de Dieren. Dat vind ik nou echt slechteriken. Ze verwarren dieren met mensen. ’Ik ga liever met dieren om’, zeggen zulke types. Wat ze eigenlijk zeggen is: ’Ik ben asociaal.’ Het zijn dezelfde mensen die de mond vol hebben over de jacht, zonder er ook maar iets van te begrijpen. Waar iedereen zo op tegen is, heeft niets met jagen te maken. Dat is stropen. Stropen is volgens de nieuwe - overigens veel te strenge - Flora- en Faunawet al lang verboden. Jagen is een eervolle zaak, de jachtopleiding is bijzonder streng. Ik ben zowel voor mijn theorie- als mijn praktijkexamen een keer gezakt. Het is niet zomaar de natuur in rennen en dieren afknallen. De jacht op een ree - afschot, noemen we dat - begint al avonden van tevoren. Zonsopgang of zonsondergang: dan moet het gebeuren. De man met wie ik jaag, heeft een gebied van achtduizend hectare. Er lopen meer dan honderd reeën en hij kent ze allemaal. ’O, dat is een mooie’, zegt hij dan, ’gezond, jong dier, veel potentie, die laten we lopen.’ Tot we een ree tegenkomen die er af moet. Je mag mijn trofeeën, de geweien, bekijken: je zult zien dat er altijd iets aan mankeert. Oud of ziek. Maar goed, dan komt het moment waarop je hem weer ziet lopen. Het giert je door de keel. Je wilt per se dat hij in één keer dood is. Op het blad schieten, een aantal centimeter achter de voorpoten. Ademhalen, aanleggen, adem inhouden: daar moet het schot komen* Ja, dat is een ongelooflijke adrenalinestoot. Geen kick, zo zou ik het absoluut niet willen noemen. Natuurlijk, je feliciteert elkaar en je haalt opgelucht adem als hij mooi en snel in elkaar zakt en niet nog een paar stappen loopt, maar je hebt toch een prachtig dier gedood. Het is een absolute misvatting te denken dat een jager dat voor zijn plezier heeft gedaan.”

VIIGij zult niet echtbreken

,,Dat ik dit gebod heb overtreden, zie ik als het grootste debacle in mijn leven. Een mislukking, een fout waar ik, in ieder geval voor vijftig procent, voor verantwoordelijk ben. En toch zie ik ook niet goed wat ik anders had kunnen doen* Mijn ex vond dat ik te veel tijd aan de band besteedde, maar ik geloof ook dat onze karakters onverenigbaar waren. Hoe dan ook: het was verschrikkelijk, vooral voor Gijs, onze zoon. Ik heb het gevoel dat ik hem iets heel verdrietigs heb aangedaan. Bovendien heb ik later, toen ik hertrouwde, de opvoeding aan mijn nieuwe vrouw overgelaten. Ik heb me veel te weinig met hem bemoeid en daar heb ik spijt van. Ja, inmiddels is het allemaal goed gekomen: ik ben al tweeëntwintig jaar met Elly getrouwd, Gijs woont vlakbij mijn ex en met haar ga ik nu ook heel relaxed om, maar het blijft een traumatische herinnering. Ik zal nooit meer scheiden, dat staat vast. Verleiding? Ach, dat is ook weer zoiets: ik val niet op het type vrouw dat zich in de kleedkamer komt aanbieden. Nee, ook niet als ik dronken ben. Als ik dronken ben, maak ik niets klaar. Ik ben tussen mijn twee huwelijken door twee jaar vrijgezel geweest. In die tijd ging ik, samen met de toenmalige gitarist, na ieder optreden als een speer naar Doetinchem om daar, net voor sluitingstijd, in disco De Barak, nog even wat aan de haak te slaan. Daar heb ik met volle teugen van genoten. Toen kwam ik Elly tegen en sloeg de bliksem in. Jawel, het blijkt wel degelijk te bestaan: liefde op het eerste gezicht.”

VIIIGij zult niet stelen

,,Onze eerste manager deed zich voor als vriend. Hij heeft, qua inkomsten, vooral aan zichzelf gedacht. De tweede manager raakte verstrikt in zijn eigen leugens. Als hij de waarheid sprak, was het per ongeluk. In zijn tijd is veel geld door verspilling verloren gegaan. Dat zou ik geen diefstal willen noemen. De eerste manager zou ik graag een dief noemen, maar dat woord mag ik van de rechter in dit verband niet meer gebruiken. Laat ik het zo zeggen: er is veel geld verdwenen en het is niet bij ons terechtgekomen.”

IXGij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

,,Ik geloof dat het beter wordt: volgens mij weten de meeste mensen nu wel dat Normaal meer is dan alleen maar schreeuwen en zuipen. We hebben dat imago natuurlijk aan onszelf te danken. Als we moesten optreden in Nederland Muziekland, ging ik altijd met opzet heel slecht playbacken. Ik zong de verkeerde teksten en werd zo snel mogelijk ongelooflijk dronken. Uitermate gênant, dat vond ik toen al, maar ik deed het omdat ik mijn aanwezigheid daar gênant vond. Ik ben al bijna veertig jaar VPRO-lid, maar Veronica was de omroep waar we het meest aan hadden. Ja, ik heb in die tijd een innerlijke strijd gevoerd: ik moest mensen een hand geven van wie ik dacht: wat ben jij een verschrikkelijke lul! Ik deed mee aan tv-spelletjes en heb mij daarmee het Bekende Nederlanderschap op de hals gehaald dat ik nog iedere minuut van de dag vervloek. Gelukkig kan ik tegenwoordig zelf bepalen met wie ik spreek of in welk programma we optreden. Dat scheelt.”

XGij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

,,Ik heb de liefde van mijn leven gevonden, ik bezit twee huizen en we hebben succes met de band, maar je zult mij niet horen zeggen dat ik tevreden ben. Ik mág ook niet tevreden zijn, zeker niet over mezelf. Zo hervormd ben ik ook nog wel. Het kan altijd beter, je bent er nooit. Weet je wanneer ik denk: leun nu maar eens tevreden achterover? Als de kleinkinderen bij me zijn. Ja, echt, van alles wat ik heb bereikt, al die carrière-flauwekul, blijft niets over als ik met zo’n kleintje in mijn armen sta. Ik herinner me de dag waarop Luna, de oudste, zo ziek werd. Ze had wel veertig graden koorts, je weet toch hoe ziek kinderen ineens kunnen worden? Ze was nog geen jaar oud. Haar moeder moest werken, Elly moest werken en ik was de hele dag met dat meisje in de weer. Ze wilde niets. Buik tegen buik, beetje slapen, flesje, kusje, schone luier en weer verder slapen. ’s Avonds moest ik optreden in Doetinchem. Het werd een belachelijk slechte show waarvoor ik aan het eind mijn excuses heb aangeboden. Ik vond dat ik open kaart moest spelen. ’Het spijt me, maar mijn kleindochter was ziek.’ Ik schaamde me diep voor dat optreden, maar die dag met Luna was de mooiste van mijn leven.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden