Benali: Dan merk je dat schrijvers zelf ook kind zijn geweest

Schrijver Abdelkader Benali stelde een kloeke bloemlezing uit de Nederlandse kinderliteratuur samen.

Met ’Rupsje Nooitgenoeg’ is zijn leven in boeken begonnen, zegt Abdelkader Benali (1975). Hij ’las’ het op school, niet thuis, want in het analfabete universum van zijn ouders bestonden boeken niet. Na het rupsje verslond Benali de hele kinderliteratuur, van Hans Andreus tot Thea Beckman: „Zij hebben me literair gevormd.”

Vanwege deze schatplicht ging Benali graag in op het verzoek van uitgeverij Prometheus om een bloemlezing samen te stellen uit verhalen voor kinderen van 1800 tot nu. Die ligt vanaf de Kinderboekenweek, die vandaag begint, in de winkels, 960 pagina’s dik.

Het was een flinke kantoorklus: de schrijver bekeek alle verhalenbundels en tijdschriftjaargangen uit de kinderboekencollectie van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Daaruit koos Benali intuïtief: „Ik begon met een zin, sprak die me aan dan las ik verder.”

Zo ontstond een subjectieve collectie, zegt Benali, geen wetenschappelijk verantwoorde: „Ik wilde dat een verhaal persoonlijkheid had.” Die vond hij bij auteurs die inmiddels tot de kindercanon behoren: Paul Biegel, Tonke Dragt, Guus Kuijer, Joke van Leeuwen, Annie M.G. Schmidt. Maar ook in vergeten, veelal anonieme verhalen uit de vorige eeuwen.

Zoals de geschiedenis van Hendrik Vonk (rond 1800), een eersteklas etter die alle kinderen uit de buurt terroriseert. Hun wraak is wreed: ze slaan Hendrik helemaal verrot en van zijn vader krijgt hij nog een oorvijg toe. Volgens Benali is dit exemplarisch voor de kinderliteratuur uit die tijd: „Het kind is in principe slecht, zijn straf wordt plastisch beschreven. Verhalen hebben een sterk tuchtigingselement.”

Vanaf 1850 wordt het veiliger om kind te zijn, zegt Benali: ouders peperen hem iets vriendelijker hun lesjes in. Als een jongen de poes met het breiwerkje van zijn moeder vermaakt, dan krijgt hij van haar gewoon een standje. Dergelijke brave verhalen sneuvelden veelal onder het kritische oog van de bloemlezer.

Leuker wordt het in de twintigste eeuw, vanaf Theo Thijssen, zegt Benali: „Dan merk je dat schrijvers zelf ook kind zijn geweest. In hun verhalen is het kind autonoom, hun nieuwsgierigheid wordt niet afgestraft maar beloond.” Het kind is vanaf dan een ’schatkist’, zegt Benali, dat zijn fantasie volgt en meer lef heeft dan volwassenen.

Er sluipt later, na de Tweede Wereldoorlog, meer grimmigheid in de kinderverhalen: „De wereld is slecht, het kind is goed. Hij moet tegenslagen overwinnen: zijn vader wordt werkloos, zijn ouders gaan scheiden. Zijn verantwoordelijkheid neemt toe.” De jonge hoofdpersoon vlucht vaak in de fantasie: „Kinderliteratuur gaat over het moment waarop de fantasie de werkelijkheid binnendringt. Dan wordt het kind opgetild, kan het beter voelen en zien.” Zijn overleden opa komt weer tot leven, het kind kan vliegen bovendien.

Die fantasie heeft in de volwassenenliteratuur plaatsgemaakt voor seksualiteit, zegt Benali: „Seks is het scharnierpunt, seks drijft en verandert de hoofdpersonen vaak. Daar kan de fantasie het nooit meer van winnen.” Wel jammer, vindt Benali, die zijn eigen romans voor volwassenen graag met wonderlijke elementen kruidt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden