Belcampo is kleinzoon Jasja maar ten dele gelukt

Het wáren helemaal geen luchtspiegelingen, weet Jasja Arian. Vandaag worden zijn herinneringen aan zijn grootvader Herman Schönfeld Wichers, beter bekend als 'fantastisch schrijver' Belcampo, op de radio uitgezonden. Jasja weet: Belcampo tekende de meeste van zijn verhalen op naar het echte leven.

ROMANA ABELS

Zoals die keer dat hij schreef over een doodgraver, in een van zijn latere werken. “Vlak daarvoor”, vertelt Arian, “op een van zijn reizen, had hij een graf gedolven. Per ongeluk was hij terechtgekomen in een familie waar het gebruik was dat zelf te doen.”

Belcampo, de in 1990 overleden schrijver, was een reiziger. Een typische laat-maar-waaier, die fietste naar waar de wind hem heen blies en liep tot hij een plek vond om te slapen. Uitgangspunt: mensen willen je altijd graag helpen. Zijn adresboek stond vol vrienden en kennissen die hij op tochten had ontmoet, en die hij in geval van nood opnieuw kon aandoen - gerubriceerd op woonplaats, niet op achternaam.

Voor zijn kleinzoon Jasja was deze grootvader -van moeders kant- hèt grote voorbeeld. “Hij was natuurlijk al gepensioneerd, maar hij had iets flierefluiterigs waar ik groot respect voor had. Hij was de man die altijd onaangekondigd, meestal tegen etenstijd, mijn ouderlijk huis binnenwandelde en dan eindeloos verhalen vertelde.”

Zo wilde Jasja ook worden. Het is hem maar ten dele gelukt. “Ik ben per ongeluk mezelf geworden”, zegt hij. Maar gebleven is het grenzeloze respect. Hij heeft een boekenplank vol Belcampo-werken. En datzelfde onrustige van zijn grootvader: dat moeten reizen en ontdekken en wandelen zonder doel. Desnoods naar Purmerend, want dat is ook een andere cultuur. Daar zijn ze ook verbaasd, als er een vreemdeling langskomt.

De eerste les die Jasja van zijn grootvader leerde, was die van het liften. Duim omhoog, wachten tot de auto stopt en daar maar zien waar je uitkomt, had opa Herman gezegd. De kleine Jasja bracht het onmiddellijk in al zijn schoolvakanties in praktijk.

Na zijn eindexamen, in 1987, vroeg de inmiddels hoogbejaarde Belcampo zijn kleinzoon voor de derde keer mee op reis. Het doel was Luxemburg. Ze gingen wandelen. Een volkomen mislukte, doodse reis was het, waarin helemaal niets gebeurde. De Luxemburgers waren afstandelijk en wantrouwend. Grootvader en kleinzoon keerden eerder dan gepland zelfs terug naar Nederland.

Negen jaar later, maakte Jasja Arian de reis opnieuw. Bij het verschijnen van de bloemlezing uit zijn grootvaders werk herinnerde hij zich die tocht en vond de dagboekaantekeningen (“Herman zei dat ik altijd een dagboek moest bijhouden, dus dat deed ik”) uit die tijd terug. Al wandelend nam hij zijn herinneringen op (“die bleken nog vrij vers”), op een taperecorder. De dagboekfragmenten las hij voor. Het resultaat: een radioprogramma van veertig minuten, dat vandaag op radio 5 (14.02 uur in 'Ongehoord') wordt uitgezonden.

Jasja ging na die eerste reis naar Luxemburg niet meer naar school. Hij ging ook reizen: Latijns Amerika, Azië, verre plaatsen die zijn grootvader nooit had bezocht. Uit een soort romantisch voetsporen-ideaal wilde hij óók schrijver worden. Maar dat werd niks. Hij had de vertellersdrang niet, miste de koketterie van zijn grootvader.

“Herman wilde altijd, als hij ergens aankwam, zijn eigen verhalen voorlezen. Het was een beetje een sprookjesverteller, een man die hield van oral history. Dat was voor de sfeer erg belangrijk. Als hij vroeger bij ons thuis kwam, meestal op terugweg van een veiling, las hij hele boeken voor: niet zijn beste werk, dat schreef hij later. Maar het was wel gezellig.”

Herman Schönfeld Wichers woonde in Groningen. In een groot, oud herenhuis, waar de kleinkinderen met Kerstmis graag kwamen spelen. Hij kwam slechts bij zijn dochter in Amsterdam logeren om veilingen te bezoeken. Schilderijen moest hij hebben. “Hij was altijd op zoek naar dat ene onontdekte meesterwerk dat per ongeluk niet was gesigneerd. Hij wachtte op de dag dat hij een Van Gogh mee naar huis kon nemen. Het is hem, geloof ik, nooit gelukt.”

“Eigenlijk was hij altijd onderweg. Hij was zeker niet zo met de familie begaan. Ik vermoed dat hij mij eigenlijk alleen maar op tochten meenam, omdat het hem voordeel opleverde. 'Ach', zei hij dan tegen een boer: 'De kleine jongen wil zo graag naar uw kippen kijken'. Maar in werkelijkheid was híj het, die geïnteresseerd was in de werking van een legbatterij.”

De familiegeschiedenis zit vol met anekdotes over hoe ongeïnteresseerd de beroemde schrijver was. Zo vertelt Jasja's moeder nog altijd graag, hoe haar vader op kraambezoek kwam, toen Jasja was geboren. “Hij kwam het ziekenhuis binnen, feliciteerde mijn moeder, bleef nog even zitten en vertrok weer. Bij de deur zei hij: 'O, nou ben ik helemaal vergeten naar die baby te kijken'.”

Toch oefende de man enorme aantrekkingskracht op zijn kleinzoon uit. “Het meest bijzondere was dat grenzeloze optimisme. Hij liet zich nooit uit het veld slaan. Alles was leuk, ook de meest vreselijke dingen. Dat heeft natuurlijk veel met het schrijven te maken. Als hij werd opgepakt wegens landloperij, had hij weer een verhaal.”

Grootvader Schönfeld Wichers leefde een beetje in zijn eigen wereld. Wie met hem meeging, moest overal rekening mee houden: opeens kon Belcampo beweren, dat ze zojuist uit Denemarken waren komen lopen. Dan moest je het spelletje wel meespelen. “Mijn broer kon daar helemaal niet tegen. Waarom zeg je nou niet gewoon dat we uit Amsterdam komen, dacht die. Ik vond het niet erg. Waarom zou je altijd de waarheid moeten vertellen?”

Later, toen Jasja met zijn opa in Luxemburg was, was Belcampo al 86. Slecht ter been, met een ziekte waardoor hij alleen maar héél erg langzaam kon praten. Die laatste reis, realiseert Jasja zich nu, was achteraf gezien een beetje zielig. De kreupele oude man sjokte in tergend langzaam tempo de bergen op en af, en kon, behalve met Jasja, met bijna niemand meer een gesprek voeren, “terwijl hij op reis ging om dingen te beleven, om mensen te ontmoeten. Hij deed niet anders. Hij ging ofwel zijn adresboekje vol kennissen langs, of hij maakte nieuwe vrienden. Gewoon, door aan een willekeurig persoon te vragen, of er ook ergens een slaapplaats voor hem was.”

“Met dat spraakgebrek bood hij, in ruil voor onderdak, nog steeds aan verhalen voor te dragen. Mede daardoor hebben we toen alle nachten in hotels moeten doorbrengen. Niemand wilde deze rare invalide in huis hebben. Mij was verboden het woord te voeren. Dat hij ook nog zou gaan voorlezen, was een waar schrikbeeld voor die mensen.”

Het was misschien beter geweest als Belcampo op die laatste reis had gezegd, dat hij de beroemde schrijver was. “Dat hield hij altijd geheim. Hij heeft het één keer gezegd, toen het regende en hij dringend onderdak zocht. 'Dat kunnen ze allemaal wel zeggen', was de reactie. Daarna was hij weer de zonderling die rondtrok en verhalen vertelde. Zijn belevenissen schreef hij pas thuis op.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden