Ben jij wel een Nederlandse?

In haar oorlogsdagboeken beschrijft Hanny Michaelis, later dichteres, hoe het antisemitisme van haar leraar Grieks haar raakt. "Ik keek hem aan, ten teken dat ik het als Jodin verdomde mijn ogen neer te slaan voor een ariër." Een voorpublicatie.

12 maart 1941

Op Grieks gebeurde er een drama. Greetje kreeg de eerste beurt met repeteren. Ze kende het niet perfect en terwijl hij beweerde, dat wij tweeën de vorige keer ook helemaal niet hadden opgelet, ging hij op mij over. Ik kende het ook niet bijzonder, hoewel ik geen échte fouten had gemaakt. Maar hij werd woest en gaf ons beiden 15 Cap. Herodotus op voor vrijdag. En of het door de nog nawerkende triomf van Nederlands kwam, in ieder geval dacht ik direct aan Karel en Ben die de laatste tijd nooit hun les kennen en dat ook zonder blikken of blozen durven toegeven, als hij het ze vraagt, zonder ooit straf te krijgen en ineens werd ik zó woest, dat ik iets tegen Greetje zei van 'onrechtvaardigheid'.

Van Leeuwen merkte het en vroeg, wat ik had. En ik, ondanks mijn gewone lafheid, zei kalm en duidelijk, dat ik het hoogst onrechtvaardig vond omdat anderen hun les óngestraft niet mogen kennen. Hij was paf, maar beheerste zich nog in zóverre, dat hij met volkomen ontoereikende argumenten aankwam: ééns moet het de eerste keer zijn, dat er strengere maatregelen worden toegepast en bovendien zou hij nog twee anderen de beurt geven die hetzelfde lot zouden ondergaan als ze hun les niet kenden. Hij wist natuurlijk bliksems goed, dat het me dáár niet om te doen was, maar ik hield verder mijn mond, nog ziedend van woede.

Hij gaf nu Tilly de beurt en daarna Loes ('om Hanny's rechtvaardigheidsgevoel te bevredigen'!). Ze kenden het inderdaad niet en kregen ook 15 capita, waar ik de pest over in had, want nu leek het net of ík er de schuld van was. Maar nog zou ik niets gezegd hebben, als hij me niet met een sarrend gezicht en quasi-bezorgd had gevraagd: 'En, Hanny, hoe staat het nú met de

onrechtvaardigheid?', waarop ik zó woedend werd, dat ik, zonder naar Greetjes gefluisterde vermaning te luisteren, antwoordde: 'Die blijft even groot.'

Er ging een schok door de klas heen en Van Leeuwen zelf was ook stomverbaasd. Zijn gezicht verstrakte ineens en één moment zweeg hij perplex, voor hij met een stem, die trilde van ingehouden woede, zei: 'Ja, dán moet je de les maar uitgaan.' Terwijl ik opstond en mijn tas pakte, zei hij nog iets van officieel mijn excuses moeten aanbieden voor ik weer in zijn les kwam en toen verdween ik naar den rector.

Ik trilde ineens van nervositeit, ik kon wel huilen niet van angst of zo maar van opwinding. Bij de rector, die me direct en terecht voor een 'stommerd' uitmaakte, kon ik me haast niet meer goedhouden, maar gelukkig kon ik me nog bedwingen. Hij zei ook nog, dat, als er één categorie was die zich gedekt moest houden, wíj het wel waren en hij had ook gelijk. Toch kon ik merken, dat zijn sympathieën aan mijn kant stonden en juist dat maakte me nog zenuwachtiger.

Toen ik in de hall moest blijven wachten, voelde ik me ellendig, voortdurend op het punt te gaan huilen en met visioenen van Gestapobezoek etc. Toen de bel ging, kwam Vreeken voorbij. Ik hoopte vurig, dat hij door zou lopen, maar hij ging direct op me af en vroeg bij wien ik eruit getrapt was. Ik kon haast geen woord uitbrengen, hij deed zo ongelofelijk sympathiek, dat ineens de tranen toch kwamen, hoewel ik ze direct terugdrong. Hij sprak me een beetje moed in, nadat ik hem verteld had, dat ik brutaal was geweest, en zei, dat ik maar niet moest huilen, dat ik mijn tranen beter kon bewaren en dat het best mee zou vallen. Met een veelzeggend gebaar van 'oppassen voor de N.S.B-ers' verdween hij tenslotte.

Daarna kwam Hannie Alving op me toe om me te bemoedigen en Eldert, die langskwam, knikte me heel even lachend en hoofdschuddend toe, alsof hij wilde zeggen: 'Trek je er maar niets van aan hoor!' Dat hielp me ineens over het ergste heen. Daarna kwamen Dini, Corrie en Greetje nog even kletsen.

Onder de hand stond de rector met Van Leeuwen te onderhandelen en eindelijk kwam hij naar me toe. Het viel me achteraf erg mee; hij zei, dat v. Leeuwen over mijn gedrag niets had te klagen, dat hij zelfs zei, dat ik me 'keurig' had gedragen, maar dat hij nu eenmaal de hand aan het huiswerk moest houden (!) en dat ik, als ik me onbillijk behandeld voelde, morgen maar met hem moest spreken. Hij wilde ook absoluut niet, dat ik gestraft werd, daar was volgens hem geen reden voor. Ik vond het nogal verdacht, maar morgen zal ik wel erg tam zijn en iets goeds bedenken.

De rector was ook erg opgelucht, hij lachte me ineens tevreden toe en legde zijn hand op mijn schouder toen ik wegging. Buiten waar ze op me hadden gewacht, was ik ineens de heldin van de dag, ik voelde me een beetje onwennig in die rol![...]

14 maart 1941

± half 9 's avonds

Vanavond aan tafel zei mammie in de loop van het gesprek: 'Jíj - jij bent toch veel te bang. Maar goed ook in deze tijd.' Ze bedoelde mij natuurlijk en ik hield met moeite de woorden in, die me op de tong brandden: 'Zó, ben ik bang? En de geschiedenis met v. Leeuwen dan? Toen was ik de enige die iets durfde te zeggen, die niet te benauwd was om zijn onrechtvaardigheid te laten passeren!' Maar ik bepaalde me tot een raadselachtig glimlachje en dacht: 'Wacht maar - later vertel ik jullie nog wel eens, hóe bang ik ben geweest.' Want ik heb ze hiervan niets verteld. Ze zouden zich maar ongerust maken en wat niet weet, deert niet. Ik heb ook Greetje, die het thuis had verteld, op het hart gedrukt, haar ouders te zeggen, dat ze er morgenmiddag vooral niet over moeten spreken. Ze snapte het wel. Ze zei overigens, dat ze het bij hun thuis 'geweldig flink' van me vonden, hoewel een beetje roekeloos en onbesuisd.

Trouwens: de hele klas vond het reuze, verschillende lui zeiden het ook tegen me. Vanmorgen in de fietsenkelder vroeg Erik me, hoe het gisteren met v. Leeuwen was afgelopen, of het nog ernstige gevolgen had gehad. Ik zei, dat het wel mee was gevallen, ik heb niets losgelaten van wat hij tegen me heeft gezegd.

In werkelijkheid was het verschrikkelijk, veel erger dan ik me had voorgesteld. Ik was er gisteren de hele verdere dag beroerd van. Toen ik in de gang op hem toekwam met de woorden: 'Ik kom u mijn excuses aanbieden over mijn gedrag van gisteren...' dacht ik, dat het wel zou meevallen. Hij zei iets onvriendelijks over mijn 'snibbigheid' en mijn 'brutaliteit' ik mompelde wat over mijn 'drift' en toen ik in de mening verkeerde, dat het al achter de rug was, zei hij ineens, terwijl hij me met twee afschuwelijk hardgrijze ogen aanstaarde, net twee glazen knikkers: 'Bén jij eigenlijk Nederlandse?' Ik had een gevoel alsof de grond onder me begon te golven - 'daar héb je het' flitste het door me heen - en onwillekeurig greep ik naar de muur achter me.

Maar ondanks de emotie die deze vraag in me te weeg bracht, ondanks het hameren van mijn hart, het beven van mijn knieën en de prop in mijn keel dacht ik ook hardnekkig: 'Níet je ogen neerslaan - niets laten merken. Moet je je door de eerste de besten boerenkinkel om je ras laten beledigen?'

Dát en de razende woede, de machteloze drift van je niet te kunnen verweren (nóg niet, tenminste) maakte, dat ik zijn vuile, schijnheilige, doorborende blik doorstond en mijn ogen recht in de zijne hield.

Toch scheen er iets in mijn blik door te lichten van wat er in me omging, want hij scheen een moment te schrikken en voegde er toen aan toe: 'Bén je eigenlijk genaturaliseerd?' Dat was de tweede stoot, die aankwam. Ik dacht, dat ik door de grond ging, maar wéér beheerste ik me krampachtig en met de gedachte: 'Ik verdóm het om hierop te antwoorden, jij smeerlap' keek ik hem nog steeds recht aan.

Toen ging hij verder: 'Ja, je vader heeft me eens een keer opgebeld en ik vind dat allemaal heel best, maar je hebt je hier dan ook te gedragen als gást. Als ík in een vreemd land ben, bijvoorbeeld in Amerika, kan ik ook niet doen wat ik wil.' (Maar wel voor je recht opkomen, dacht ik bij mezelf, maar ik zei niets.)

Enfin, met dit laatste was hij toch enigszins teruggekrabbeld, d.w.z. had hij het dus doen voorkomen of hij me niet als Jodin, maar als Duitse Jodin 'waarschuwde', maar de schok was even zwaar geweest. Hij kletste nog wat door, zei o.a. dat 'dáárom zoveel beroerde dingen in Nederland gebeurden (hij doelde kennelijk op de Jodenrelletjes), die hij persoonlijk diep betreurde maar die alleen aan de mensen zelf te wijten waren'. Ik was wel wijzer dan me opnieuw te laten verlokken zijn vuile, gehuichelde en gelogen kletspraatjes te weerleggen en bleef hem dus, alleen onafgebroken recht aankijken, ten teken dat ik het verdomde als Jodin mijn ogen neer te slaan voor een 'ariër'.

Mijn houding scheen hem toch een beetje terecht te wijzen, hij krabbelde steeds meer terug, maakte zelfs in zekere zin verontschuldigingen door te zeggen, dat hij over die dingen heel anders dacht dan ik wel meende. Overigens zei hij ook nog, dat ik hem al van tevoren had verdacht van Greetje en mij onbillijk te willen behandelen. Ik zei natuurlijk, dat het niet waar was, maar het was wél zo. En het beste bewijs, dat ik terecht die verdenking had gekoesterd, was wel dit gezegde van hem. Want als hij zich van niets onrechtvaardigs bewust was geweest, hóe had hij dan kunnen menen, dat ik me al bij voorbaat onbillijk behandeld voelde?

- Enfin, daarmee was het na nog een paar verzoenende woorden van zijn kant afgelopen, hij liet me zelfs vóór hem de klas binnengaan. Maar de hele les door had ik een strak gevoel in mijn ogen en een slapte in mijn knieën. In de pauze vertelde ik het Greetje, maar ik zei erbij, dat ze het, voorlopig, niemand anders moest vertellen.

Ik wil niet, dat er nog over gesproken wordt, ik ben bang, dat hij me dan wél een hak zal gaan zetten. Zelfs nu heb ik het gevoel van onveiligheid niet helemaal overwonnen, ofschoon ik niet geloof, dat hij ons iets kan doen, dat hij ons iets wíl doen. Zo'n ploert is het nu ook weer niet, au fond is hij nog tamelijk goedhartig.

De rest van de uren voelde ik me allerberoerdst. Ik hoorde ieder ogenblik weer die woorden: 'Bén je eigenlijk Nederlandse?' en zag ik die akelige lichtblauwe stuiters zich in mijn ogen boren. En dan kreeg ik weer dat duizeligmakende gevoel van misselijkheid en ergens in mijn maag die dunne, vlijmscherpe pijn, als een mes.

Toen ik om half 6 de gang doorliep, hield de rector me aan om te vragen of het in orde was met mijnheer van Leeuwen. Ik antwoordde zo vrolijk als ik kon 'ja' en hij vroeg nog of we weer 'op voet van vriendschap' stonden, waarop ik nog maar eens quasi-opgewekt knikte. Hij lachte me opgelucht toe, hij had er zelf ook mee íngezeten en ik wist aan welke kant zijn sympathieën stonden.

Volgende week verschijnt 'Lenteloos voorjaar. Oorlogsdagboek 1940-1942' (Van Oorschot; euro 34,99). Het is het eerste dagboek van de Joodse Hanny Michaelis, bijgehouden tussen haar zeventiende en twintigste; ze was ouder dan Anne Frank en jonger dan Etty Hillesum, wier dagboeken eerder verschenen. Volgend jaar komt het tweede deel uit, 'Stilstaand water'.

Hanny Michaelis

In de Tweede Wereldoorlog hield Hanny Michaelis (1922-2007) een dagboek bij. Toen de oorlog uitbrak, zat ze in de vijfde klas van het Vossius Gymnasium in Amsterdam. Het eerste deel van het dagboek ('Lenteloos voorjaar', 1940-1941) beslaat haar schooltijd en de werkloosheid na haar eindexamen waartoe ze vanwege haar Joodse afkomst gedwongen was. Het tweede deel ('Stilstaand water', 1942-1945) gaat over haar ervaringen als dienstmeisje, en als onderduikster bij orthodox-gereformeerde gezinnen. Dankzij de onderduik overleefde ze de oorlog, maar haar ouders zijn vermoord in Sobibor. Hanny's vader was geboren in Duitsland; haar moeder was Amsterdamse.

Op het gymnasium waren enkele leraren en leerlingen met NSB-sympathieën. Hanny Michaelis had nogal wat te stellen met de classicus J. van Leeuwen en klasgenoten Karel van Staal en Ben Struijs. In het hiernaast afgedrukte fragment figureert ook Greetje Santcroos, net als Michaelis van Joodse afkomst. W.A.L. Vreeken was de andere classicus van wie ze les had.

Michaelis trouwde in 1948 met de schrijver Gerard Reve. Een scheiding was onafwendbaar toen Reve niet langer onder zijn homoseksualiteit uitkon, maar ze bleven bevriend.

In 1996 verscheen haar gebundelde poëzie; een jaar eerder ontving ze de Anna Bijnsprijs en de Sjoerd Leikerprijs voor haar gehele oeuvre. In het najaar van 2002 publiceerde zij haar jeugdherinneringen in 'Verst verleden'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden