Belastingaanslag voor Joodse onderduikertjes

Toen haar kinderen klein waren, durfde ze hen geen dag alleen te laten uit angst dat ze bij thuiskomst verdwenen zouden zijn. Al was de oorlog voorbij en waren haar kinderen geen Joodse onderduikertjes die ze in haar pension verstopt hield. Mensen begrepen haar angst niet en als ze sprak over belevenissen op Kindjeshaven kreeg ze het gevoel dat men vond dat ze opschepte. “Dan dacht ik 'hè stom, had ik mijn mond maar gehouden.' Het voelde niet goed. Alsof je niet geacht werd daarover te praten.”

LIDWIEN DOBBER

Truitje van Lier (80) redde 150 Joodse kinderen 'uit de moordende klauwen der nazi's', zoals de Utrechtse burgemeester Opstelten het uitdrukte toen hij haar vorige week de Zilveren Stadsmedaille uitreikte. Ze vindt al die aandacht voor haar persoon akelig, omdat ze zich haar vele vrienden in het verzet herinnert die zijn omgekomen. Van Lier wil beslist niet tot held worden gemaakt. Ze zou niet weten hoe ze de oorlog anders dan in verzet had moeten doorkomen.

De erkenning voor haar verzetswerk vijftig jaar na dato, daar is ze wel blij mee. Want al direct na de oorlog was die erkenning zelden vanzelfsprekend. Toen ze in mei '45 haar onderduikadres in Culemborg verliet, heeft ze hemel en aarde moeten bewegen om weer in Utrecht te mogen wonen. “Ik kreeg geen huis. Er waren ambtenaren die er de pest in hadden dat ik in het verzet had gezeten en die hebben me fors tegengewerkt.”

Dag in dag uit stond ze in de rij in de hoop een woning toegewezen te krijgen. Ze was zwanger. Haar vader loste haar soms af, zodat ze op een bankje een boterham kon eten. Twee keer kreeg ze een huis aangeboden dat niet bleek te bestaan. Met de tweede waardeloze toewijzing is ze naar een loket gelopen, heeft gedaan of haar neus bloedde en het niet bestaande huis geruild voor toestemming om bij haar vader in te trekken.

Twee jaar later ontving ze - letterlijk - de rekening voor haar hulp aan de Joodse kinderen die ze in haar pension Kindjeshaven tussen de 'gewone' kinderen had ondergebracht. “Op de eerste van elke maand schreef ik in het kasboek dat er voor alle kinderen was betaald. Als ik had opgeschreven dat er alleen zo nu en dan geld voor de Joodse kinderen binnenkwam, hadden ze er op basis van het kasboek eenvoudig uitgelicht kunnen worden. Zo stom waren de Duitsers niet.”

“Op grond van die valse boekhouding kwam er in '47 een belastingaanslag. Ik vertelde dat ik het geld voor de Joodse kinderen nooit had ontvangen, maar dat werd niet geaccepteerd.” Valsheid in geschrifte luidde de aanklacht. Truitje van Lier had de keuze: het gevang in of betalen. “Ik was gráág de bak in gegaan maar ik moest een baby krijgen, dus hebben we maar betaald.”

Van Lier besloot al voor de oorlog dat zij - mocht de Duitse terreur ooit naar Nederland komen - alles in het werk zou stellen om zo veel mogelijk kinderen van een wisse dood te redden. Het huis van haar ouders was een toevluchtsoord voor Joden uit Duitsland, die bij aankomst in Nederland het telefoonboek opensloegen op zoek naar Joodse namen, die ze belden om hulp. Van Liers vader was Joods en hielp. Terwijl Truitje haar huiswerk maakte, hoorde ze de gruwelijke verhalen van de vluchtelingen. “Ik kon me niet voorstellen dat het zich ook uitstrekte tot kinderen, maar dat was wel degelijk zo. Zonder enige moeite werden er baby's en kleine kinderen vermoord. Dat vond ik zo erg. Wat hebben kinderen met die onzin te maken.”

In 1940 staakte ze haar studie - Nederlands recht studeren leek haar niet langer zinnig en bovendien weigerde ze de toestemming te vragen waar ze als half-Joodse toe verplicht was - en huurde een pand waar ze Kindjeshaven stichtte. Vanaf '41 druppelden de eerste Joodse kinderen binnen, veelal uit Amsterdam, wier ouders gevaar liepen of waren opgepakt. Zij hadden veel meegemaakt, maar niet altijd begrepen wat er was gebeurd. “Een jongetje van een jaar of vier bijvoorbeeld was overmatig zoet. Ik vertrouwde dat niet en heb hem gevraagd 'vertel 'ns, ben je eigenlijk vreselijk boos?' Toen bleek dat hij met een groot misverstand leefde. Op het allerlaatste moment toen zijn ouders in een overvalwagen geduwd werden, heeft het verzet het kind bij de auto vandaan gehaald, zoals aan de ouders was beloofd. Het jongetje dacht dat zijn ouders leuk op reis waren gegaan en hem voor het gemak maar hadden vergeten. Ik heb hem uitgelegd hoe het zat: dat zijn ouders helemaal niet voor de pret weg waren, dat ze hem uit liefde hadden achtergelaten, in de hoop dat hij ontkomen zou.”

Die openheid is voor Truitje van Lier essentieel. Ook al is de waarheid hard, hij is beter dan de fantasieën die kinderen zich in het hoofd halen als ze in het ongewisse leven. “Ik heb altijd gedacht als ik nog eens een boek schrijf - wat er nooit van gekomen is - dan is de titel 'Begrijpt een kind zo iets?' En het antwoord is 'uitstekend'. Niets vertellen is verschrikkelijk, zo verkeerd! In de hele opvoeding is dat het stomste wat je doen kan.”

In '43, toen de razzia's in Amsterdam op zijn ergst waren, kwam er met elke trein een verzetsman of -vrouw met een kind. Nee zeggen kon Truitje niet, al werd het gevaarlijk. Zowel zij als haar vriendin Jet van Berlekom met wie ze Kindjeshaven runde, raakte overspannen. Nu nog heeft ze - alleen als ze ziek is - een nachtmerrie die zich in die tijd afspeelt. “Het is nooit echt gebeurd, maar ik droom dat ik de speelkamer opruim en bovenop een van de kasten een mandje staat met een helemaal verdroogde baby, een lijk dus. Dan schreeuw ik de hele boel bij elkaar.”

“Ik heb meer last gehad van geleend verdriet dan van mijn eigen verdriet. Dat die mensen zo maar hun kinderen hebben moeten afgeven. En het verdriet van die kinderen, ... verschrikkelijk. Het klinkt misschien gek wat ik nu zeg. Mijn oudste dochter is overleden en mijn twee andere kinderen hebben beiden een verkeersongeluk gehad, waardoor ze lange tijd in het ziekenhuis hebben gelegen. Maar ik was altijd dolblij dat het mijn kinderen waren waar iets mee aan de hand was. Ook de kinderen in Kindjeshaven waren wel eens ziek en ik had er grote moeite mee dat ik het later zou moeten vertellen aan hun ouders.”

Van verantwoording afleggen is weinig terecht gekomen, want vele ouders hebben de oorlog niet overleefd. Van Lier wist dat en weigerde zich ervoor af te sluiten. Ze had weet van de transporten en een vriendin vertelde haar in '43 over de gaskamers. Voortdurend had ze zorgen over de veiligheid van haar vader en leefde ze met de angst dat de Duitsers haar onderduikertjes zouden oppakken. Ze had een sterke troef, want ze huisde ook kinderen die Duitse soldaten bij Nederlandse meisjes hadden verwekt. Toch zijn ze haar in '44 komen zoeken en is ze ondergedoken.

Direct na de oorlog stortte Van Lier zich in het gezinsleven, dat ze na vijftien jaar combineerde met een baan. “In '74 ben ik met pensioen gegaan en toen was ik op. Ik had het wel gehad.” Ze vloog voor het eerst van haar leven naar Canada, waar haar vriendin Jet van Berlekom in '46 naar toe was geëmigreerd. “Ik merkte dat zij veel losser was van dat verleden van ons.”

“Ik heb alleen rondgereisd in Canada en ontdekte dat ik me best kon redden, dat ik het eigenlijk heel leuk vond om alleen te zijn. Thuisgekomen heb ik gezegd 'ik ga proberen hier weg te komen en ga eindelijk eens in mijn eentje ergens wonen'. In een klein Fries dorpje kocht ze een huis en zocht er de stilte. “In die twaalfeneenhalf jaar dat ik hier woon ben ik ontzettend opgeschoten met alles dat ik nog verwerken moest.”

Toch zijn haar reflexen nog altijd ingesteld op gevaar. Onlangs nog werd er op haar raam getikt terwijl ze in een stoel zat te slapen. “Ik schrok wakker en dacht 'oh God, nou is het mis'.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden