Review

Bekend in Parijs en in Berlijn

Eerst kwam Márai, daarna Geza Ottlik, Karoly Pap en nu ligt 'Reis bij maanlicht' van Antal Szerb in de boekhandel. Nederland ontdekte pas in het afgelopen jaar, ruim een halve eeuw 'te laat', de grote Hongaarse schrijvers van voor de Tweede Wereldoorlog. Waarom bleef hun werk zo lang onvertaald?

Het beroemdste literatuurtijdschrift van Hongarije is al zestig jaar dood. Nyugat ('Westen') heette het blad dat tussen 1908-1941 verscheen en waarin het puikje van de Hongaarse letterkunde publiceerde. Dezsö Kosztolányi bijvoorbeeld, misschien wel de grootste Hongaarse prozaschrijver van de 20ste eeuw, van wie binnenkort enkele romans in vertaling zullen verschijnen. Maar ook bekende lyrici als Mihály Babits en Endre Ady, de alleskunner Zsigmond Móricz en een aantal schrijvers die recentelijk in Nederland zijn geïntroduceerd, zoals Károly Pap, Géza Ottlik en Antal Szerb.

Nyugat en zijn medewerkers zochten aansluiting bij het Westen -de titel van het blad was programmatisch gekozen- bij de nieuwe stromingen in Parijs, Berlijn en Londen. Het modernisme en kosmopolitisme van het tijdschrift stonden haaks op het conservatieve en provincialistische denken dat in Hongarije nog lange tijd gemeengoed is gebleven. Met zijn nieuwlichterij gaf het blad regelmatig aanstoot en tijdens het nationaal-socialisme werd het zelfs verboden, ook omdat veel medewerkers van joodse afkomt waren.

De lezers van Nyugat konden door middel van vertalingen en scherpzinnige essays (een royale Duitse bloemlezing uit 1989 bewijst het excellente niveau) voor het eerst kennismaken met westerse avant-gardeschrijvers als Virginia Woolf en Aldous Huxley, Alfred Döblin en Bertolt Brecht, Roger Martin du Gard en Jean Cocteau.

'Een volk van het oosten -en vanaf nu niet meer vreemd', zo luidde het in de beroemde beginselverklaring in het eerste nummer van Nyugat. Hongarije werd 'een partner van dezelfde mensheid en medebepaler van dezelfde geschiedenis als de grootste naties', pathetische woorden waaraan onlangs bij de toetreding tot de Europese Unie in Boedapest en omgeving nog vaak is gerefereerd.

Lange tijd hebben de Hongaren zich als oostelijk volk beschouwd, hun identiteit van een Aziatisch steppenvolk benadrukt. Ook de Hongaarse taal, die alleen een paar woorden gemeen heeft met het Fins en het Estisch (men spreekt van de 'finoegrische taalgroep'), droeg bij tot het isolement waarin de Hongaarse letterkundigen altijd verkeerden of meenden te verkeren. In zijn meesterlijke autobiografie 'Land, land!...' schrijft Sándor Márai over de 'prachtige, eenzame Hongaarse taal' en 'een literatuur die opgesloten is in die taal' en daardoor 'nooit tot de wereld heeft kunnen spreken'.

Helemaal gelijk had Márai overigens niet. Je zou zelfs ironisch kunnen zeggen dat het tegendeel waar was, zeker wat hemzelf betreft: Márai kon tot de wereld spreken maar niet tot zijn landgenoten. Zijn werk was tijdens de communistische dictatuur in Hongarije verboden, de schrijver werd doodgezwegen. Pas na de politieke ommekeer rond 1990 en nadat hij in het Westen was herontdekt, werd hij ook in eigen land weer gelezen en uitgegeven.

Maar ook in een ander opzicht had Márai ongelijk. Hongaarse schrijvers werden namelijk in het Westen wel degelijk gelezen en bediscussieerd, en al voor de Tweede Wereldoorlog bestond er bijvoorbeeld tussen Frankrijk en Italië enerzijds en Hongarije anderzijds een actieve literaire uitwisseling. Toch is het vooral de Duitstalige markt geweest die voor Hongaarse auteurs altijd van doorslaggevende betekenis is gebleken, wat tot op de dag van vandaag nauwelijks lijkt te zijn veranderd; schrijvers als Imre Kertész, György Konrád, Péter Esterházy of György Dalos wonen deels in Berlijn en beheersen het Duits welhaast als hun moedertaal. Hoe belangrijk het Duits voor de Hongaarse schrijvers is geweest, bewijst een vier jaar geleden bij de kleine Duitse uitgeverij Schweikert verschenen 'Bibliographie der ungarischen Literatur des 20. Jahrhunderts in deutscher Sprache', een studie die meer dan duizend bladzijden telt.

Een soortgelijke studie voor het Nederlands zou aanzienlijk dunner uitvallen, al zijn er ook in ons land al in het begin van de 20ste eeuw diverse klassieke Hongaarse auteurs vertaald. De schrijver Jan Cremer, deels van Hongaarse afkomst, heeft nog rond 1980 met matig succes geprobeerd een Hongaarse Bibliotheek te lanceren.

De laatste jaren zijn er echter opvallend veel Hongaarse schrijvers vertaald, mede te danken wellicht aan het wereldsucces van Sándor Márai en de Nobelprijs voor Imre Kertész en misschien ook aan het feit dat sinds kort de Hongaarse literatuur in den vreemde vanuit Boedapest financieel wordt ondersteund. Magda Szabó, de grootste Hongaarse schrijfster van na de Tweede Wereldoorlog, is sinds kort met twee schitterende romans in Nederland vertegenwoordigd. Ook Géza Ottliks beroemde internaatsroman 'School aan de grens' uit 1959 werd vorig jaar lovend onthaald. Maar het zijn toch opvallend genoeg vooral de vooroorlogse Hongaarse auteurs die momenteel in ons land furore maken: Károly Pap en Béla Zsolt bijvoorbeeld, en als jongste en zojuist verschenen aanwinst Antal Szerb (1901-1945).

Szerbs eerste publicaties verschenen in Nyugat: essays, recensies en gedichten. De schrijver was afkomstig uit de haute juiverie van Boedapest, later woonde hij in het Zuid-Hongaarse Szeged waar hij professor in de literatuurwetenschap werd. Szerb is vooral bekend geworden door twee theoretische werken, die in Hongarije nog steeds zeer populair zijn: een 'Hongaarse literatuurgeschiedenis' en een 'Geschiedenis van de wereldliteratuur'. Hij stierf jong in een concentratiekamp, zoals trouwens opvallend veel Hongaarse schrijvers slachtoffer zijn geworden van het nationaal-socialisme: Károly Pap, Miklós Radnóti, Andor Endre Gelléri en nog heel wat meer.

Het is bijna onmogelijk om de inhoud van Szerbs nu vertaalde roman 'Reis bij maanlicht' uit 1937 na te vertellen. Kort en onvolledig samengevat komt het hierop neer. De uit Boedapest afkomstige 36-jarige zakenman Mihály is met zijn vrouw Erszi op huwelijksreis in Italië als hij plotseling twijfels krijgt over de juistheid van zijn partnerkeuze. Op een station besluit hij zijn vrouw 'abusievelijk' uit het oog te verliezen. Vervolgens begint Mihály aan een maandenlange avontuurlijke dwaaltocht door Italië, die hem via Perugia en een klooster in Umbrië -waar een jeugdvriend van hem als monnik en duivelbezweerder verblijft- uiteindelijk in Rome doet belanden, waar het tot een kortstondige hereniging met zijn vrouw komt. Even later keert hij samen met zijn vader, die hem is komen ophalen, volledig berooid terug naar Boedapest.

De hoofdpersoon van 'Reis bij maanlicht' is met zijn levensangst en zijn twijfels welhaast een karikatuur van een antiheld. 'De mooiste tijd van mijn leven' en zelfs 'het enige geluk dat ik heb gekend', zo bekent Mihály al op een van de eerste bladzijden aan zijn vrouw, ligt al ver achter hem. In zijn jeugd voelde hij zich mateloos aangetrokken tot Támas en üva Vulpius, exentrieke en eenzelvige kinderen uit een intellectueel milieu in Boedapest. Támas, die later zelfmoord pleegde, koesterde een romantisch doodsverlangen, dat op Mihály is overgegaan. üva is zijn heimelijke grote liefde geweest en in Rome komt het ook met haar tot een weerzien, alvorens deze vrouw zich definitief terugtrekt in Indië.

Antal Szerb vertelt met vaart en humor, op iedere bladzijde gebeurt wel iets. Langdradigheid kan men hem onmogelijk in de schoenen schuiven. Innemend zijn ook een aantal portretten van bijfiguren, bijvoorbeeld van een in Rome verblijvende Hongaarse professor namens Waldheim, een morsige geleerde en bonvivant, de tegenpool van de Grübler Mihály.

Maar de overdaad schaadt toch enigszins in deze roman. Er komen wel erg veel bijfiguren voor, die weer snel verdwijnen, en ook met onverwachte ontmoetingen en soms bizarre wendingen is Szerb bepaald scheutig. De crisis waarin de hoofdpersoon verkeert wordt opvallend expliciet en opdringerig benoemd; woorden als 'ondergangsgevoel', 'algemene wereldondergangsstemming'of 'apocalyptische tijden' zijn zo talrijk dat ze gaandeweg hun kracht verliezen. ,,Ik verlangde vurig naar de geheimzinnige verrukking van het sterven'', zegt Mihály al meteen in het begin. Maar het lukt hem maar niet om te sterven. Als hij uiteindelijk in Rome het besluit heeft genomen om zelfmoord te plegen, en de afscheidsbrief aan zijn ouders al bijna gereed heeft, wordt hij op het laatste moment van zijn snode plannen afgehouden en meegetroond naar een doopfeest, waar hij stomdronken wordt -een slapstickachtige scène waarvan er in deze roman tamelijk veel voorkomen.

'Reis bij maanlicht' verscheen in 1937, hetzelfde jaar waarin ook de vorig jaar vertaalde roman 'Azarel' van Károly Pap verscheen. Grotere verschillen zijn nauwelijks denkbaar. Antal Szerb vertelt lichtvoetig, met bravoure en humor. Paps ontwikkelingsroman over een verstoten rabbijnenzoon is daarentegen schrijnend, zijn beelden blijven je nog lange tijd bij.

De variëteit van de Hongaarse literatuur uit deze tijd is toch al opvallend. Béla Zsolt slaat met zijn onlangs vertaalde autobiografische roman 'Negen koffers' weer geheel andere tonen aan. En de grote Dezsö Kosztolányi, die binnenkort ook in het Nederlands gelezen kan worden, heeft zowel thematisch als stilistisch de meeste pijlen op zijn boog.

Nyugat mag dan al zestig jaar dood zijn, de literatuur die uit dit tijdschrift voortkwam is nog altijd springlevend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden