Beleggingsclubs zijn er voor de lol en om te leren

Particuliere beleggingsclubs zijn er puur voor de lol en om te leren. Dat is de gedachte achter het besluit van minister Zalm van financiën om de omvang en het kapitaal van deze clubs aan banden te leggen.

Het besluit van Zalm verscherpt het onderscheid tussen een particuliere beleggingsclub en een beleggingsinstelling. Het voorkomen van incidenten in het verleden maakt dit noodzakelijk. Vers in het geheugen ligt bijvoorbeeld de affaire rond de beleggingsclub D'n Anwas in Doetinchem. Dit was een groep van enkele honderden rijke particulieren die elk een inleg hadden gedaan van zo'n 100 000 gulden. Vorig jaar oktober bleek dat de plaatselijke Rabobank het geld te riskant had belegd, wat de leden op een zwaar verlies kwam te staan. Kern van de zaak was dat de club handelde onder de vlag van een beleggingsstudieclub, maar in werkelijkheid was uitgegroeid tot een beleggingsinstelling. En voor dat laatste is een vergunning nodig van De Nederlandsche Bank (DNB).

Met zijn gisteren in de Staatscourant gepubliceerde besluit omschrijft Zalm nauwkeurig de grenzen waarbinnen particuliere beleggingsclubs kunnen opereren. In de eerste plaats mag de club uit maximaal 25 leden bestaan. De eerste inleg van elk van deze personen mag maximaal 20 000 gulden bedragen. Omdat de inleg van de leden hun risico bepaalt, zo redeneert het ministerie, mag met de winst op de beleggingen gerust worden doorbelegd. Zo beperkend is de regel dus ook weer niet. Verder heeft Zalm bepaald dat mensen of instanties die zich professioneel met beleggen bezighouden, niet voor de club mogen handelen. Ten slotte moet het karakter van de beleggingen binnen het risico van de inleg blijven. Transacties met het risico dat beleggers achteraf moeten bijbetalen om een negatief verschil glad te strijken, zijn dus taboe.

De wet is als een beperking uit te leggen, maar ook als een vrijstelling. De clubs die binnen deze grenzen blijven handelen, mogen dat immers doen zonder toezicht en zonder dat daar een vergunning voor nodig is.

Tot nu toe waren beleggingsclubs eigenlijk beleggingsfondsen en werd hun handelen zonder vergunning door DNB en Financiën 'gedoogd'. Om die reden krijgen beleggingsclubs die nu nu nog niet aan alle voorwaarden voldoen een tijdelijke vrijstelling. Voldoen ze daarna nog niet, dan wordt het kiezen: een vergunning aanvragen of de activiteiten staken.

Volgens directeur J. van de Watering-Geesink van de Nederlandse centrale vereniging van beleggingsstudieclubs (NCVB) heeft het besluit voor de bij haar vereniging aangesloten clubs slechts beperkte gevolgen. ,,Van de 1136 studieclubs zijn er maar enkele die meer dan 25 leden hebben'', zegt ze. ,,En wat de bepaling over de maximale inleg betreft: Bij de meeste clubs leggen de leden zo'n honderd gulden per maand in. Dat loopt dus zo'n vaart niet.'' Ze benadrukt dat het doel van de clubs - waarbij ruim 13 200 mensen zijn aangesloten - bovendien niet het geldelijk gewin is, maar de educatie. ,,Als leden leg je 'leergeld' bij elkaar. De echte clubs zullen het niet in hun hoofd halen om een vergunning aan te vragen. Dan zouden ze hun doel voorbijschieten.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden