Belgische patatgeneratie heeft geen wilskracht

ALPE D'HUEZ - Met zestien renners waren de Belgen naar de Tour de France gekomen. Halverwege de jaarlijkse uitputtingsslag voor hardfietsers is het restant letterlijk op de vingers van één hand te tellen. Gisteren, in de tweede Alpenetappe, stuurden Eric Vanderaerden en Marc Wauters hun kat, zoals de Vlamingen dat noemen.

JOHAN WOLDENDORP

De afgang van het wielrennen bij de zuiderburen werd een dag eerder vooral gesymboliseerd door de ontmanteling van vrijwel de gehele Lottoploeg. De bus van de laatste renners arriveerde te laat in La Plagne, en waar vier goedgelovige Lotto-reizigers op clementie rekenden, besloot de jury alleen de eveneens buiten de tijd gearriveerde Frederic Moncassin in koers te houden. Hij zou benadeeld zijn door een valpartij. Hij is bovendien Fransman.

Dinsdagavond stond ploegleider Jean-Luc Vandenbroucke van Lotto nog te perplex van het drama dat hem was overkomen - hij heeft nu nog slechts twee coureurs aan het werk in de Tour de France - om te reageren. Gisterochtend bij de start in Aime was de Walloniër de ontreddering nog altijd niet voorbij. “Ik was niet alleen ontgoocheld, ik was ook zeer boos. Tijdens de groepsbespreking had ik de indruk dat ze allemaal moeite hadden om me recht in de ogen te kijken. Een van de meest gehoorde excuses was dat het peloton in de loop der jaren alsmaar sneller is gaan rijden. Wij zijn nog even goed als vroeger, zeiden ze er bij. Ik vind dat een opmerking om te lachen, als de situatie niet zo diep treurig zou zijn.”

Oud-coureur Vandenbroucke twijfelt oprecht aan de beroepsernst van de vaste waarden in zijn ploeg, die nota bene al in eerste instantie door de Tourdirectie voor La grande boucle werd geselecteerd. Dat had meer te maken met de geografische ligging van België ten opzichte van Frankrijk en de daaraan gekoppelde commerciële belangen dan met de sportieve prestaties van de formatie, waarin de allang thuis zittende Wilfried Nelissen de enige 'winner' is. “Kritikasters hebben mij gevraagd of de renners conditioneel sterk genoeg zijn om in de Tour te kunnen rijden. Moet ik dan coureurs als Corvers, Mattan en Van de Wouwer meenemen? Die zijn nog veel te jong. Stel ik ook maar één van die drie op, dan krijg ik het verwijt dat ik niet aan de toekomst van de jongens denk. Dat verwijt zou dan overigens terecht zijn. Daarom stond ik voor de ploeg zoals die in Saint-Brieuc begon. Ik heb de coureurs vooraf op de man af gevraagd of ze voor hun opdracht stonden. Neem een Mario de Clercq. Drie dagen voor het Belgisch kampioenschap vroeg hij mij: ik zit er toch wel bij, hè? Ik heb hem toen gezegd dat hij vorig jaar drie dagen voor Parijs had opgegeven en dat ik niet zit te wachten op een type renner als hij. Mario heeft me beloofd dat ik me geen zorgen hoefde te maken. Hij zou werken voor de ploeg, hij zou sprints voor Nelissen aantrekken, hij zou alles doen wat in zijn vermogen lag. Natuurlijk hebben we de brute pech gehad dat we Nelissen door een val zijn kwijtgeraakt. Anders hadden we wellicht een ritje gewonnen en waren we op een andere manier thuisgekomen. Maar dat verheelt niet dat we op onaanvaardbare wijze in de eerste de beste Alpenetappe vijf man zijn kwijtgeraakt. Ik ben realistisch genoeg om niet een overwinning op Alpe d'Huez te verlangen. Wat ik wel vraag is op tijd binnen te komen en op wilskracht proberen Parijs te halen.”

Het falen van de Lottoploeg wordt echter ook voor een belangrijk deel aan Vandenbroucke toegeschreven. Hij zou zijn renners te veel wedstrijden laten rijden, te nerveus zijn, en een broertje dood hebben aan moderne trainingsmethodieken. Hij zweert bij oude, achterhaalde formules: kilometers, oneindig veel kilometers rijden en fietsen op wilskracht. Een treffend voorbeeld in dit verband is Frank Vandenbroucke. De volle neef van de ploegleider wordt het enige talent genoemd dat België rijk is. Hij tekende zijn eerste profcontract bij de ploeg van zijn oom, maar kwam er al snel achter dat die zijn ontwikkeling als wielrenner in de weg stond. Shame and scandal in the family, zou de wielersoap kunnen heten; al maanden wisselden de twee geen woord met elkaar. Mecanicien Vandenbroucke, de vader van Frank, zat er als buffer tussen. De jonge renner had er contractbreuk (en derhalve begin dit jaar een rechtszaak) voor over om bij Mapei (Rominger, Museeuw) te kunnen rijden. Wat verder niet in het voordeel van Jean-Luc Vandenbroucke pleit is dat hij de overwegend Nederlandstalige renners uit de ploeg consequent in het Frans toespreekt. Hij kent naar verluidt drie Nederlandse uitdrukkingen: goedendag, goed geslapen en goed gegeten.

Vandenbroucke heeft zijn leidende rol in de ploeg bovendien aan een politieke benoeming te danken. Toen hij stopte als coureur, moest de toenmalige directeur-sportief Walter Godefroot stante pede plaatsmaken voor het gemeenteraadslid van Moeskroen. Hij geldt als een vertrouweling van zijn partijgenoot (van de PSC, de Waalse christen-democraten) Philippe Maystadt. Maystadt is minister van financiën in het kabinet Deheane en de hoofdsponsor van het staatsgokbedrijf Lotto. De positie van Vandenbroucke lijkt onveranderd sterk, nu Maystadt na de recente parlementsverkiezingen op zijn post bleef zitten.

Vandenbroucke noemt die kritiek ongenuanceerd. Dat hij als ploegleider tal van tekortkomingen zou hebben, vindt hij een niet relevante opmerking. Onmiddellijk kaatst hij de bal terug naar de patatgeneratie in zijn stal. “De Belgische wielersport heeft geen niveau,” stelt hij vast. “Het probleem is dat de renners veel geld verdienen, maar niet beseffen dat ze voor dat vele geld iets terug moeten doen. Het mankeert hen aan wilskracht, aan liefde voor het beroep. Ze zijn te gemakzuchtig, ze zitten bij Lotto, wat kan hen nog gebeuren? Altijd hebben ze dezelfde excuses: of ze rijden te veel koersen of ze rijden juist te weinig koersen. De feiten liegen niet: altijd worden Belgen als eersten gelost. Of je nou naar de Tour de France kijkt, de Midi-Libre, de Dauphiné of de klassiekers. Dat is niet specifiek het probleem van Lotto, dat is het probleem van de Belgische wielersport in zijn algemeenheid. Dat zal niet verbeteren, zolang de instelling van de renners niet verandert. Eén factor die in dat verband ook dodelijk is, is dat onze profrenners nog geen twee dagen van hun huis kunnen. Dan krijgen ze alweer heimwee naar hun lief, hun ouders en hun supportersclub.”

Vandenbroucke kan slechts drie landgenoten noemen die met de besten in het peloton meekunnen: Museeuw, Nelissen en Bruyneel. “En er is een belofte,” voegt hij er aan toe, “mijn neef Frank. Daarachter gaapt de grote leegte. Ik zou best nieuw bloed in mijn ploeg willen pompen. Ik zou omstanders willen wijzen op de vechtersmentaliteit die mijn groep kenmerkt. Maar ik moet het contractueel met overwegend Belgische renners doen. Wie moet ik nemen? Ik weet het niet.”

In theorie zou Vandenbroucke aan het eind van dit rampseizoen schoon schip kunnen maken. Slechts vijf renners staan voor 1996 onder contract: Tsjmil, Nelissen , Mattan, Sergeant en de van Novell overkomende Wauters. “Bruyneel heeft bij Lotto gezeten en is een goede coureur geworden, Museeuw eveneens. En Tsjmil wint in het Lotto-shirt klassiekers. Ben ik dan verkeerd bezig met de ploeg? Ik denk het niet.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden