Begroting van Zalm is bijzonder primitief

Minister Zalm doet het uitermate goed, gelet op het herhaalde begrotingsoverschot. Maar toch is het niet alles goud wat er blinkt op prinsjesdag: de Nederlandse regering weet onvoldoende aan te tonen dat haar uitgaven ook effectief en productief zijn. De begrotingen van de 21ste eeuw dragen eigenlijk een negentiende-eeuws karakter.

Door het wassend economisch getij zwemt minister Zalm in het geld. Na tientallen jaren van overheidstekorten zal er voor de tweede keer een overschot zijn. De overheidsschuld loopt verder terug tot bijna 54 procent van het bruto binnenlands product (bbp); in 1991 was deze schuld op zijn hoogste punt met 81 procent.

Zalm heeft ook meer stabiliteit in het begrotingsbeleid gebracht: de steeds wisselende aanpassingen aan mee- en tegenvallers uit het verleden hebben plaatsgemaakt voor rustiger beleidslijnen voor de langere termijn.

Tevredenheid alom; de debatten zullen er vooral om gaan óf en hoe de extra beschikbare miljarden moeten worden uitgegeven.

En toch: de begroting heeft een serieus gebrek. Nergens wordt aangetoond dat de uitgaven ook echt productief worden besteed. In dit opzicht is deze begroting in de 21ste eeuw nog even primitief als de begrotingen in de 19de eeuw. In dit licht is ook deze begroting eigenlijk onverantwoord.

Dit geldt allereerst voor de totale omvang van de uitgaven. In 2001 zullen deze 45 procent van het bbp bedragen; in 1993 was dit ruim 58 procent en in 1987 bijna 65 procent. Maar nergens in de miljoenennota wordt de tegenwoordige 45 procent verantwoord. Moet dit cijfer nog verder terug? En zo ja, naar 40 of 30 procent, of weer omhoog tot 50 procent, of meer?

Over de wenselijke waarde van de collectieve uitgavenquote ontstond in 1987 een discussie. De toenmalige fractieleider van het CDA, dr. Bert de Vries, stelde voor als norm 60 procent van het bbp te nemen. Hij verdedigde deze keuze, door te zeggen dat geen verdere bezuinigingen mogelijk waren. Gerrit Zalm, toen werkzaam bij het ministerie van economische zaken, toonde aan dat verdere bezuinigingen wel mogelijk waren en dat 'in de jaren negentig zonder pijnlijke ombuigingen een jaarlijkse quotedaling van 1 à 1,6 procent mogelijk was'.

Ook de toenmalige oppositieleider, Wim Kok, reageerde: hij steunde De Vries in zijn rondgang langs de uitgaven, maar vond toch dat de norm van 60 procent te veel vragen opriep; immers elke norm moest voldoen aan voorwaarden van goed beleid: zoals volledige werkgelegenheid en vermijden van inflatie (en van deflatie).

Nu kan men natuurlijk zeggen: de meerderheid in de Tweede Kamer geeft er toch haar goedkeuring aan? Dat geeft toch de verantwoording?

Maar de moeilijkheid is dat die Tweede Kamer in 1982 stemde voor 66 procent, in 1970 voor 45 procent, in 1920 voor 14 procent en in 1870 voor 9 procent.

Natuurlijk zijn de taken voor de overheid sinds 1870 toegenomen, inclusief de vermeende overheidstaken, en trouwens, ook de druk van pressiegroepen is gegroeid.

Hoe groot moet nu de collectieve uitgavenquote zijn? Het is even dwaas om de beslissing hierover uitsluitend aan het stemgedrag in de Tweede Kamer over te laten als om in het klaslokaal de leerlingen te laten stemmen over de goede oplossing van een som. Meerderheid van stemmen is niet zaligmakend: in de Middeleeuwen vond de overgrote meerderheid van de mensen dat de aarde plat was.

Wat aangetoond moet worden door de overheid zelf is dat de uitgaven effectief zijn en productief, en dáárom verantwoord. De norm als de 60 procent van Bert de Vries is uit de lucht gegrepen.

In tijden van oorlog immers zal de overheid veel uitgaven hebben, in principe meer dan in vredestijd. En landen met een omvangrijk overheidsbudget kunnen het economisch goed doen (Israël) of niet (Hongarije), zoals landen met een klein overheidsbudget economisch floreren (Zuid-Korea) of niet (Venezuela). Het gaat om de effectiviteit van de overheidsuitgaven, niet zozeer om hun omvang.

De overheidsfinanciën worden onttrokken aan de particuliere sector van het bedrijfsleven, de beroepsbevolking, en de consumenten. In elke miljoenennota zou dan ook een aparte verantwoording dienen te worden opgenomen over de effectiviteit van uitgaven door de publieke sector ten opzichte van dit alternatief: uitgaven door de particuliere sector. Methoden om die effectiviteit te meten zijn beschikbaar.

En eenzelfde verantwoording zou moeten worden gegeven over de verdeling binnen de overheidsuitgaven over departementen en soorten van bestedingen op basis van hun effectiviteit. En dit geldt natuurlijk ook voor de discussie over nieuwe uitgaven: onderwijs, zorg, et cetera. Ook hiervoor zijn methoden beschikbaar.

Dan zou zeer waarschijnlijk blijken dat de overheidsinvesteringen nog steeds stiefmoederlijk bedeeld zijn: in de jaren dertig werd door de zuinige verstandige Colijn relatief twee keer zoveel geïnvesteerd als tegenwoordig.

Hopelijk wijdt minister Zalm zich de komende tijd aan het opzetten van een systeem waardoor de overheidsuitgaven echt worden verantwoord.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden