Bendes in Suriname azen op 50 miljoen uit Nederland

De regen dondert uit de hemel. Met de armen voor de borst gekruist staat de bevolking van het Indiaanse dorpje Kalebaskreek de boot van de PAS (Pater Albringh-stichting) op te wachten. De verpleegster, een mollige Indiaanse met een gitzwarte vlecht langs haar wang geknoopt, komt op een drafje aanhollen.

De PAS komt zonnepanelen installeren voor de kliniek en de zusterswoning. Een noodzakelijke voorziening, omdat de lichtmotor al jaren defect is en de zuster 's nachts spoedgevallen behandelt in het licht van een olielamp. De panelen lagen al drie jaar weg te stoffen in de stad. Door de gewapende acties van de militante indianengroepering Tucaja Amazones, die sinds 1989 een groot deel van het binnenland bezet hielden, was het voor buitenstaanders niet mogelijk het gebied te betreden. Nu lijkt dit binnen handbereik: president Venetiaan heeft met de gewapende groepen afgesproken om nog deze maand de vrede te ondertekenen.

Zuster Helvrieda leidt ons haastig naar haar woning, ingericht met witte tuinmeubelen en dierenhuiden. "Bent u hier nooit voor 'de toestand' geweest?" vraagt ze. "Dan had u kunnen zien hoe het hier achteruit is gegaan." Ze schudt spijtig haar hoofd. "De school is al drie jaar gesloten, omdat de onderwijzers weggevlucht zijn. De kinderen hebben al die tijd geen lessen gehad. Er is geen onderwijzer die hier naar toe wil komen."

Gelijk haar dorpsgenoten neemt zuster Helvrieda voorzichtigheid in acht. Ze spreekt niet over 'gewapende acties', 'oorlog' of 'problemen' maar over 'de toestand'. In 1989, toen de vrede in Suriname nabij leek door de ondertekening van het Kourou-akkoord tussen Ronnie Brunswijk en de regering, werd Suriname verrast door een nieuwe guerrillagroep: de Tucajana Amazones. Hun leider, Thomas Sabajo, onderhoudt nauwe contacten met legerleider Desi Bouterse, die er persoonljk voor zorgde dat de guerrillagroep goed bewapend werd. De eisen, verbreking van het Kourouakkoord en grondrechten voor de Indianen, werd kracht bijgezet door de bezetting van een groot deel van het binnenland. Houtkapbedrijven werden overvallen, tractoren, zaagmachines en boten in beslag genomen.

Voor de inheemse bevolking zelf hadden de acties van de militante Indianen nog de grootste gevolgen. Hoewel commandant Sabajo beweert de spreekbuis te zijn van alle Indianen, was niet iedereen even enthousiast. Vanuit Bigi Poika, een Indiaans dorp in het district Sipaliwi, werden jongens bewapend met karabijnen naar de andere dorpen gestuurd om het verzet te mobiliseren. Zo ontstonden in ieder dorp gewapende milities die de gemeenschap beschermden maar vooral controle in de dorpen zelf uitvoerden. Dorpshoofden die het niet eens waren met de acties werden onder bedreiging afgezet en vervangen. In sommige dorpen werden jonge jongens, veelal onder druk, voor hun guerrilla-opleiding naar Bigi Poika gestuurd.

De dorpjes aan de Coppename- en Nickerierivier liggen er nu verlaten bij. Wrakken aan de oevers herinneren aan de gewapende acties, tractoren staan in de struiken weg te roesten. De sluis is gesloten en wordt door passanten zelf bediend, de wachter is al lang geleden weggevlucht. Een pas van de Tucajanaleiding om het gebied binnen te komen is sinds de verkiezingen van vorig jaar meestal niet meer nodig. De dorpsmilities zijn teruggeroepen of afgezet.

Voor '89 was er een levendig handelsverkeer op de rivieren. Nu zijn er dagen dat er geen enkele boot voorbij vaart. De Surinaamse bedrijven wagen het nog steeds niet deze scheepsroute te volgen. Ook de overheid heeft het nog niet aangedurfd de lijnboot weer in te zetten. "Voor 'de toestand' konden we iedere week naar Paramaribo met die boot" , zegt Mario, een inwoner van Kalebaskreek. "Dat was onze taxi en ambulance en we konden onze vruchten en groenten naar de stad brengen om te verkopen. Maar die boot vaart al drie jaar niet meer. Een deel van de kostgronden (groentetuinen) hebben we nu vernietigd."

De Indianen van Kalebaskreek komen nog zelden in de stad. Al hun voedsel produceren ze zelf. Het dorp hangt vol met kokosnoten, bananen, mango's, pompoenen en ananassen. De rivier is rijkelijk voorzien van vis. In het gemeenschapshuis, dat net als de woningen uit hout is opgetrokken, met een vloer van aangestampte aarde, wordt vrolijk feest gevierd. Het is 1 juli, de afschaffing van de slavernij wordt herdacht. Jongens slaan op grote trommels, een vrouw schenkt kassiri (Indiaanse alcoholische drank) in uitgeholde kalebassen. "In het begin stonden vooral de jongeren pal achter de Tucajanaleiding" , zegt Mario. "Ze kregen geweren in hun handen gestopt en de commandanten beloofden gouden bergen. 'Vijfhonderd jaar hebben de buitenlanders het hier voor het zeggen gehad', riepen ze, 'en nu die weg zijn, verrijken de hindoestaanse zakenlieden zich. We moeten proberen het zelf te doen, in het binnenland zit alle rijkdom: hout, goud, bauxiet. De binnenlandbewoners kunnen allemaal rijk worden'."

Mario zucht. "Maar van dat alles is wel heel weinig terechtgekomen. Kijk naar de houtkap. In '90 kwam de hele bosbouw in onze regio, zo'n dertigduizend hectare, in handen van de Tucajana's. Maar ze wisten niet wat er mee te doen. De machines van de hindoestanen roesten hier gewoon weg. Na drie weken gebruik was een tractor kapot en niemand wist hoe je zo'n ding moest repareren." De Tucajanacommandanten besloten dan ook de ondernemers weer in het gebied toe te laten.

De Guyanese houthandelaar Premchan tekende vorig jaar een contract met commandant Mattoo, de rechterhand van Thomas Sabajo, om het hout in het gebied weer op te kopen. "Die jongens die het hout kappen, worden uitgebuit door hun eigen mensen" , zegt Premchan. "Voor een dag hard werken geef ik ze ongeveer 40 Surinaamse guldens. De rest van het geld verdwijnt naar de leiding van de Tucajana's. Zij zetten het op een rekening in de stad op naam van 'De Stichting ter bevordering van het Cooperatiewezen'. Dat geld is bedoeld om de ontwikkeling in de dorpen op gang te brengen. Maar tot nu toe is daar niets van terecht gekomen. Die commandanten steken gewoon alles in eigen zak, ik vraag me af hoe lang ze dat kunnen volhouden."

Het protest in de dorpen neemt toe. Pemchand werd door commandant Mattoo naar Kalebaskreek gestuurd omdat de houtkappers in de nabijgelegen dorpen Donderskamp en Tapuripa meer geld van de Tucajanaleiding eisten. "En nu beginnen de jongens hier ook al te morren."

Niet alleen bij Kalebaskreek beheersen de Tucajana's de houtkap. Sinds 1990 hebben ze de hele houtexploitatie in het westelijke deel van Suriname in handen. Alleen al bij het dorp Apura gaat het om een gebied van 60 000 hectare waar zo'n tweeduizend mensen werken. Voor een groot deel zijn dit Indianen uit het buurland Guyana, goedkope en hard werkende arbeidskrachten die niet veel eisen stellen. Het hout wordt afgenomen door drie grote hindoestaanse ondernemingen, die alle een contract hebben gesloten met Basja Frank, de huidige gezagvoerder in Apura. De kapitein van het dorp werd wegens 'ongeschiktheid' op non-actief gesteld.

Het is nog maar een paar jaar geleden dat Thomas Sabajo in een interview vertelde niets van een akkoord met de regerig of het inleveren van wapens te willen weten. In april werd Suriname echter verrast met het vredesakkoord tussen het Jungle Commando en de Tucajana Amazones. Een gebeurtenis die zowel bij de Surinaamse bevolking als de regering verheugde reacties opriep.

Opmerkelijk is echter dat het Jungle Commando en de Tucajana's onderling nauwelijks gevochten hebben, het akkoord was dus in zekere zin misplaatst. Een week later kwam de aap uit de mouw. De in Paramaribo gevestigde stichting Inply had de gewapende groeperingen benaderd voor een 'integraal bosbouwproject' in het binnenland. De financiering, van zo'n twintig miljoen gulden, werd toegezegd door een Nederlandse firma. Het plan zou behalve 'werkgelegenheid' ook 'ontwikkeling' moeten brengen. Inply stelde echter als voorwaarde voor de samenwerking dat er een vredesovereenkomst met de regering op tafel zou moeten komen. "Zonder vrede" , stelde Inply, "kan Suriname niet tot ontwikkeling worden gebracht."

Niet iedereen reageerde even enthousiast. De Tucajana's kregen ruzie in eigen gelederen. De vier hoofdcommandanten hadden de overeenkomst met Brunswijk en Inply op eigen houtje gesloten, zonder overleg met de overige leiders van de Tucajana's. Ook onder de Indiaanse bevolking is veel scepsis. De afgelopen drie jaar hebben ze niets van de beloofde ontwikkeling teruggezien. De werkgelegenheid werd slecht betaald.

De ouderen in de dorpen zijn het meest ontevreden. Sinds het ontstaan van de Tucajana's hebben ze veel van hun traditionele invloed en macht in de dorpen verloren. Door de jongeren worden ze genegeerd of van hun positie verdrongen. Maar op hun beurt zijn de jongeren niet meer zo enthousiast als in het begin, de dorpen zijn nog meer geisoleerd geraakt en de verlokkingen van de stad spelen een steeds grotere rol.

Voordat de vrede definitief gesloten kan worden hebben regering en gewapende groepen nog veel te bepraten. Belangrijk is het inleveren van de wapens en de positie van Brunswijk en Thomas. Maar ook de goedkeuring van het vredesakkoord door het traditionele gezag van de binnenlandbewoners staat op de agenda. Overeengekomen is dat de OAS (Organisatie van Amerikaanse staten) bij het inleveren van de wapens aanwezig zal zijn. Dat laatste zal deels niet meer nodig zijn. Anderhalve maand geleden kwamen Desi Bouterse en commandant Mattoo persoonlijk in de dorpen langs de Coppename de wapens ophalen.

De ogen van de kapitein van Tapuripa, een dorpje met nog geen tweehonderd inwoners, worden vernauwen als het bezoek van de legerleider ter sprake komt. In zijn houten tuinstoel op het grasveld voor de kliniek slurpt hij met zuinige slokjes de bittere kassiri naar binnen. "Bouterse heeft de Indianen van alles beloofd, maar in de tijd dat hij de macht in handen had, zijn ze vergeten. En nu durft hij hier weer te komen met zijn beloftes." De kapitein zegt dat hij heel goed begrijpt waarom de Tucajana's zo'n haast maken met de vrede. "Nederland stelt vijftig miljoen beschikbaar voor de ontwikkeling van het binnenland en Brunswijk en de commandanten willen de inhoud van deze pot niet missen."

Hij kijkt verlangend uit naar de dorpshoofdenvergadering, over twee weken in Paramaribo. "Door de leiding is zoveel angst gekweekt bij de bevolking en dorpshoofden. Maar ik ben niet bang meer om mijn mond open te doen." Een brief naar de president heeft hij al verstuurd. "Er moet vrede komen" , vindt de kapitein, "van al dat schieten heeft de bevolking de buik vol. Maar er moet ook ontwikkeling komen voor het hele volk. De Tucajana-commandanten mogen geen machtsrol meer krijgen in de dorpen. Die hebben de boel alleen maar verziekt."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden