Bekentenissen van een kerkganger

,,Ik voelde me bang en hulpeloos, mislukt, zo tegen het einde van mijn leven.'' De Amerikaanse schrijver John Updike over de toekomst van de religie.

In het goddeloos klinkende jaar 2000 houdt het geloof zich staande. Christelijk rechts, met abortus en schoolgebed als zijn voornaamste thema's, blijft in Amerika een luidruchtige en angstaanjagende politieke macht, die in staat is gebleken ervoor te zorgen dat de evolutie in Kansas als louter 'theorie' wordt gekwalificeerd. God en het hiernamaals doen het nog steeds goed in de opiniepeilingen, met ongeveer negentig procent bevestigende antwoorden op de vraag of men in God gelooft en tachtig procent voor het geloof in het hiernamaals.

Volgens een studie uit 1999 is het geloof in het hiernamaals weer in opmars, terwijl het kerkbezoek juist afneemt. Slechts 28 procent van de rooms-katholieken gaat in een willekeurig weekend naar de mis en minder dan een op de vijf protestanten gaat op zondagochtend ter kerke. Thuisstudie en de religieuze televisieshows op zondagochtend gaan ten koste van het kerkbezoek. Als onderdeel van de doe-het-zelf-trend is de verkoop van religieuze boeken spectaculair gestegen, met vijftig procent in de laatste tien jaar.

Toch kunnen de weinigen die wel naar de eredienst gaan, bevestigen dat er binnen de kerken iets leeft. Steeds jongere, vaak vrouwelijke geestelijken hebben de preekstoel bestegen, en als ze openlijk spreken over seksuele voorbehoedmidelen of homoseksuele huwelijksplechtigheden - thema's die lange tijd onbespreekbaar waren - dan is hun toon in het algemeen ontspannen.

Afgezien van de mensenrechtenbeweging in de zuidelijke staten, die werd geleid door dominee Martin Luther King, vonden de wijdverbreide religieuze impulsen van de jaren zestig in Amerika voornamelijk plaats buiten de kerken en, sterker nog, buiten het christendom; maar het sociale evangelie van de liefde, met zijn handreiking naar de losers in de wereld, inclusief de bedreigde soorten, is de kerken binnengedrongen. Waar anders kun je het nog horen in dit ik-tijdperk?

Buiten het domein van het christendom gedijen allerlei New Age-geloven -van feng sjui en kristal-kijken tot engelenverering en postuum beroemdheid-spotten- in kortstondige rages die worden aangewakkerd door de media. Zoals William James aan het begin van de twintigste eeuw aantoonde in zijn klassieke studie 'The Varieties of Religious Experience' (de verschillende vormen van religieuze ervaring) is het religieuze instinct van het menselijk schepsel even verstokt als zijn seksuele instinct, en even onvatbaar voor rede.

Mondiaal gezien geeft het islamitisch fundamentalisme blijk van de macht die een geloofsovertuiging heeft om censuur en repressie teweeg te brengen en te inspireren tot solidariteit en martelaarschap. Veel religieuze loyaliteit is per slot van rekening een vorm van recalcitrant gedrag, volhardend in de stelling 'dit is wat ik ben'. Denk maar aan de Ieren en de Polen die zich verenigen rond hun rooms-katholicisme, om hun grotere, koloniserende buren dwars te zitten. Nu de verstikkende mantel van het communisme is afgenomen van Oost-Europa, hebben de kerken daar de ruimte om meer te zijn dan brandpunten van tegendraadsheid en worden ze, nadat er eerst een onmiddellijke stijging van kerkbezoek en belangstelling had plaatsgevonden, nu geconfronteerd met een onverschilligheid, die dodelijker is dan vijandschap.

De mengelmoes van religieuze verschijnselen is niet noodzakelijkerwijs bemoedigend voor de belijder van een specifiek geloof; juist de veelvormigheid en verscheidenheid doen vermoeden dat geen ervan waarachtig is, in plaats van dat ze blijk geven van een ontwijfelbare menselijke neiging. Een protestantse christen in de dageraad van het derde millennium moet worstelen met de gewaarwording dat zijn kerkgenootschap, evenals het heelal zelf volgens het laatste kosmologische nieuws, op z'n retour is.

Toen ik onlangs door Italië reisde en, nog slaperig van de jetlag, van het Uffizi sjokte naar kerken met talrijke delicaat verslechterende en ingenieus gerestaureerde fresco's, en daarna van Florence naar Venetië ging, begonnen de mijlpalen van het verhaal van het christendom, zoals dat wordt verteld door de kunstenaars van de Renaissance - Adam en Eva en de slang, en vervolgens, met een goddelijke omkering van deze zondeval, Maria-Boodschap of de Annunciatie van de Heer, de Visitatie, de aanbidding door de Maagd van het (doorgaans bovenmaatse, nogal hooghartige en strenge) goddelijk Kind, de aanbidding door de wijzen, tot aan de ontknoping van kruisiging, de kruisafname, piëta en (het aangrijpendst door Piero della Francesca, op een muur in Sansepolcro) de verrijzenis - begonnen al die mijlpalen eentonig en onbeduidend te lijken, een herhaling als bij bepaalde gekmakende televisiereclames, dit aloude christelijke verhaal, dit kosmische antropocentrisme, dat ontelbare woorden en geschriften heeft opgeroepen, dat voor honderd generaties als een voorbeeld voor leven en sterven heeft gediend, en waarvan ik elke keer als ik naar de kerk ging de details beaamde, in een haastig resumé. Hoeveel méér rendement zou er nog uit deze vervaagde, vergaande beelden kunnen worden geperst?

Ik moet zeggen dat mijn vrouw, die bij me was, er nooit genoeg van kreeg. Elke nieuwe Annunciatie verrukte haar weer door de kenmerken waarmee de afbeelding zich van alle andere onderscheidde: op sommige houdt Gabriël een lelie vast en op andere een palmtak; het boek dat Maria volgens de traditie leest, kan zich in haar hand, op haar schoot of op een lessenaar bevinden; de stemming van dit ene ogenblik kan met een verwonderlijke vrijheid uiteenlopen van mystieke aanvaarding tot een met gebaren aangegeven ontsteltenis.

Aan het einde van twee weken bezichtiging van kerkmuren en heilige beeltenissen, was ik van plan om, bij wijze van spreken, mijn gehemelte weer te zuiveren door de Biennale van Venetië te bezoeken. Mijn vrouw weigerde haar kostbare tijd te verspillen aan moderne rotzooi. In m'n eentje, een versufte pelgrim met zere voeten, sleepte ik me van het ene paviljoen naar het andere, mijzelf blootstellend aan kunstmatige mist en omgekeerde paardenbloemen in het Belgische paviljoen, onbegrijpelijk gefluister en wolken van magenta stof in het Amerikaanse, een zaal met elektronische getallen in het Japanse en, in het Russische paviljoen, foto's genomen door een chimpansee en abstracte schilderijen met vegen die waren aangebracht door speciaal getrainde olifanten. Overal snijdende ironie en nihilisme.

De Duitsers vertoonden kolossale video's waar nauwelijks iets op gebeurde, en de Slowaken honderden tatoeages, met een kennelijk serieus aanbod om, op gezette tijden, een van die ontwerpen in de huid van de bezoeker te prikken. Een oorverdovend, razend gebrul van raceauto's vulde het Deense paviljoen, samen met stapels beschilderde autobanden; de Fransen hadden zowaar de vloer van hun tentoonstellingszaal, een stevige en oude, uit 1912 daterende constructie, gesloopt en stelden de delen ervan tentoon onder een rooster, drie meter dieper.

Tot het Franse paviljoen behoorden ook een paar uiterst witte zalen, en langs de zo flagrant lege oppervlakken daarvan zweefden de vlekken van de glasachtige lichamen van mijn ouderwordende ogen. Alleen onschuldige kleine landen - Uruguay, Zuid-Korea - stelden, met gebruikt hout of paarlemoerachtige lovers, iets tentoon dat deed denken aan kunst in de oude zin van het woord, zelfs in de oudere moderne zin van het woord: aan een fysiek object dat zich ertoe leent te worden bekeken en ergens binnen te worden neergezet.

Het verlangen om de doorgewinterde kunstkenner door een schok tot een of andere reactie te bewegen had werkelijk uitzinnige vormen aangenomen; haast alle vormen van leegte, van afkeer, van minachting waren geëxposeerd, in deze tijd van post-gelovigheid. Alleen de planten en de andere bezoekers van de Biennale - over het algemeen jong, hand in hand zwalkend van het ene berekende, niet zelden obscene affront naar het andere - behoorden tot een wereld waarin ik wilde vertoeven.

In de verschillende buitenwijken in New England waar ik als volwassene heb gewoond, kon je uit andere tekenen maar moeilijk opmaken wie wel en wie niet naar de kerk ging. Toonbeelden van rechtschapenheid en conventionaliteit bleken religieuze vieringen te versmaden, zozeer dat zelfs hun begrafenissen lukraak plaatsvonden, een verstrooiing van de as zonder sporen achter te laten. Andere voorstadbewoners die er op de weekdagen vrolijk en lichtzinnig op los leefden, kwamen dwangmatig opdagen bij de vroege zondagochtenddiensten, bezwaard door hun kater en door de vleselijke gemeenschap die ze hadden bedreven. We kennen allemaal de vrouwen die komen bidden terwijl hun echtgenoten in de auto de krant zitten te lezen, maar zelf ben ik verrast door de vele mannen die alleen in de kerk verschijnen en al zittend, staand of knielend dit gewoontebezoek of eerbetoon aan de voorouders door zien te komen.

Dat de factor intelligentie hierin verschil zou maken ligt niet voor de hand. Als we terugkijken op een millennium en een eeuw waarin de holocaust centraal stond, zijn de redenen om aan Gods bestaan te twijfelen (Zijn onzichtbaarheid, Zijn kennelijke onverschilligheid jegens de uitbarstingen van pijn en wreedheid, de overtuigende verklaringen die de wetenschap biedt voor alle verschijnselen die ooit voor een mysterie werden gehouden) zo makkelijk te vinden dat kerkbezoek moet worden gezien als een moedwillig besluit om te ontkomen aan wat G.K. Chesterton 'atheïstische respectabiliteit' heeft genoemd.

Natuurlijk bestaat de kerk in de wereld. Gedurende de eeuwen waarin zij domineerde, had zij de macht om uit te sluiten en te excommuniceren; nu is ze, anders dan de meeste andere instellingen, bereid ons op te nemen zodra we ons gezicht maar laten zien. De zwakken, de buitenbeentjes, de verschoppelingen zijn in principe allemaal welkom. De kerk is de laatste buitenpost waar mensen nog op een gunstig onthaal kunnen rekenen. In menige stad en buurt fungeert de kerk nog steeds als een ontmoetingsplaats en, wat haar charitatieve programma betreft, als een oord van goede werken, verricht met enige jovialiteit. Het is goed voor je gezondheid: een door de Duke University verrichte studie uit 1999 laat zien dat geregelde kerkgangers 28 procent minder kans maakten om binnen een gegeven periode van zeven jaar te sterven dan niet-kerkgangers. Maar louter als fitnessclub zal een kerk geen lang leven beschoren zijn; er bestaan ook andere fitnessclubs en andere, minder eisende manieren om het gevoel van saamhorigheid op te roepen. Kern en karakter van een kerk liggen hierin dat zij een gemeenschap van gelovigen is.

Het is moeilijk zich iemand voor te stellen die de onwaarschijnlijkheden, waarin de christelijke leer zich verwikkelt, aanvaardt zonder een vorm van overerving of voorafgaande positieve betrokkenheid. Zo herinner ik me hoe ik samen met mijn vader tijdens de vastendienst op woensdagavond collecteerde, kort nadat we van een kleine stad waren verhuisd naar het platteland, in het zuidoosten van Pennsylvania.

Vergeleken met de voorstedelijke kerk waar mijn vader onderwijzer op de zondagsschool en kerkeraadslid was geweest, was de nieuwe kerk - een bruin zandstenen ark met toren, die mijn moeders vader als jonge man had helpen bouwen - aangewezen op een dun gezaaide plattelandsbevolking. Op deze speciale woensdagavonddiensten werden de krakende lutherse kerkbanken sporadisch bezet door de bijzonder plichtsgetrouwe gemeenteleden. De verwarmingsketel in de kelder zuchtte en plofte hoorbaar terwijl zij de kille vastenlucht verstouwde.

Ik was een jaar of veertien, nog maar pas geconfirmeerd, zonder dat ik me daar prettig bij had gevoeld; de verhuizing naar het platteland had mij uit mijn gewone doen gebracht. Ik maakte mijn groeispurt door en voelde me, hoewel ik nooit zo groot werd als mijn vader, mét hem groot terwijl wij het middenpad afliepen om de collecteschalen in ontvangst te nemen. In mijn herinnering lagen deze houten schaaltjes onverwacht licht in de hand, als modelvliegtuigjes. Misschien zong er een minimaal koortje op die woensdagavonden, maar wat ik me herinner is de stilte terwijl de schaal werd doorgegeven, langs de kerkbank glijdend en dan weer zwaarder terugkerend, dankzij nog een paar dollarbiljetjes of speciale enveloppes voor vastengiften. Al zat mijn hoofd in die tijd boordevol niet-christelijke zaken (meisjes, strips, honkbal), ik vond het aardig van deze kerk, waar mijn vader en ik nog haast vreemden waren, om ons beiden deze verantwoordelijke, zij het niet erg verheven rol toe te bedelen.

VERVOLG OP PAGINA 32

BEKENTENISSEN VAN EEN KERKGANGER

VERVOLG VAN PAGINA 31

Mijn vader diende die kerk tot aan zijn dood, meer dan 25 jaar later, in verscheidene hoedanigheden, terwijl ik verdween naar het college en nog verder. Hij was de zoon van een predikant, maar hij had het idee dat zijn vader in diens ambt had gefaald, omdat hij de 'roeping' en de nodige energie had gemist. Terwijl veel vaders, van wie sommige in laat-Victoriaanse romans zijn beschreven, hun zonen een beklemmend geloof bijbrachten, dat door dezen met vreugde weer werd afgedankt, droeg mijn vader, niet door woorden maar door zijn daden en zijn trieste manier van doen, op mij een besef over van de christelijke religie als iets zwaks en teers en hulpbehoevends. In zekere zin is het christendom onverenigbaar met succes, en is zijn eigen domein dat van de borstwering, van heimelijke volharding in de catacomben, of van slechtbezochte kerkdiensten in kwijnende parochies op het platteland of in de binnenstad.

Het hachelijke, marginale, bespotte bestaan van het christendom kan dienen als beeld van ons eigen bestaan, onder welke schijn van succes dat leven ook op een bepaald moment wordt beschouwd. Ik had in elk geval geen oedipaal motief om het christendom af te danken; op college en daarna in New York City vond ik, al was het zonder regelmaat, mijn weg naar lutherse diensten; een grotere betrokkenheid vermeed ik, maar elke keer weer glipte ik gereinigd en verlicht naar buiten, en ik putte een zekere tegendraadse trots uit de deelname aan plechtigheden die, volgens de wijsheid van de wereld, nutteloos en irrationeel waren.

Tegen de enorme vloedgolf van rationeel ongeloof moet een innerlijk besef van contact standhouden, dat tamelijk stuntelig wordt aangeduid met termen als 'getuige' en 'Christus kennen', of tenminste een besef dat je leven over het geheel genomen zijn vorm krijgt door onderhandelingen met het bovennatuurlijke. Mijn moeder ging niet naar de kleinsteedse kerk waar mijn vader lesgaf aan de zondagsschool, maar in 1944, toen zij zich in het hoofd zette om de boerderij waar ze was geboren terug te kopen, sloot ze een soort overeenkomst, waarvan een voorwaarde was dat zij voor de rest van haar leven naar de kerk moest gaan - wat neerkwam op 45 jaar lang alle zondagochtenden.

Met zo'n familieachtergrond van voortdurende bovennatuurlijke onderhandelingen is het geen wonder dat ik mijn eigen christelijke connecties bleef onderhouden, die waren vervlochten met drie kerkelijke gezindten maar die, vrees ik, weinig sporen hebben nagelaten in de spirituele levens van mijn eigen kinderen. Sommige van mijn kleinkinderen zijn niet eens gedoopt, waarmee een einde is gekomen aan de hardnekkige gedragsnormen van de hemel weet hoeveel generaties godvrezende Nederlanders - New-Jersey-Nederlanders aan vaderskant, Pennsylvania-Nederlanders aan de kant van mijn moeder.

Het Berks County van mijn kinderjaren was een streek waar iedereen naar de kerk leek te gaan; de heersende, door de staat gesubsidieerde uitingen van vroomheid waren er onaangevochten, en de scholen en gemeentezaken waren er allemaal in handen van lutherse of gereformeerde ambtsdragers. Pas toen ik naar New England verhuisde zag ik 's zondagochtends mensen op straat hun auto wassen - godslastering op klaarlichte dag! Voor mij is er in de arena van ons leven niets anders dan de christelijke geloofsleer, geen ander antwoord op de doodsangst die ons sterfelijke bestaan met zich meebrengt.

,,Ik word bevangen door ontzetting,'' schreef Pascal, ,,als iemand die men in zijn slaap naar een verlaten en angstaanjagend eiland heeft gebracht, en die wakker wordt zonder te weten waar hij is en zonder een middel om er vandaan te komen.'' Als deze fysieke wereld alles is, dan is zij een hel waarin wij zijn opgesloten zonder uitweg, als (zo heeft Pascal elders gezegd) geketende gevangenen die ertoe zijn veroordeeld toe te kijken hoe andere gevangenen worden doodgeslagen - een hel waarin kunstminnaars door de Venetiaanse Biennale moeten zwerven, om te zien hoe de kunst de spiegel ophoudt voor het grijnzende gelaat van het post-humane.

Waarin zou een geloof van de toekomst kunnen bestaan? In meer van hetzelfde, naar alle waarschijnlijkheid. Religies zijn conservatieve artefacten, vervaardigd uit de scherven van andere religies. Boeddhisme is een gezuiverde vorm van hindoeisme, en het christendom een spruit van het joodse geloof. Van de religies die sinds het christendom zijn gesticht biedt de islam een nieuwe formulering van het Semitische monotheïsme, met oog voor de vroegere belichamingen daarvan. In de Koran staat geschreven: ,,God heeft voor u de religie bestemd die hij heeft toevertrouwd aan Noach, en die wij aan u hebben geopenbaard en hebben toevertrouwd aan Abraham en Mozes en Jezus'', en dit boek legt de gelovigen op tegen ,,het Volk van het Boek'' (joden en christenen) te zeggen: ,,Onze God en uw God zijn één''.

Welke totalitaire neigingen de islam tegenwoordig ook mag vertonen, hij begon als een niet-exclusieve religie en handhaafde tijdenlang op vele plaatsen een tolerante houding jegens andere geloofsovertuigingen, een houding waaraan het christendom niet kon tippen.

Misschien is de toekomst van de religie al overal om ons heen waarneembaar, in het snelgroeiende escapisme en de kunstmatige hysterie van de amusementswereld, met de hele vreeswekkende, verdwazende schaalvergroting die mogelijk is gemaakt door de elektronische media. We zijn vollediger omsloten door amusement dan de middeleeuwse mens was door de kerk en haar propaganda. Voel je je wanhopig en eenzaam? Doe de televisie aan. Voor menige verarmde, aan huis gekluisterde zieke zijn de verschijningen op de televisie reeler dan de geestelijke of de sociaal werker. Mensen bidden tot Elvis; de Beatles waren invloedrijker dan Jezus, zoals John Lennon opmerkte, voordat zijn beroemdheid hem tot martelaar maakte.

Als er een vaste neurale bedrading is die het religieuze instinct bepaalt, wekt het geen verbazing dat religies zo'n sterke familiegelijkenis vertonen. Het boeddhisme, dat leert dat er een gesublimeerde godheid bestaat en dat er een einde kan komen aan het begeren, bracht afgoden voort en een tot in de details uitgewerkt hiernamaals. ,,Waarom zijn jullie allemaal hier?'' vroeg de predikant van een congregationalistische kerk op een zondagmorgen aan mij en de rest van zijn schaarse kudde. ,,Omdat jullie voor altijd willen leven''

In een merkwaardig beladen paragraaf uit 'Het onbehagen in de cultuur' zet Freud alles meedogenloos op een rijtje. ,,De religie,'' schrijft hij, ,,dringt haar weg naar het verkrijgen van geluk en naar de bescherming tegen lijden aan alle mensen in gelijke mate op. Haar techniek bestaat hierin dat zij de waarde van het leven omlaaghaalt en het beeld van de werkelijke wereld door illusie vervormt, wat de intimidatie van het verstandelijk vermogen vooronderstelt. Tegen deze prijs slaagt de religie erin veel mensen de individuele neurose te besparen, door hen op gewelddadige wijze vast te zetten in een psychisch infantilisme en hen te betrekken in een massawaan. Maar nauwelijks meer dan dat.''

Het heeft me altijd getroffen dat Freud níet dacht dat gespaard blijven voor neurose van groot belang was. En dat hij religie zag als iets dat ,,de waarde van het leven omlaaghaalt''. William James - nauwelijks geloviger dan Freud - zag religie juist als iets wat het leven versterkt: ,,Laat de hemel de aarde maar met een glimlach bekijken, en laat de godheden hier maar hun bezoeken brengen; laat het geloof en de hoop maar de atmosfeer zijn waarin de mens ademt - en zijn dagen zullen vol vuur worden doorgebracht, ze zullen kolken van de vooruitzichten, trillen van de hogere waarden.'' In zijn 'The Varieties of Religious Experience' verzamelde James zoveel getuigenissen dat ze alles bij elkaar de lezers ,,het recht om te geloven'' verleenden, zoals hij het noemde.

De persoonlijke getuigenis is de empirische stijl van de Amerikaanse religie, en een essayist zou al te bedeesd zijn als hij niet met zo'n getuigenis op de proppen zou komen. Toen ik half zo oud was als nu, bezocht ik een meisjesschool in New England om een lezing te houden en als jurylid op te treden bij een poëziewedstrijd, en daar werd ik bevangen door panische angst. De jeugd en onschuld van de huwbare studentes, en hun kalme begeerte om te kennen en gekend te worden kwamen mij verbazingwekkend en monsterlijk voor, gegeven het feit dat wij allemaal balanceerden op de rand van de afgrond van - zo stond mij plotseling duidelijk voor ogen - onze uiteindelijke dood.

In een toestand van verdoving bracht ik mijn professorale klus ten einde, en in de kamer van het studentenhuis die mij was toegewezen bereidde ik me erop voor de nacht door te zullen brengen met mijn panische angst. Ik had zulke episodes al eerder doorgemaakt; het is alsof de huid van gewoonte en kuddegevoel die onze zo hachelijke toestand doorgaans omhult en onvoelbaar maakt, plotseling van je wordt afgestroopt. Later schreef ik deze ervaring toe aan een fictief karakter, een joods karakter, al is het wellicht een specifiek christelijke vorm van zelfkwelling.

In mijn slaapkamer zag ik een plankje met boeken en een van die boeken beantwoordde, op de bladzijde waarop ik het opensloeg, meteen aan mijn gevoelens en bood, in eenvoudige en vriendelijke bewoordingen, diverse vormen van geestelijke verlichting. Het was, neem ik aan, een boek over zelfhulp, met een vroom tintje - niet het soort boek dat ik gewoonlijk las of waardevol achtte. Ondankbaar genoeg ben ik de titel en de auteur vergeten, en ik voelde ook geen enkele aanvechting om het boek mee te nemen. De schaamte voor mijn onmachtige en vernederende angst hechtte zich aan het boek dat die angst verlichtte. Toch blijft het mysterieus dat dit boek zo voor het grijpen stond. Ik sliep in na een aantal bladzijden te hebben gelezen. Ze hielpen mij de nacht door. De volgende dag was ik nog steeds bang, maar op een zeurend-pijnlijke, stramme manier, zoals bij spieren die teveel zijn geoefend.

En een paar weken geleden, in Florence, in een hotel vlakbij de Duomo, werd ik 's nachts wakker en voelde ik me in de onbekende kamer bang en hulpeloos, mislukt, zo tegen het einde van mijn leven - ik was een klaarwakker stofje in een vreemde, slapende stad. Mijn gevoel van verlatenheid lag, moet ik hierbij opmerken, deels aan mijn inwilliging van het verzoek een stuk te schrijven over de toekomst van het geloof. Die poging kwam mij gevaarlijk voor; ik vreesde dat zij mij zou ontdoen van de laatste beetjes van wat ik tot dusver door mijn zwakke geloof heb bereikt. Om mijn eenzaamheid te verlichten bad ik, vragend om te mogen slapen, zonder te verwachten dat het gebed zou worden verhoord; ik voelde me zo gespannen - een naald die drijft op de oppervlaktespanning van een glas stilstaand water.

Maar toen nam ik, terwijl ik opstond om naar de wc te gaan, een geluid waar, een geruis overal om me heen, dichterbij en sneller, en dan de alomvattende dreun van de donder, herhaalde malen. Ik ging naar het raam. De kamer had een schuin uitzicht op de Duomo - het middelpunt van Florence, en de op drie na grootste kerk van het christendom. Terwijl ik toekeek begon het harder te regenen, kletterend op nabije en verre pannendaken; het leken wel metalen staafjes, in het licht van de schijnwerpers die het rode dak van de koepel van de Duomo voor een deel verlichtten. Bliksem. Hevige windstoten. De regen was uiterst fel. Ik was niet alleen in het universum. De ruisende regenstaafjes sloegen zo hard in op de verticale lichtstraal aan de basis van de reusachtige koepel dat het leek of ze die wilden vernietigen; maar de lamp, de zuil van licht die zij gaf, de kolossale oude kathedraal zaten neer als een stoïcijnse, zwijgende draak; de dikke pannen en gorgelende goten rondom mij waren allemaal bestand tegen de stortbui, de donder, de sidderende lichtflitsen.

Ik was vervuld van een blij besef van activiteit die buiten mij plaatsvond. God was aan het werk - op Z'n gemak zelfs. Mijn vrouw werd wakker, bewonderde met mij het onstuimige spektakel, en ging weer naar bed. Ik ging naast haar liggen en viel in slaap onder het vertroostende, drukke, onbekommerde getik van de regen. Dit alles voelde als een transactie, een redding.

De toekomst is niet zomaar een uitbreiding van het verleden; evenals een subatomair deeltje waarvan de positie wordt bepaald onttrekt zij zich aan voorspelling. Het jodendom en het christendom zijn allebei religies van het wachten - in het ene geval wachten op de Messias, in het andere op de wederkomst van de Messias. De christelijke tijd is een tussentijd, die zich langer uitstrekt dan de profeten en de vroege heiligen verwachtten. Er zou nog iets kunnen gebeuren in de toekomst van het geloof.

Wát er plaatsvindt zal niet makkelijk te begrijpen zijn - er was meer dan een eeuw nodig om de Evangeliën te schrijven - maar de hunkering, de vastberaden wil dat er 'iets méér' is, om William James nogmaals te citeren, zullen aanhouden. Onze opvattingen van kunst en deugd, doel en rechtvaardiging zijn zo nauw verbonden met het bovennatuurlijke, dat het moeilijk voorstelbaar is dat we het ooit helemaal daarzonder zullen doen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden