Ben jij het?

Social networking is in een paar jaar tijd een enorme industrie geworden. ’Het is niet meer weg te denken’, zeggen mensen dan, maar mij kost het vooral moeite het erbíj te denken. Om het een plek te geven, als ik die verfoeide uitdrukking even mag gebruiken. Een plek naast al die andere media en communicatiekanalen die al in mijn leven zijn.

Uit nieuwsgierigheid ging ik een paar weken geleden op twitter, maar ik betwijfel of het iets voor mij is. Wat mensen in die netwerken met elkaar delen is vooral hun internetleven. Dat zie je op twitter: veel twitteraars sturen alleen maar links rond, en op Facebook en MySpace gebeurt dat ook veel. Het is alsof mensen met elkaar corresponderen over de andere post die ze ontvangen.

Om dat te doen zou je een kopieermachine, schaar en lijmpot bij de hand moeten houden – ’Dit schreef mijn goede vriend F. me vanochtend’, ’hier een pagina uit de Gamma-folder die ik vanochtend in de bus kreeg’ – maar dankzij de hyperlink gaat dat op internet heel gemakkelijk. Wat we ’s’ochtends bij de koffieautomaat met de televisie van gisteravond doen,’‘zag je Aboutaleb gisteren nog bij Nova?’, doen we op sociale netwerken met internet. Maar niet live, als de een spreekt is de ander alweer iets anders aan het doen en andersom, als een hond die wordt uitgelaten en alle plekjes afgaat waar de andere honden eerder zijn geweest. Vooral twitter, waar je nooit meer dan 130 lettertekens kunt posten, heeft dat sterk. Even kijken wie er nu weer hun poot gelicht hebben en of daar misschien nog een paar druppels overheen moeten.

Toch heeft social networking ook zijn mooie kanten.

Begin jaren tachtig had ik een tijdje verkering met een meisje uit Noorwegen, R**** L*** L****. We leerden elkaar kennen tijdens een kerstvakantie in Bergen, waar zij woonde, reisden een tijdje op en neer om elkaar te zien en toen raakte het uit. Zij was dol op een plaat die ik had, het debuutalbum van The Mo, een Nederlandse bandje uit die jaren, en de laatste keer dat we elkaar zagen – al wisten we dat toen nog niet - gaf ik hem aan haar. Voor het eerst in die achtentwintig jaar hoorde ik laatst weer muziek van The Mo, op de radio, het nummer Fred Astaire, één van hun hits. Ik tikte haar naam in bij Google. In beeld verscheen de luchtopname van een huis, een boerderij, zo te zien, eenzaam en afgelegen op een eiland voor de Noorse kust. Daar woonde ze tegenwoordig, volgens Google Maps, althans iemand met dezelfde naam. Tegen beter weten in hield ik de zoomknop ingedrukt, alsof je op die manier door dat dak heen kon kijken, om te zien wie er woonden.

Maar deze R.L.L. zat ook op Facebook. Geen pasfoto, geen notities, slechts een handjevol ’vrienden’. ’Hi there,’ mailde ik, ’Is it you?’ Ruim twee weken checkte ik elke dag mijn in-box, zonder reactie. Tot er ineens een berichtje was: ’Yes,’ schreef ze, ’it’s me. Sorry dat het zo lang duurde, ik gebruik Facebook eigenlijk nooit, maar zo zie je, het is toch ergens goed voor. Hoe is het met je?’

Ze wist nog hoe mijn kat heette. En dat ik soms vanuit mijn zolderraam de meeuwen voerde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden