Belastingen en premies in 2004

Bevriezing uitkeringen, inperking hypotheekrenteaftrek

Bij de sociale zekerheid dus stilstand. Bij de loonbelasting geenszins. De tarieven zijn hier wel voor de inflatie gecorrigeerd. Twee grote beleidsveranderingen vallen op. De aftrek van hypotheekrente wordt opnieuw iets ingeperkt en bezitters van een leaseauto zijn volgend jaar een stuk beter af. De beperking van de hypotheekrente houdt in, dat voortaan de overwaarde van een verkocht huis moet worden gebruikt voor de aankoop van een nieuw huis.

Opnieuw een volledige hypotheek afsluiten en de overwaarde van het oude huis gebruiken voor andere uitgaven kan uiteraard nog wel, maar de belastinginspecteur zal voor een bedrag gelijk aan die overwaarde geen hypotheekrente-aftrek meer geven.

Algemene heffingskorting

Iedere belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting. Partners hebben ieder zelfstandig recht op deze heffingskorting. Zij kunnen deze korting niet overdragen aan hun partner. Als één van de partners geen of weinig inkomsten heeft en dus zijn eigen heffingskorting niet (helemaal) gebruikt, kan hij onder bepaalde voorwaarden (een deel van) het bedrag rechtstreeks uitbetaald krijgen door de Belastingdienst. Weinig inkomen houdt hier in: het totaalbedrag van salaris, uitkering of pensioen is lager dan ongeveer euro5.400 en er is geen ander inkomen. Voorwaarde voor uitkering is dat de partner van belastingplichtige voldoende inkomen heeft en voldoende belasting betaalt.

Arbeidskorting Een belastingplichtige heeft recht op arbeidskorting als hij één van de volgende soorten inkomsten heeft: loon of salaris, winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. Het moet gaan om inkomsten uit tegenwoordige arbeid. De hoogte van de arbeidskorting is afhankelijk van het gezamenlijk bedrag van de hiervoor bedoelde inkomsten uit tegenwoordige arbeid (de arbeidskortingsgrondslag). Voor ouderen vanaf 57 jaar geldt een hogere arbeidskorting.

Kinderkorting Een belastingplichtige heeft recht op kinderkorting als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan; er behoort in 2004 meer dan zes maanden een kind tot het huishouden van de belastingplichtige en dit kind is bij aanvang van het kalenderjaar jonger dan 18 jaar; en dit kind is tijdens die periode op het woonadres van belastingplichtige of dat van zijn partner ingeschreven en wordt door één van beide in belangrijke mate onderhouden; en het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner is niet hoger dan euro59.612 (euro58.214).

Aanvullende kinderkorting Een belastingplichtige heeft in 2004 recht op de aanvullende kinderkorting van euro363 (euro354) als voor hem de kinderkorting geldt en het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner in 2004 niet hoger is dan euro29.807 (euro29.108). Bij een gezamenlijk verzamelinkomen dat niet hoger is dan euro28.097 (euro27.438) wordt de aanvullende kinderkorting verhoogd tot euro547 (euro534). Daarnaast wordt deze aanvullende kinderkorting nog extra verhoogd met euro64 (euro63) als er in het huishouden drie of meer kinderen zijn.

Alleenstaande-ouderkorting Een belastingplichtige heeft recht op de alleenstaande-ouderkorting als hij in 2004 meer dan zes maanden: geen partner heeft; en een huishouding voert met een kind dat hij in belangrijke mate onderhoudt en dat op hetzelfde woonadres ingeschreven moet staan; en deze huishouding voert met geen ander dan kinderen die bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt.

Jonggehandicaptenkorting In de regeling van de jonggehandicaptenkorting is een wijziging aangebracht. De jonggehandicaptenkorting geldt met ingang van 2004 voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (een zogenoemde Wajonguitkering), tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. Tot en met 2003 geldt de eis dat men daadwerkelijk een Wajonguitkering heeft genoten. Met ingang van 2004 komt men dus ook voor de jonggehandicaptenkorting in aanmerking, als weliswaar recht bestaat op een Wajong-uitkering maar geen uitkering wordt ontvangen, vanwege het hebben van een andere uitkering of ander inkomen uit arbeid.

Ouderenkorting Een belastingplichtige heeft recht op de ouderenkorting als hij op 31 december 2004 65 jaar of ouder is en een verzamelinkomen heeft van niet meer dan euro30.303 (euro29.592). Aanvullende ouderenkorting Een belastingplichtige heeft recht op de aanvullende ouderenkorting als hij: recht heeft op de ouderenkorting; en recht heeft op een AOW-uitkering voor alleenstaanden.

WERKNEMERSAFTREK

Aftrek hypotheekrente na verhuizing; bijleenregeling De regeling van de hypotheekrenteaftrek voor de eigen woning is met ingang van 2004 gewijzigd. Indien door verhuizing naar een nieuwe duurdere woning de hypotheekschuld wordt verhoogd, wordt de aftrek van de hypotheekrente voortaan alleen toegestaan voorzover de hypotheekverhoging nodig is om het verschil tussen de aankoopprijs van de nieuwe woning (inclusief verwervingskosten) en de opbrengst van de oude (na aftrek van kosten) te financieren. Indien er een goedkopere woning wordt aangeschaft, kan men de rente over maximaal de hoogte van hypotheekschuld van de verkochte woning af blijven trekken (uiteraard tot maximaal de aankoopsom van de nieuwe woning). De nieuwe regeling is niet van toepassing indien men voor 1 januari een onherroepelijke verplichting tot verkoop van de eigen woning of tot aankoop van de nieuwe woning is aangegaan.

Bijtelling privé-gebruik auto van de zaak De regeling voor privé-gebruik auto van de zaak is ingrijpend gewijzigd. Vanaf 2004 geldt het volgende. Als het privé-gebruik meer bedraagt dan 500 kilometer per jaar, dan moet men tenminste 22% van de catalogusprijs van de auto bijtellen. Bij een privé-gebruik van 500 kilometer of minder hoeft er geen bijtelling plaats te vinden. Het bewijs dat sprake is van een dergelijk laag privé-gebruik kan worden geleverd aan de hand van een rittenregisiratie of op andere wijze, zoals – onder bepaalde voorwaarden – een verklaring van de werkgever. Deze regeling geldt eveneens voor bestelauto's, met uitzondering van bestelauto's die alleen gebruikt kunnen worden voor het vervoer van goederen. Woon-werkverkeer wordt met ingang van 2004 geheel aangemerkt als zakelijk verkeer.

Reisaftrek Voor het regelmatig woon-werkverkeer met het openbaar vervoer kan de reisaftrek van toepassing zijn. Voor deze aftrek gelden een aantal voorwaarden: de belastingplichtige moet beschikken over een openbaar-vervoerverklaring (of een reisverklaring); en de per openbaar vervoer afgelegde enkele reisafstand moet meer dan 10 kilometer bedragen; en de belastingplichtige moet regelmatig (doorgaans minimaal één keer per week of minimaal 40 dagen in 2004) tussen zijn woning en zijn werkplek heen en weer reizen per openbaar vervoer.

KINDEROPVANG

Als een belastingplichtige zelf de kosten voor kinderopvang draagt, en voldoet aan de volgende voorwaarden kunnen de uitgaven boven de drempel afgetrokken worden: de belastingplichtige verricht (buiten het huishouden) betaalde arbeid en deze werkzaamheden leveren meer dan euro3.707 (euro3.620) aan inkomen op. Als de belastingplichtige een partner heeft gelden aanvullende voorwaarden; en er wordt voldaan aan bepaalde administratieve voorwaarden; en het betreft alleen opvang die voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen.

Als de beroepsmatige opvang plaatsvindt op 4, 3, 2, of 1 dag per week, bedraagt de drempel 4/5, 3/5, 2/5, 1/5 van het bedrag in de tabel.

Onder buitenschoolse opvang wordt verstaan: kinderopvang die zowel voor als na schooltijden en tijdens de schoolvakanties plaatsvindt.

Onder naschoolse opvang wordt verstaan: kinderopvang die zowel na schooltijd als tijdens de schoolvakanties plaatsvindt.

1 MINIMUM(JEUGD)LOON per 1 januari 2004

De brutobedragen van het wettelijk minimumloon en het minimum jeugdloon blijven per 1 januari 2004 ongewijzigd in vergelijking met 1 juli 2003. Dit is het gevolg van het besluit van het kabinet het wettelijk minimumloon in 2004 te bevriezen. De onderstaande bruto bedragen gelden voor heel 2004. Anders dan gebruikelijk volgt er geen halfjaarlijkse aanpassing per 1 juli 2004.

Voor een werknemer van 23 jaar of ouder is het brutominimumloon bij een volledig dienstverband per 1 januari 2004:

per maand euro1264,80

per week euro291,90

per dag euro58,38

De netto bedragen zijn, anders dan de bruto bedragen, niet wettelijk bepaald. Ze kunnen per bedrijfstak of bedrijf verschillen. Dit komt door verschillen in inhoudingen op het loon, onder meer in verband met de premieheffing voor de sociale zekerheid. Wijzigingen in de nettobedragen in vergelijking met 1 juli 2003 zijn een gevolg van het opnieuw vaststellen van de nieuwe loonbelastingtabellen per 1 januari 2004. In onderstaande bedragen zijn pensioen- en VUT-premies buiten beschouwing gelaten, evenals de nominale premies voor de Ziekenfondswet. De bedragen geven daarom alleen een globale aanduiding.

De genoemde bedragen hebben betrekking op iemand zonder kinderen. Geen rekening is gehouden met de heffingskorting waar een eventuele partner recht op heeft.

BIJSTANDSUITKERINGEN

De bijstandsuitkeringen, de IOAW- en IOAZ-grondslagen en de uitkeringen op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) gaan per 1 januari 2004 omhoog. Dit gebeurt in verband met wijzigingen van belastingtarieven en verzekeringspremies. De verhoging van het netto bijstandsbedrag voor gehuwden en ongehuwd samenwonenden per 1 januari 2004 bedraagt euro16,90 per maand.

De nieuwe Wet werk en bijstand (WWB) kent net zoals de vorige Algemene bijstandswet landelijke normbedragen voor de hoogte van uitkeringen. De invoering van de WWB per 1 januari 2004 heeft geen gevolgen voor de hoogte van de bedragen. Er zijn normbedragen voor mensen van 21 tot 65 jaar, voor mensen die 65 jaar of ouder zijn, voor gehuwden of ongehuwd samenwonenden, alleenstaande ouders en alleenstaanden. Voor elk van deze groepen geldt een apart bedrag. Voor gehuwden en ongehuwd samenwonenden tussen de 21 en 65 jaar is dat 100 procent van het nettominimumloon, voor alleenstaande ouders tussen de 21 en 65 jaar 70 procent en voor alleenstaanden tussen de 21 en 65 jaar 50 procent. Het uitgangspunt bij de norm voor deze categorieën alleenstaande ouders en alleenstaanden is dat de (woon) kosten met anderen kunnen worden gedeeld. Is dat niet of slechts gedeeltelijk het geval, dan kan de gemeente een toeslag geven van maximaal 20 procent van het netto minimumloon. De normbedragen voor mensen van 65 jaar of onder zijn gelijk aan de netto AOW-bedragen. Voor hen geldt geen aparte toeslagenregeling.

Normbedragen voor mensen van 21 jaar tot 65 jaar die een uitkering krijgen op grond van de Wet werk en bijstand.

Gehuwden of ongehuwd samenwonenden

per maand euro1103,34

vakantie-uitkering euro53,20

Totaal euro1156,54

Alleenstaande ouders

per maand euro772,34

vakantie-uitkering euro37,24

Totaal euro809,58

Alleenstaanden

per maand euro551,67

vakantie-uitkering euro26,60

Totaal euro578,27

Maximale toeslag voor mensen van 21 jaar tot 65 jaar:

Alleenstaande ouders en alleenstaanden

per maand euro220,67

vakantie-uitkering euro10,64

Totaal euro231,31

Normbedragen voor mensen van 65 jaar of ouder:

Gehuwden en ongehuwd samenwonenden

– beide partners 65 jaar of ouder:

per maand euro1154,63

vakantie-uitkering euro55,67

Totaal euro1210,30

– een partnerjonger dan 65 jaar:

per maand euro1163,86

vakantie-uitkering euro56,12

Totaal euro1219,98

Alleenstaande ouders

per maand euro1042,77

vakantie-uitkering euro50,28

Totaal euro1093,05

Alleenstaanden

per maand euro825,29

vakantie-uitkering euro39,79

Totaal euro865,08

Normbedragen voor mensen jonger dan 21 jaar die een uitkering krijgen op grond van de Wet werk en bijstand

Gehuwden en ongehuwd samenwonenden

– beide partners jonger dan 21 jaar:

per maand euro381,28

vakantie-uitkering euro18,38

Totaal euro399,66

– een partner jonger dan 21 jaar:

per maand euro742,31

vakantie-uitkering euro35,79

Totaal euro778,10

Alleenstaanden

per maand euro190,64

vakantie-uitkering euro9,19

Totaal euro199,83

Voor mensen jonger dan 21 jaar met één of meer kinderen die tot hun last komen gelden hogere bedragen

Eigen vermogen

Niet al het spaargeld behoeft te worden aangesproken, voordat men voor bijstand in aanmerking komt.

Het vrij te laten vermogen is:

voor gezinnen euro10.130,00

voor alleenstaanden. euro5.065,00

Voor mensen die een bijstandsuitkering ontvangen en een eigen huis bewonen, geldt een extra vrijlating van maximaal euro42.700.--.

Langdurigheidstoeslag

Degenen die volgens de Wet werk en bijstand worden aangemerkt als mensen die vijf jaar of langer een inkomen hebben dat niet hoger is dan de bijstandsnorm, geen in aanmerking te nemen vermogen en geen arbeidsmarktperspectief hebben komen in aanmerking voor de langdurigheidstoeslag.

Deze bedraagt:

euro462 voor gehuwden

euro415 voor alleenstaande ouders

euro324 voor alleenstaanden euro

913,67

SOCIALE VERZEKERINGEN

Met ingang van 1 januari 2004 worden de uitkeringen op grond van een aantal socialeverzekeringswetten verhoogd. Het bruto wettelijk minimumloon blijft op het niveau van juli 2003 vanwege de bij het najaarsoverleg met de sociale partners overeengekomen bevriezing. Daarom veranderen de bruto uitkeringsbedragen van de uitkeringen die op grond van de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid aan het bruto minimumloon zijn gekoppeld dus ook niet. De uitkeringsbedragen van de uitkeringen die gekoppeld zijn aan het netto minimumloon veranderen wel vanwege wijzigingen in de premies en belastingen.

AOW

Gehuwde of samenwonende partners hebben elk een zelfstandig recht op een AOW-pensioen dat netto gelijk is aan 50% van het netto minimumloon. De AOW voor een alleenstaande is gelijk aan 70% van het netto minimumloon. Eénoudergezinnen ontvangen een pensioen dat netto gelijk is aan 90% van het netto minimumloon. Het gaat om ongehuwde pensioengerechtigden met een kind jonger dan 18 jaar voor wie zij kinderbijslag ontvangen. Een gehuwde met een partner jonger dan 65 jaar ontvangt een pensioen van 50% van het minimumloon (de uitkering voor een gehuwde) en een toeslag van maximaal hetzelfde bedrag (bruto euro631,76). Is het recht op pensioen ingegaan vóór 1 februari 1994 en is de partner nog geen 65 jaar, dan komt het pensioen overeen met 70% van het netto minimumloon en is de toeslag maximaal 30%.

ANW

De uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) bedraagt maximaal 70% van het netto minimumloon. Nabestaanden die een halfwees onder de 18 jaar verzorgen, krijgen bovendien een inkomensonafhankelijke uitkering van 20% van het netto minimumloon. De ANW is inkomensafhankelijk. Inkomen in verband met arbeid (uitkeringen) wordt er geheel van afgetrokken. Van inkomen uit arbeid blijft een deel buiten beschouwing (50% van het minimumloon plus een derde deel van het meerdere). Nabestaanden die onder het overgangsrecht vallen en vroeger een AWW-uitkering ontvingen, krijgen, indien na deze inkomenstoets een lager uitkeringsbedrag overblijft, in ieder geval een bodemuitkering van 30% van het bruto minimumloon.

KINDERBIJSLAG

De kinderbijslagbedragen worden halfjaarlijks aangepast op basis van de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid. Dat betekent voor 1 januari 2004 dat het basisbedrag per kind onveranderd ten opzichte van juli 2003. Het bedrag is euro252,31. De hoogte van de kinderbijslag is afhankelijk van de leeftijd van het kind. Voor kinderen die op of na 1 januari 1995 geboren zijn, is de hoogte van het kinderbijslagbedrag alleen nog maar afhankelijk van de leeftijd. Voor kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 1995 of die na 1 oktober 1994, 6 of 12 jaar worden, bestaat er een overgangsregeling. Deze houdt in dat de hoogte van het kinderbijslagbedrag, naast de leeftijd van het kind, ook nog afhankelijk is van het aantal kinderen in het gezin. Vanaf 1 januari 2004 gelden in de kinderbijslag de volgende bedragen per kind per kwartaal:

WAZ/WAJONG

De grondslag van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), op basis waarvan de uitkering wordt berekend, blijft per 1 januari 2004 gelijk aan 1 juli 2003. Ook de grondslagen voor WAZ/Wajonggerechtigden beneden de 23 jaar, die worden afgeleid van de minimumjeugdlonen, blijven per 1 januari 2004 gelijk aan 1 juli 2003.

Premieheffing over uitkeringen 2003

Voor het deel van de premie dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds is een vervangende premie vastgesteld. De vervangende premie wordt onder meer ingehouden over uitkeringen op grond van de WW, de ZW, en de WAO en over de toeslag op grond van de Toeslagenwet. De vervangende premie, waarvoor dit jaar geen franchise geldt, komt ten laste van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en is voor het jaar 2003 vastgesteld op 1,30%. Wanneer het UWV de uitkering via de werkgever uitbetaalt, wordt het bedrijfstakpercentage toegepast. Voor de gedifferentieerde WAO-premie is in verband met de premieheffing over uitkeringen eveneens een vervangende premie vastgesteld. Deze rekenpremie WAO bedraagt 2,35%. Op een WAZ-uitkering wordt een vereveningsbijdrage ingehouden die gelijk is aan het bedrag aan premie dat een werkgever inhoudt (op het loon van een WW-verzekerde werknemer). Het betreft het percentage van het werknemersdeel werkloosheidspremie (5,80% met een franchise van euro58,- per dag).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden