Bennie Jolink zong altijd een octaaf te hoog. Nu klinkt hij als Johnny Cash.

door Hans Nauta

Rode borden waarschuwen voor politiehonden die vlakbij worden getraind, maar zanger Bennie Jolink staat rustig te roken tussen de bomen. Het platteland wordt door Den Haag de nek omgedraaid en raakt overbevolkt, ook door ondernemers die met hun tweede vrouw, vaak hun secretaresse, een buitenhuisje kopen (’Schat, doe die maar’) en meteen de motorcross laten verbieden, zegt hij later. Maar hier is het zo ruim, stil en blubberig als het hoort te zijn. Een piano rot weg in de regen en ruikt al naar bos. Hij was ’stuk’ en is vanaf de eerste verdieping zo naar beneden gekieperd. De hoge toetsen liggen nu bovenop de lage.

Is zijn band en ’levenswerk’ Normaal nauw verbonden met de Achterhoek, Jolinks studio-atelier ligt in Twente. „Die bomen in de verte, dat is de Achterhoek”, wijst hij. „Ik heb wel wat met Twente. Ik zat hier vroeger al in Enschede op de Akademie voor Kunst en Industrie en hou ook van FC Twente, al is De Graafschap mijn club.” Hij heeft een seizoenskaart en zit vaak in het vak achter de goal. Uitnodigingen voor de businessclub slaat hij af. „Allemaal bobo’s: ’hey Jolink, kom je een keer bij me op een feestje?’ Iedereen wil iets van me, ik niks van hun.”

Binnen hangt de lucht van gebakken hamburgers. Het zachte gedreun komt van een bevriend bandje dat boven een uur lang dezelfde cover van Jefferson Airplane speelt.

Bij een vraag naar het verschil tussen Twents en Achterhoeks begint een klein college. „Ik kan van een Achterhoeker op vijf kilometer nauwkeurig vertellen waar hij vandaan komt. Mijn Hummelo’s, West-Achterhoeks, is traag en goed gearticuleerd, zo zeggen we ’luus-te-ren’ en knijpen niet de laatste lettergrepen af zoals de Oost-Achterhoekers die ’leusten’ zeggen.” Er volgen meer voorbeelden, van het Vordens dat naar Zutphens neigt, het Middenachterhoeks en het Eibergens dat onder invloed van Twente een stuk platter klinkt. „Ons Achterhoeks verstaat iedereen. Dat is een van de redenen van het succes van Normaal geweest. ’Oerend Hard’ was in het plattere Twents vast geen hit geworden.” Soms werd hem vanuit de Oost-Achterhoek verweten een te net, aangepast Achterhoeks te zingen. „Maar het dialect van mijn vader is heel pietje precies.” Dat komt goed uit want als hij iets zingt wil hij verstaan worden.

„Nu met de provinciale verkiezingen hebben ze het over typisch Gelders. Belachelijk. Gelderland is wel drie provincies. Je hebt het knooppunt Arnhem-Nijmegen, waar alles verstedelijkt is, de Achterhoek en de Veluwe en de Betuwe, die je als zwartekousenstreek nog bij elkaar kan trekken.” Hij is op de hoogte van zwarte kousen. „Opa Bernhard, naar wie ik vernoemd ben, was een echte AR-man. En in mijn pubertijd was ik heel gelovig, we waren goed thuis in de Bijbel. Ik lees nu alles over de geschiedenis ervan.” Jan Siebelinks ’Knielen op een bed violen’ noemt hij een monument van een boek. „Doordat ik de streek goed ken, wordt het nog pregnanter.”

Het was ’eigenlijk heel eenvoudig’ hoe hij van dat geloof afraakte. Jolink was zeventien en een late puber. „Het eerste meisje waarmee ik wilde trouwen werd voor mijn ogen doodgereden bij een dropping. Ik legde mijn jas over haar heen. Op vragen aan de Almachtige Schepper kreeg ik vanzelfsprekend geen antwoord.” Hij werd ’fanatiek atheïst’. Op de kunstacademie hielpen ze hem van de laatste twijfel af. Later, terug in Hummelo, werd hij weer toleranter. „Ik zag wel dat geloof een functie heeft in een dorpsgemeenschap. Het biedt houvast, en dat wil ik niemand ontnemen.”

In 1964 kwam hij op de Akademie. „Je werd gestimuleerd om onaangepast te zijn. Onderscheid jezelf van de grijze massa. Ik leerde weinig, maar wel wie ik was en waar ik voor stond. En dat je niet hoeft over te doen wat een ander al gedaan heeft. Dat is plagiaat, diefstal.”

Ook toen hij beeldende kunst verruilde voor de boerenrockmuziek van Normaal („Niet met je tengels in de subsidiepot maar spelen, boe of applaus en afrekenen”) was creativiteit altijd het belangrijkste: „Het scheppen van iets waar eerst niets was. Nieuwe dingen bedenken.”

Hoe kan het dan toch dat hij zich in de beeldvorming maar bleef herhalen, vooral dat imago van zuipende rocker? „Heb ik ook ontzettend spijt van. Iedereen om je heen, de bandleden en het management, vinden dat je moet scoren. Meedoen met de hitparade, om de tent weer voller te krijgen. Het was heel tweeslachtig: op tv stond ik dronken te playbacken, thuis was ik al VPRO-lid en een boekenfreak, Tolstoj, Tourgenjev.” Drank verdoofde zijn gevoelens, maar in 1997 gingen zijn ogen wel open, zegt hij.

Hij werd depressief en op die periode is zijn nu verschenen solo-cd ’Opa, vertel es’ een krachtige reactie. Pure opnames van bluesy nummers over ontrouw, schijnheiligheid, commerciële tv, politiek als amusement en winter in Hummelo.

Bij een Johnny Cash-eerbetoon in 2004 ontdekte hij dertig jaar lang een octaaf te hoog te hebben gezongen. „De toonsoort van Cash, dat is mijn eigen stem. Dat was een Eureka-gevoel, net als toen we in 2000 het theater ingingen en ik ontdekte gewoon te kunnen zingen. Ik had twintig jaar gebruld.” In het openingsnummer ’Ies kan liehn’ klinkt zijn stem nu peilloos diep, krakend als de sneeuw op de Hummelse hei.

Tweemaal waren er financiële problemen met het management. „Als je na twintig jaar Normaal en je gezin verwaarlozen, door list en bedrog met nul centen dreigt te eindigen, je huis niet eens afbetaald, en dat door je eigen schuld, dat maakt wel depressief. Nog steeds, als ik terugkijk denk ik niet aan successen maar aan gezondheidsproblemen, de onrust over het geld, de echtscheiding. We hebben ook wel eens gelachen. Maar die opeenstapeling van ellende heugt me beter.”

Daarom wilde hij nooit dat zijn zoon Gijs, voorman van Jovink en de Voederbietels en organisator van het grote evenement Zwarte Cross, de muziek in ging. „Ik heb hem tegengewerkt. Jongen maak nou je studie af! En dat deed hij dan ook nog. Hij is veel slimmer dan ik.”

Als vader was hij weinig thuis, maar als grootvader paste hij lange tijd op zijn eerste kleinkind. „Toen ontdekte ik dat een ziek kind honderd keer belangrijker is dan dat geouwehoer over carrière. Deze meneer, die opa, zorgt dat het jou, zo’n poppetje, aan niks zal ontbreken.”

De opa uit het titelnummer is eigenlijk zijn vader, die verhalen vertelde over de brandhoutdief die niet wist dat er buskruit in het hout verstopt zat. „De deksel van de kachel vloog dwars door de radio, zulke details herinner ik me nog.” En dan was er het feuilleton van de paardenrace, met Yankee Talkie, Jopie Kauwgom en de Grote Pehaska op zijn Snelle Mustang. „Hij had een heel eigen geluid voor een dravend paard: ’Katopse katopse’.” Jolink vertelt zijn kleinkinderen over Brunus de Beer uit het Hummelse bos.

Op zijn zestigste voelt hij zich beter dan op zijn veertigste. „En het gekke is, nu alles op de rails staat, is de feesttent ook weer veel leuker.”

Hij is net begonnen met tromboneles. „Altijd van gedroomd. Het is frustrerend moeilijk, ik klink als een door pigmeeën in het nauw gedreven olifant. Maar ik ga gewoon door, zo eigenwijs als ik ben.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden