Review

Belachelijk België

Met ruziënde politici, Dutroux en de Bende van Nijvel ontbreekt het Vlaamse schrijvers niet aan inspiratie voor zwarte, vaak satirische romans. De traditie van Hugo Claus is springlevend.

Waarom zijn zoveel Vlaamse schrijvers vandaag de dag gefascineerd door het geweld? De verleiding is groot om het te zoeken in de naschokken van de aardbevingen die de Bende van Nijvel (vroege jaren tachtig) en Dutroux (midden jaren negentig) veroorzaakten. Politiek gezien is de diep verdeelde Belgische staat, die al meer dan een halve eeuw met garen en band bij elkaar gehouden wordt, het toneel van een eindeloos in reprise verkerende klucht. Maar het waren de roof- en schietpartijen van de Nijvelse gang, waarvan steeds werd gefluisterd dat ze waren bedoeld om het land te destabiliseren en rijp te maken voor een rechtse staatsgreep, plus de perversiteiten van het Monster van Charleroi, die de Belgen wakker lieten worden in een onversneden horrorstory.

Typerend genoeg staan de literaire nabranders van de Belgische gruwelen overwegend in het teken van grollen en grappen, net alsof dat dé manier is om ze meester te worden. Tom Lanoye’s trilogie ’Het goddelijke monster’, ’Zwarte tranen’ en ’Boze tongen’ (1997-2002) dankt haar inspiratie voor een belangrijk deel aan de Bende van Nijvel en Dutroux. Dus zijn politieke affaires, seksschandalen en gevallen van moord en doodslag bepalend voor de handeling van dit romandrieluik. Maar dat alles wordt door Lanoye behandeld met een bitterzoete toets.

Daarmee treedt hij in het voetspoor van Hugo Claus, die de Belgische toestanden en wantoestanden nu eens satirisch en dan weer tragikomisch neerzette in romans als ’Belladonna’, ’De geruchten’ en ’Onvoltooid verleden’.

De verwijzing naar Claus is geen willekeurige. De Vlaamse grootmeester leefde zijn obsessie met het kwaad uit in een aantal door hem herschreven toneelstukken van de antieke auteur Seneca. Diens bloederige, in de Oudheid al sterk uit de toon vallende drama’s dienden als voorbeeld voor Shakespeare en diens tijdgenoten. Zij trokken zich weinig aan van de norm dat in een beschaafde tragedie de moorden achter de coulissen dienden plaats te vinden. Het is beslist geen toeval dat een aantal van Shakespeare’s stukken over laatmiddeleeuwse burgeroorlogen door Lanoye werden bewerkt, zoals het evenmin toevallig is dat de geweldverliefde Peter Verhelst zich aan een vergelijkbaar Shakespeareproject waagde. Er is definitief something rotten in the state of Belgium, maar Vlaamse schrijvers zien er in de eerste plaats een smakelijk theaterstuk in.

De behoefte om het publiek lachend de waarheid te zeggen lijkt ook voor Bart Koubaa voorop te staan. Zijn onlangs verschenen roman ’Maria van Barcelona’ biedt een blik op België en de Belgen vanuit het perspectief van de vreemdeling. De titelheldin is een Spaanse hoer die niet voor niets haar tenten heeft opgeslagen in Oostende, de geboorteplaats van schilder James Ensor die zijn landgenoten zo menigmaal een groteske lachspiegel voorhield.

De Barcelonese Maria is de vrouwelijke evenknie van de Vlaamse schelm Uilenspiegel, en tegelijkertijd de tegenvoeter van de Moeder Gods die door de Vlaamse volksschrijver Felix Timmermans werd bezongen in zijn pastorale kerstvertelling ’Het kindeke Jezus in Vlaanderen’ (1917).

Haar verhaal is door Koubaa opgezet als het protocol van een politieverhoor, afgenomen nadat Maria ervan is beschuldigd moedwillig een virus te hebben verspreid. Maar de echte patiënten zijn degenen die regionale tegenstellingen (in dit geval tussen Vlamingen en Walen) opkloppen tot een onoverbrugbare etnische controverse, zonder te zien hoe desastreus zulke tegenstellingen hebben uitgepakt onder de Spaanse dictator Franco of tussen Israëliërs en Palestijnen.

Koubaa’s hekelende komedie is veel complexer dan in dit korte bestek kan worden weergegeven; ook gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat hij zijn verhaaldraden tot een wel heel moeilijk te ontwarren kluwen heeft samengeklit. Zo gaat zijn Maria zwanger van een verlosser die ze haar ’ezelke’ noemt, maar tegelijkertijd veranderen de door haar zogenaamd besmette Belgen in ezels, wat beslist niet positief bedoeld lijkt. Duidelijk is in elk geval dat Koubaa Lanoye en Claus heeft gevolgd in het belachelijk maken van Belgische toestanden.

Waar Claus, Lanoye en Koubaa in het kwaad een aanleiding vinden voor een theatrale en groteske satire, daar wordt het door Peter Verhelst en Yves Petry getransformeerd tot een object van esthetische, hier en daar zelfs mystieke contemplatie. Hoe dat kan uitpakken, valt te illustereren aan de hand van Petry’s recente roman ’De maagd Marino’, waarvoor de stof werd geput uit de geruchtmakende zaak van twee Duitse homoseksuelen. Met wederzijds goedvinden slachtte de ene van dat stel de andere af en at hem bij stukjes en beetjes op.

Dat Petry geïntrigeerd wordt door geritualiseerd geweld, bleek al uit zijn boek ’De laatste woorden van Leo Vekeman’ (2003). Daarin figureert een man die opgewonden raakt van de bijbelse kruisigingsscène waarin hemelse liefde en aardse pijn zo mooi samengaan. Je zou dus bijna gaan denken dat Petry’s sadomasochistisch liefdespaar Marino en Bruno zal sympathiseren met de middeleeuwse monniken en nonnen die hun erotische behoeftes wisten te sublimeren tot identificatie met het lijden van Onze Heer. Want welbeschouwd is het gedenken van Jezus’ offerdood in de eucharistie (waarbij brood en wijn heten te veranderen in vlees en bloed) een vorm van symbolisch en geheiligd kannibalisme.

Ook hier kan Hugo Claus als gangmaker gelden. In zijn roman ’Omtrent Deedee’ zette hij een pastoor neer die wordt verscheurd tussen de prikkel van het vlees en de minstens zo erotiserende prikkel van schuld en boete. Op het moment dat een jonge vriend, die tevergeefs een beroep op hem heeft gedaan, zich verhangt, staat Deedee zich met een zweep te bewerken. En in het verhaal ’De verzoeking’ laat Claus een oude non getuigen van het sexappeal dat de lijdende Jezus op haar uitoefent.

Maar anders dan verwacht is Petry’s homo-erotische mystiek nu juist ontdaan van het hemelse perspectief. Marino en Bruno zijn weliswaar bij machte om met behulp van hun verbeelding over de grens van leven en dood te springen, maar wat ze daar tegenkomen is geen paradijs, eeuwig leven of Nieuw Jeruzalem, maar het zwarte gat van het Absolute Niets. In hun beleving dient het aardse bestaan geen enkel doel. Het enige wat ze kunnen doen om het de moeite waard te maken, is er een spetterend en spectaculair einde aan te breien. Daarbij is de rol van Bruno, die zich gewillig als lam ter slachting aanbiedt, vanuit literair perspectief hoogst opmerkelijk. Hij kapt met zijn baan als universitair docent in de letterkunde zodra hij begrijpt dat literatuur niet kan tippen aan het echte leven, om vervolgens zijn doodswens neer te leggen bij een partner die hem seksueel weinig boeit maar op wie hij wel hoopt als een verlosser. Daarmee zet Petry een gedenkwaardige voetnoot bij de eshetisering van het kwaad.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden