Bekeren was ploeteren

Het was zwoegen voor de Nederlandse zendelingen die in de negentiende eeuw het christendom wilden introduceren op Java. Historica Maryse Kruithof promoveert op hun geschiedenis, en vertelt hier over twee van hen.

Zeurzendeling in stenen huis Christiaan Albers (1837-1920)

Zendeling Christiaan Albers was een mopperkont. Zijn brieven vanaf Java aan het thuisfront in Nederland, die historica Maryse Kruithof onderzocht, zijn op papier gekladderde klaagzangen. Hij vond de Javanen rare snuiters; ze woonden in hutjes en gedroegen zich als kinderen. Van 'de waarheid' moesten ze niets hebben. Aan de protestantse Zendingsgemeenschap die hem uitgezonden had schrijft Albers: "De zendeling staat en roept, leurt en predikt, maar zijn roepen is als in een woestijn. Naar zijn leuzen en prediken wordt niet gehoord."

Albers is één van de zes zendelingen van wie Maryse Kruithof (1988) de egodocumenten heeft bestudeerd voor haar proefschrift over de Nederlandse zending op islamitisch Java van 1850 tot 1910. Vandaag promoveert ze aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Haar proefschrift is grotendeels beschrijvend, legt Kruithof uit. Ze wil laten zien op welke manier zendelingen in de negentiende eeuw mensen probeerden te bekeren, en wat dat voor gevolgen had.

Het gemopper van Albers begon al op de heenreis naar Java, in 1863. De wind stond verkeerd en de zendeling kwam een half jaar later aan dan gepland. Eenmaal aangekomen in Ciandur, zijn uitzendgebied, bleken de Javanen aldaar Soedanees te spreken.

Daar stond Albers dan, met het Javaans dat hij op de zendingsschool had leren spreken.

Albers begon zijn werk met het oprichten van een school. 's Morgens gaf hij les, 's middags ging hij van deur tot deur om het evangelie te verkondigen. Maar het wilde allemaal niet lukken. Overdag waren de mannen op het land aan het werk, en de vrouwen lieten geen vreemde witte man binnen. Ook de school kwam maar moeizaam op gang. Albers schrijft: "Ik ga elke dag met angst naar school, want één gril bij die jongens en ze zijn geblazen en sta ik voor lege banken."

Iedere zondag hield de zendeling een kerkdienst in zijn eigen stenen huis, dat tussen de Javaanse hutjes stond. De bezoekers: zijn vrouw en kinderen, de tuinman en de kok.

Albers had niet verwacht dat het zó moeilijk zou zijn om de Javanen tot Christus te brengen. Maryse Kruithof: "Hij ging ervan uit dat de waarheid van het christendom hen vanzelf zou overtuigen."

Maar dat deed die niet. De Javanen waren islamitisch en zaten niet te wachten op het christendom, blijkt uit de wanhoopskreten van Albers: "Waar elders ter wereld verschijnt een zendeling onder zulke omstandigheden? Nergens! (...) Indië is een ware woestenij op geestelijk gebied, een woestijn zo droog, zo bar, als maar enig ander land ter wereld zijn kan."

Een kerkgebouw, dacht Albers, was misschien een oplossing. Een stenen huis schrikte de mensen af, merkte hij. Hij schreef naar Nederland voor extra geld en bouwde zijn kerk. En inderdaad, het hielp. Albers kon zijn doopvont meteen in gebruik nemen: twee inheemse bewoners, Ismail en Moerti, werden lid van zijn gemeente. In de loop der jaren druppelden er nog wat mensen zijn kerk binnen, maar groot is hun aantal nooit geworden.

"Albers mislukte als zendeling omdat hij zo rechtlijnig en star was", zegt Kruithof. "Hij wilde de Javanen bekeren tot het 'pure christendom'. Hij kon niet accepteren dat het christendom in Indonesië nu eenmaal niet hetzelfde kon zijn als thuis in Nederland."

Tegenover de Nederlandse Zendingsvereniging moest Albers zijn gebrek aan bekeerlingen verantwoorden. Hij schreef in het zendingsblad dat de Javanen in Ciandur nog 'te kinderlijk' waren om te kunnen geloven. Ze konden het onzevader niet onthouden en ze wisten niet wat het verschil was tussen Kerst en Pasen.

Albers besloot cultiveren als zijn eerste missie te zien, en bekeren als zijn tweede. "Daarin komt het idee van westerse superioriteit natuurlijk duidelijk naar voren", zegt Kruithof.

Ondanks zijn matige succes kon Albers op aanzien rekenen in Nederland. Hij werd bewonderd om zijn rechtlijnigheid.

En hij had geluk bij een ongeluk. Eén van zijn collega's, die verderop het evangelie verkondigde, kwam onder de tram. Die tragische gebeurtenis leverde Albers in één klap vijfhonderd nieuwe gemeenteleden op. In 1902 kreeg hij, terug in Nederland, een onderscheiding voor zijn inspanningen op Java.

Zielenveroveraar gehuld in lappen Franciscus van Lith (1863-1926)

Toen Franciscus van Lith in 1896 op Java aankwam, droeg hij allesbehalve deftige kledij. Hij probeerde er zo Javaans mogelijk uit te zien: wat lappen om zich heen gedrapeerd, een gat hier en daar. En, niet te vergeten, een oude hoed. Hij sliep 's nachts in een hutje tussen de mensen. Hij had bewust geen klamboe tegen de muggen - de Javanen hadden die ook niet. "Anders dan Albers in zijn stenen huis, wilde Van Lith één zijn met de Javanen", zegt promovenda Kruithof.

Door Van Liths brieven te lezen kwam Kruithof erachter dat de jezuïet tegen zijn zin naar Java was gestuurd door het seminarie in Nederland. Zelf had hij nooit missionaris willen worden. In een brief schrijft hij dat het hem niets had uitgemaakt als hij onderweg naar Java overboord was geslagen. Kruithof omschrijft Van Lith als stug en pragmatisch. "Een beetje een loner."

Van Lith begon zijn werk in de stad Muntilan op Midden-Java, samen met zijn collega Petrus Hoevenaars. Het duurde niet lang of die twee kregen ruzie. Hoevenaars vond dat ze het evangeliseren anders moesten aanpakken, meer topdown. En hij was het niet eens met de Javaanse vertaling die Van Lith had gemaakt van het onzevader. Hij vond zijn eigen versie beter.

Het bekeren wilde niet vlotten. Van Lith voelde zich eenzaam, zo ver van huis. "Ik gevoel mij als een kluizenaar op de wereld. (..) Zelfs de vruchten smaken me niet", schrijft hij. Van Lith verdronk bijna in zijn droevige proza.

Maar toen kreeg hij een duwtje in de rug. Een Javaanse evangelist uit de buurt had wat voorwerk gedaan: hij interesseerde tweehonderd Javanen voor het christendom.

De zoekende Javanen kwamen bij Van Lith terecht, ze luisterden naar hem, en lieten zich dopen. Van Lith koos daarvoor een bijzondere plek uit: de bron van Sedangsono, in de Javaanse bergen. Die bron is nog steeds een pelgrimsoord.

Vanaf dat moment ging het Van Lith voor de wind. Collega Hoevenaars werd ontslagen. Hij zou een klas Javaanse kinderen pardoes hebben gedoopt, nadat hij ze op de schoolfoto zette. Dat leverde heel wat boze ouders op. Toen de koloniale overheid er lucht van kreeg, kon Hoevenaars zijn koffers pakken.

Al het geld dat uit Nederland kwam ging voortaan naar Van Lith. Hij besloot een college te stichten: het Xaveriuscollege. Het werd een echt instituut, iedereen wilde er studeren vanwege het hoge niveau. Docerend aan zijn eigen college wist Van Lith velen te bekeren.

"De sleutel tot het succes van Van Lith was zijn pragmatisme", zegt Kruithof. "Hij schreef zelf dat het soms beter is dat de missionaris zich van de domme houdt, en het volk zijn gang laat gaan. Daarom kneep hij vaak een oogje dicht. Hij stond besnijdenis toe, en hij tolereerde echtscheidingen."

Maar Van Lith had wel een verborgen agenda. Aan zijn thuisfront schreef hij: "Als ons gezag over de inlanders voldoende zal zijn gevestigd en een voldoende aantal kindertjes door ons opgevoed zal zijn, dan zal de tijd gekomen zijn om zachtjes het leidsel aan te halen."

In Nederland werd Van Lith verguisd om zijn pragmatisme. Maar hij liet zich niet kisten. Hij gaf 's morgens zijn lessen en stapte daarna op zijn fiets om de dorpjes langs te gaan en het evangelie aan de man te brengen, gekleed in zijn lappen en zijn oude hoed. Zijn collega's vermoedden dat hij gewoon in de zon ging zitten, hij had immers al zóveel zielen bekeerd.

Christendom op Java

Hoe hard de Nederlandse zendelingen op Java ook ploeterden in de negentiende eeuw, Java is er niet veel christelijker op geworden. Slechts een paar procent van de bevolking is christen; de overgrote meerderheid is moslim. In West-Java, waar veel radicale moslims wonen, verkeren kerken in zwaar weer. Deze zomer moesten zeven protestantse kerken sluiten onder druk van moslims. De jaren daarvoor werden veel kerkdiensten bruut afgebroken of verhinderd. In 2011 staken moslims twee kerken in brand. In datzelfde jaar goten zeshonderd moslims emmers met urine uit over 100 christenen in de Javaanse stad Bestaki. Uit een onderzoek van de organisatie 'Christian Solitarity Worldwide' blijkt dat solidariteit jegens christenen in geheel Indonesië achteruit is gegaan de afgelopen vijftien jaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden