Behoud het verdrag met Suriname

Ontwikkelingsgeld voor Suriname in een apart fonds stoppen, zodat de corrupte Surinaamse politici er niet aan kunnen komen, heeft geen zin. Er is vooral behoefte aan geld voor armoedebestrijding, onderwijs en zorg en daar heeft Paramaribo nou eenmaal alles over te zeggen.

De econoom van Surinaamse afkomst Sandew Hira, bepleit in zijn artikel onder de kop: 'Graaiende Surinaamse politici kun je omzeilen' (Podium, 14 april), dat het Ontwikkelingsverdrag van 1975 tussen Suriname en Nederland ,,overboord wordt gegooid''.

Hij pleit ook voor samenwerking op het niveau van de niet-gouvernementele organisaties (ngo's). De 600 miljoen gulden waar Suriname nog recht op heeft, zou moeten worden beheerd door een speciaal onafhankelijk fonds, dat buiten de greep ligt van de Surinaamse politici.

Sandew Hira wil dat omdat hij geen andere mogelijkheid ziet in de uitzichtloze politieke verhouding tussen Suriname en Nederland.

Sandew Hira is, als zo veel Surinamers en Nederlanders, op zoek naar een model om de vastgelopen ontwikkelingssamenwerking tussen Suriname en Nederland op te lossen.

Hoe goed zijn voorstel er op papier ook uitziet, het is gedoemd te mislukken. Immers, in de voornaamste sectoren waarin Suriname hulp nodig heeft, armoedebestrijding, gezondheidszorg en onderwijs, is het noodzakelijk de Surinaamse regering daarbij te betrekken.

Bovendien is er nog het Ontwikkelingsverdrag 1975 tussen Suriname en Nederland, gesloten bij de onafhankelijkheid van Suriname in 1975. Het is een bilateraal verdrag en kan niet eenzijdig worden opgezegd. Daar komt nog bij dat geen van de twee partners te kennen heeft gegeven van het verdrag af te willen. Integendeel, in 1992 hebben de regeringen van Suriname en Nederland, als verlengstuk, het Raamverdrag gesloten. Hierin werd de wil tot nadere samenwerking onderstreept.

Bij het aangaan van beide verdragen is wel degelijk rekening gehouden met de historische banden tussen beide landen. De verhouding Suriname-Nederland is méér dan een relatie tussen twee landen, het is een band van meer dan drie eeuwen. Niet alleen een band tussen twee soevereine staten, maar óók een band tussen mensen en volkeren. Deze verhouding leent zich niet goed voor het gebruikelijke onderhandelingsspel tussen twee regeringen. Het lijkt mij daarom noodzakelijk, bij het zoeken naar een oplossing, dit mee te laten wegen. Door de slechte verhouding tussen de regeringen, is gebleken hoe belangrijk het werk van de ngo's is. Maar dat mag nooit in de plaats komen van het Ontwikkelingsverdrag 1975 en het Raamverdrag 1992.

Uit een recent onderzoek van het NIKOS, een instuut voor kaderontwikkeling en onderzoek in Paramaribo, in samenwerking met AGIDS (Amsterdam research institute for global issues and development) en de universiteit van Amsterdam blijkt dat er in totaal ongeveer 2250 ngo's in Suriname zijn. Aan beide zijden van de oceaan heerst tevredenheid over de verrichtingen van deze niet-gouvernementele organisaties.

Bij het onderzoek waren 71 ngo's in Suriname en Nederland betrokken. Zij werken op sociaal-economisch terrein (met als doelgroep vrouwen), onderwijsverbetering (met als doelgroep kinderen en jongeren) en sociaal-maatschappelijke verbetering (met als doelgroep bejaarden). Uit deze opsomming blijkt, dat dit gebieden zijn, waarvoor in de eerste plaats de Surinaamse regering verantwoordelijkheid draagt. Daarom is de betrokkenheid van de Surinaamse regering onontbeerlijk. De Surinaamse overheid zou een plan moeten ontwikkelen om deze problemen aan te pakken.

Daarvoor is het Ontwikkelingsverdrag uit 1975. Alleen daarom al is het gewenst de betrekkingen tussen de regeringen van Suriname en Nederland spoedig te normaliseren. Hier rijst de vraag of het opschorten van ontwikkelingshulp terecht is.

Ik ben het niet eens met Sandew Hira dat het verdrag uit 1975 niet werkt. Geschillen moeten worden opgelost, daar mag het volk niet de dupe van worden. Het is een kwestie van behoorlijk bestuur.

Het grote probleem is niet de corruptie van politici maar het tekort van bestuurlijke kwaliteit in Suriname. Al vóór de onafhankelijkheid kampte het land hiermee. Ná de onafhankelijkheid in 1975, werd het gebrek aan bestuurlijke kwaliteit zichtbaar schrijnender.

De Surinaamse politici en de leiders van het land zouden moeten onderkennen, dat zij ondanks miljarden steun uit Nederland, niet in staat zijn geweest de sociaal-economische problemen op te lossen.

Je kunt duizenden ngo's in Suriname inschakelen, maar als de overheid niet zorgt voor een goed sociaal-economisch beleid, is het dweilen met de kraan open. Een land dat goed bestuurd wordt, treft maatregelen tegen corruptie en komt met een evenwichtig ontwikkelingsplan, met bijvoorbeeld een Surinaams-Nederlandse commissie, om op de uitvoering daarvan toe te zien, zodat behoorlijke gezondheidszorg en goed onderwijs zijn gewaarborgd.

Als Suriname erin slaagt de hand in eigen boezem te steken en vast te stellen waar de problemen liggen, is de oplossing nabij. Met hard werken en hulp van andere landen wordt Suriname, met zijn nog geen half miljoen inwoners, een welvarend land. Daarover zijn Sandew Hira en ik het wel eens.

Wij, Surinamers in Nederland, staan buitenspel. Wij kunnen niet vanuit onze 'riante positie' in Nederland zeggen wat in ons moederland moet gebeuren. Op 25 mei gaan de Surinamers naar de stembus. Alleen zij kunnen bepalen hoe de toekomst van hun land eruit zal zien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden