Begrip voor bad boys

Abdelkader Benali's geromantiseerde Badr Hari-biografie staat niet op zichzelf. Meer schrijvers lieten zich inspireren door halve criminelen

Op 2 december plaatste Trouw een opiniestuk waarin politieman Gert van Beek scherpe kritiek uitoefende op misdaadjournalist Peter R. de Vries. Die zou hebben geholpen om van Willem Holleeder een volksheld te maken. Aanleiding was het bij elke herdruk dikker wordende boek van De Vries over de ontvoering van Freddy Heineken. Volgens Van Beek was de daarin gereleveerde gang van zaken ernstig verfraaid ten gunste van Holleeder en zijn naderhand geliquideerde kompaan Cor van Hout.

Misschien zou Holleeders status positiever uitvallen als we het boek van De Vries niet langer lazen als feitenrelaas maar als schelmenroman. Gewoontegetrouw pakken romanciers in dit genre met smaak en spanning uit over boeven die tegen wil en dank het verkeerde pad kiezen, zich ontwikkelen tot ruwe bolsters die hun blanke pit toch weten te behouden en in bepaalde gevallen zelfs hun leven beteren.

Het type held is oeroud, getuige een mythisch personage als Robin Hood. Minstens zo oud is de behoefte van schrijvers om schavuiten en schuinsmarcheerders in het zonnetje te zetten, van de Romeinse auteur Petronius ('Satyricon'), via onze eigen Brederode ('De Spaanse Brabander') en Daniel Defoe ('Moll Flanders'), tot aan de grote vertellers Balzac en Victor Hugo die zich lieten inspireren door de legendarische misdadiger en latere politiechef Vidocq (1775-1857).

De verheerlijking van de schelm is in Nederland laat op gang gekomen, maar sinds enige decennia zit er aardig schot in. 'Ik Jan Cremer' (1964), de onverbiddelijke bestseller waarvan de vijftigste verjaardag volgend jaar feestelijk zal worden gevierd, markeerde een doorbraak. Daarvoor bezaten we al een zekere traditie in lectuur over vertederende straatschoffies als Pietje Bell en Ciske de Rat. In combinatie met het schelmengenre werkt die traditie nog altijd door, bijvoorbeeld in de destijds opvallende maar nu alweer bijna vergeten roman 'Hoezo bloedmooi' (1995) van de Marokkaans-Nederlandse auteur Hans Sahar. Conform het geijkte patroon leeft Sahars alter ego Abi van de hand in de tand, liegt, bedriegt, steelt en hoereert, dreigt menigmaal kopje onder te gaan in de grootstedelijke jungle, maar komt toch altijd weer boven drijven.

Op Sahars boek werd vorig jaar opnieuw de aandacht gevestigd door recensenten die het herkenden als voorloper van 'Eus', het succesdebuut van Özcan Akyol. Die had net als Sahar het schrijverschap ontdekt tijdens een verblijf in de gevangenis, om vervolgens flink uit te pakken over zijn verleden als kruimeldief. Een jaar later wordt de lijn met minstens zoveel succes en media-aandacht doorgetrokken in Mano Bouzamours jongensboekachtige roman 'De belofte van Pisa'.

Ook in dit debuut, andermaal in de markt gezet als een semi-autobiografische historie, maken we kennis met de in multicultureel Amsterdam opererende straatbendes van Marokkaanse origine, met gewapende overvallen en last but not least met personages die het hart ondanks al hun streken en strapatsen toch op de juiste plaats hebben zitten. Weliswaar laat hoofdpersoon Samir, zoon van een Marokkaans immigrantenpaar, liefhebber van klassieke muziek en - heel atypisch - ook nog eens fan van Anne Frank, de echte boevenstreken over aan een bewonderde oudere broer, maar hij profiteert wel degelijk van het geld dat op die manier in zijn zakken belandt. Wanneer broerlief wordt verlinkt door een partner in crime, is het Samir die wraak neemt op de verklikker, nota bene op de dag dat hij een plechtige belofte inlost en als eerste van zijn familie het felbegeerde vwo-diploma in handen krijgt, nog wel van een school waar de chic van Amsterdam-Zuid zijn kinderen heen stuurt. Noem dat maar geen jongensdroom.

Samir heeft zijn gevechtstraining opgedaan in een buurthuis waar een bekende kickbokser zich kwijt van een taakstraf, door de rechter opgelegd vanwege mishandeling en huisvredebreuk. De booswicht moet zich maatschappelijk nuttig maken door Marokkaanse hangjongeren te trainen in het beheersen van hun agressie. Mijn kop eraf als hier geen rolletje is toebedeeld aan de befaamde vechtjas Badr Hari, rolmodel van de allochtone jeugd en idool van schrijver Leon de Winter. Toen Badr Hari in opspraak kwam nadat hij zakenman Koen Everink het ziekenhuis in geslagen had, schreef De Winter dat Everink wel geprovoceerd moest hebben, daartoe naar alle waarschijnlijkheid gestimuleerd door de inname van grote hoeveelheden cocaïne en alcohol.

De Winters sympathie voor de man met de losse handjes bleef tot nu toe beperkt tot een paar columns. Het is collega-schrijver Abdelkader Benali die rond Bad Boy (een van Hadrs vele bijnamen) een complete roman heeft gecomponeerd. Hoewel het zwarte schaap er niet onder eigen naam in voorkomt, bevat het verhaal talloze details uit Badr Hari's biografie, de mishandeling van Everink voorop.

Bad Boy heet hier Amir Salim, zijn slachtoffer wordt heel ironisch Alex d'Ami genoemd, terwijl we vriendin Estelle Cruijff, die dritte im Bunde, mogen begroeten als Chanel, vrij naar de ontwerpster van het bekende jasje en het beroemde parfum. Ze verdient de kost dan ook in de modebranche.

Benali kiest voor een enscenering waarbij Bad Boy meteen na het maltraiteren van D'Ami de wijk neemt naar zijn land van herkomst, zulks op aanraden van zijn advocaat en zijn manager. Laatstgenoemde heeft daarbij een dubbel belang: zijn dochter Gina. Die neemt deel aan een georganiseerde trip door Marokko en blijkt met de rest van haar gezelschap gestrand in the middle of nowhere nu haar reisleider in het hospitaal is beland. Of Amir maar even undercover wil gaan als reserve reisgids om aldus Gina veilig huiswaarts te loodsen.

De identiteitsverwisseling gaat gepaard met een metamorfose tot mensenvriend en redder in nood. Van Bad Boy wordt Amir de zachtaardige en hulpvaardige Yassin. De 'mannelijke bouillon van hitte en hitsigheid' is in de Marokkaanse zon geheel verdampt en heeft plaatsgemaakt voor 'dat intense, weldadige gevoel een onschuldig man te zijn'.

Voor de gewillig meelevende lezer is deze omslag toch een hele toer, gelet op het feit dat Benali eerst de nodige moeite heeft gedaan om zijn personage te modelleren naar de man die in de media bekend staat als een schurk, om hem vervolgens onder een andere naam te laten onderduiken in de wereld van de fictie. Het een wringt nogal met het ander. Bovendien zet de auteur ons ook nog eens op het spoor van de ontstaansgeschiedenis van zijn roman. De datering aan het slot laat zien dat hij er ruim een jaar voor de affaire-Everink aan begon. Daarmee wekt hij de indruk dat hij al knutselde aan een plot rond een verdwaald reisgezelschap toen de waargebeurde geschiedenis van Bad Boy Badr hem als extra gegeven in de schoot viel. Hoe dat ook zij, het is hem niet echt goed afgegaan om de twee verhaallijnen harmonieus met elkaar te verknopen. De ongeloofwaardigheid van een en ander spat je in het oog als je in de afsluiting van een hoofdstuk deze drie elkaar opeenvolgende zinnen leest: "Mensen geruststellen. Mensen knock-out slaan. Die twee dingen deed hij graag."'

Dat harde en agressieve mannen op hun tijd ook wel eens kunnen worden aangedaan door zachte krachten, is een boodschap die ook ligt besloten in Walter van den Bergs nieuwe roman 'Van dode mannen win je niet'.

Hier komt een personage aan het woord dat het niet laten kan om geweld te gebruiken tegen de vrouwen met wie hij voor korte of langere tijd samenleeft, zeker wanneer hij te diep in het glas heeft gekeken. Dit neemt niet weg dat hij een zwak heeft voor de zoon van een van die vrouwen. Dat gevoel zit zo diep dat hij zich geroepen voelt om zich jaren later alsnog te rechtvaardigen. Het resultaat is een lang epistel aan een geadresseerde die het waarschijnlijk nooit onder ogen zal krijgen. Maar dat doet er niet zo veel toe. Het gaat hier namelijk allereerst om een biecht die niet zozeer dient om vergiffenis te krijgen, maar helderheid in de eigen drijfveren. En dat gebeurt zo afgewogen en is psychologisch ook zo goed gemotiveerd dat het relaas van de man je overtuigt, zonder dat je nu meteen warme gevoelens voor hem krijgt.

Heel anders ligt dat in Barry Smits roman 'Om het nu'. Hier worden we geïntroduceerd in het bikkelharde milieu van hooligans rond de Noord-Hollandse voetbalclub AZ. In een reeks rap vertelde hoofdstukken presenteert Smit ons een gezelschap boefjes dat zijn dagen doorbrengt met slikken, snuiven, stelen en vooral ook slaan, en dat bij wijze van uitzichtloos perpetuum mobile. De zich telkens herhalende vecht-, slik- en snuifscènes repeteren zelfs de bewoordingen waarmee de verteller er verslag van doet.

Anders dan de hoofdpersonen van Bouzamour en Van den Berg ontbreekt het Smits ik-figuur aan de bereidheid dan wel het vermogen om te reflecteren op het eigen handelen. In combinatie met de eendimensionale verhaallijn levert dat een buitengewoon vlak boek op. Het wordt niet eens spannend, en zondigt zo zelfs tegen het hoofdgebod van de schelmenroman.

Mano Bouzamour: De belofte van Pisa. Prometheus, Amsterdam; 286 blz. euro 15

Abdelkader Benali: Bad Boy. De Arbeiderspers, Utrecht; 253 blz. euro 18,95

Walter van den Berg: Van dode mannen win je niet. De Bezige Bij, Amsterdam; 208 blz. euro 18,50

Barry Smit: Om het nu. Atlas Contact, Amsterdam; 160 blz. euro 16,95

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden