Behoudzucht keert zich tegen PvdA en VVD

De Amerikaanse econoom John Galbraith schilderde in de jaren vijftig het perspectief van 'publieke armoede te midden van particuliere rijkdom'. Hij zal toen niet hebben bevroed dat dit thema in 2002 een van de grote strijdpunten zou worden bij de verkiezingen in Nederland. Kennelijk gebeuren hier toch de dingen vijftig jaar later.

Galbraith had destijds vooral de ontwikkelingen in zijn eigen land voor ogen. Hij beschreef het gevaar van een tweedeling in de samenleving doordat de tevreden welvarende middenklasse steeds minder bereid is belasting te betalen die vooral ten goede komt aan de arme onderklasse. De politieke elite biedt daaraan geen weerstand, maar richt zich vanwege het electorale belang juist steeds meer op de wensen van de middenklasse en steeds minder op de behoeften van de hele gemeenschap, waardoor de minderbedeelden zich van de politiek afkeren. Deze wisselwerking zou volgens Galbraith onvermijdelijk de deplorabele toestand tot gevolg hebben van publieke armoede te midden van private rijkdom.

Er is in Nederland in de afgelopen halve eeuw altijd reden geweest het schrikbeeld dat Galbraith schetste te relativeren. De econoom deed dat zelf als eerste. Aan het begin van de jaren negentig constateerde hij dat landen in West-Europa, zoals Nederland, er dankzij hun sociale wetten in geslaagd zijn het grootste deel van de bevolking de 'tevreden meerderheid' binnen te loodsen en aldus een tweedeling te voorkomen. Tegen die achtergrond ligt het voor de hand de liberale minister van financiën Gerrit Zalm gelijk te geven, die anderhalf jaar terug hard uitvoer tegen de critici van Paars: 'Als je publieke armoede wilt zien, moet je naar Armenië of Georgië'. Als hij puinhopen in het publieke domein wil ontwaren, moet Pim Fortuyn dus in oostwaartse richting de grens over, samen met alle andere politici tot met PvdA-leider Ad Melkert aan toe, die de afgelopen jaren in meer of mindere mate over de verschraling van de publieke sector hebben geklaagd.

Maar de vraag is of Zalm wel gelijk heeft met zijn volgehouden relativering. De sociale wetten die ervoor moesten zorgen dat in Nederland 'de boel een beetje bij elkaar werd gehouden' zijn te duur gebleken; de burgers zijn meer op zichzelf komen te staan, ook in hun positie als werknemer; de particuliere welvaart is de afgelopen jaren sterk gegroeid. Nederland is gemeten naar individuele welvaart terug in de kopgroep van Europa, zoals de liberale leider Bolkestein aan het begin van de jaren negentig wenste. Op de sociale regelingen is onder het paarse bewind sterk bezuinigd en de arbeidsmarkt is ruiger geworden, althans minder beschermend. Het poldermodel bestaat nog steeds, maar de verhoudingen zijn harder en zakelijker dan tien jaar terug. Het is niet zo gek om vast te stellen dat Nederland wat Amerikaanser is geworden. In dat licht is het dus ook niet zo vreemd dat Galbraith in de afgelopen jaren opgang heeft gemaakt.

Al aan het eind van het eerste kabinet-Kok kwam met de economische overvloed het onbehagen in de samenleving boven. Maar nu is dat onbehagen zo verrassend groot geworden dat het Paars lijkt weg te vagen. De kaart waarop dat gebeurt lijkt de aanhoudende onvrede over de achterstanden in de publieke sectoren, voorop het gebouw van de zorg met zijn schrijnende toestanden en lange wachtlijsten. Marijnissen had het een jaar geleden over 'de uitverkoop van de beschaving' en speelde zo op het onbehagen in, Fortuyn heeft met zijn 'puinhopen in de collectieve sector' nog een overtreffende trap gevonden. Maar het is nog maar de vraag of de grootste onvrede over het paarse beleid uit de publieke armoede voortkomt.

Het is net zo goed voorstelbaar dat we hier een beweging zien van de middenklasse die Galbraith vijftig jaar geleden voor logisch hield. Met andere woorden, dat de drijfveer achter de afkeer van Paars niet de ontevredenheid of de gêne over de publieke armoede is, maar de vrees dat de nieuw verworven welvaart wordt bedreigd. Dat zou beter de verrassende opkomst van Fortuyn verklaren, die beide kaarten speelt. Tot voor een halfjaar leek Paars te floreren in de cultuur van tevredenheid, maar de gebeurtenissen op 11 september hebben die cultuur ruw verstoord en onzekerheid en angst boven gebracht.

Paars heeft de welvarende middenklasse volgens de wet van Galbraith goed bediend met een beleid van lastenverlichting, bescherming van eigen huis en auto en een milde fiscale benadering van vermogens. Maar door dat beleid is het nu des te lastiger te appelleren aan andere belangen, zoals de sociale cohesie, zoals Melkert in deze campagne veelvuldig doet om te voorkomen dat het schrikbeeld van Galbraith werkelijkheid wordt. Daarvoor moet hij heenbreken door het klimaat van behoudzucht waarin ook hij de afgelopen jaren ongewild heeft geïnvesteerd. Voor de VVD zou het niet zo problematisch moeten zijn zonder scrupules op het materiële belang in te spelen - de partij is daarmee groot geworden - maar onder de aanvoering van de gematigde Dijkstal ondervindt de partij toch ook problemen de oude kiezers vast te houden, laat staan nieuwe te winnen.

Het CDA liet in 1998 zien dat het anders kan. De christen-democraten kwamen met een verkiezingsprogram dat geen algemene belastingverlaging beloofde. Zij durfden de welvarende middenklasse aan te spreken op andere zaken dan alleen materieel belang en individuele keuzevrijheid. PvdA en VVD hebben die politieke moed niet gehad en zijn de kluts kwijt nu veel kiezers volgens de logica van Galbraith zonder mededogen bijten in de hand die hen heeft gevoed.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden